Indexering van alimentatie: hoe het werkt en wat u moet controleren

Wettelijke Indexering Alimentatie 2023

Alimentatiebedragen gaan elk jaar per 1 januari van rechtswege omhoog, zonder dat iemand daarvoor iets hoeft te doen. Voor 2026 is het percentage vastgesteld op 4,6 procent.

In dit artikel leest u wat de wettelijke hoofdregels zijn rondom de indexering van alimentatie, welke uitzonderingen gelden en welke stappen u kunt nemen.

De juridische hoofdregel: jaarlijkse aanpassing van rechtswege

De wettelijke indexering staat in artikel 1:402a BW. Bedragen voor levensonderhoud die bij rechterlijke uitspraak of bij overeenkomst zijn vastgesteld, worden jaarlijks van rechtswege aangepast aan de loonontwikkeling, met een percentage dat de minister van Justitie en Veiligheid vaststelt. De aanpassing gaat in op 1 januari en geldt voor kinderalimentatie en partneralimentatie.

Van rechtswege betekent hier: zonder verzoek, zonder nieuwe beschikking en zonder instemming van de andere partij. Het percentage verschilt per jaar. Wie een achterstand over meerdere jaren berekent, moet dus per jaar het geldende percentage opzoeken en de aanpassingen cumulatief toepassen, telkens over het bedrag van het voorafgaande jaar. Percentages bij elkaar optellen geeft een te laag bedrag.

Wat wordt geïndexeerd en wat niet

Geïndexeerd wordt het vastgestelde bedrag, niet de behoefte- of draagkrachtberekening die eraan ten grondslag ligt. Indexering is dus een rekenkundige aanpassing en geen herbeoordeling van de situatie. Verandert er iets wezenlijks in inkomen, lasten of zorgverdeling, dan loopt dat via een eigen traject: een verzoek tot wijziging op grond van artikel 1:401 BW. Die twee mechanismen blijven juridisch gescheiden.

Belangrijke uitzonderingen en nuances

Uitsluiten of anders regelen kan, maar moet blijken uit de tekst

Artikel 1:402a BW biedt meer ruimte dan vaak wordt gedacht. Partijen kunnen bij overeenkomst, of de rechter bij uitspraak, de wettelijke indexering geheel uitsluiten, voor een bepaalde tijdsduur uitsluiten, of vervangen door een andere periodieke wijzigingsregeling. Het vijfde lid van dat artikel bepaalt dat de wijziging van rechtswege bij rechterlijke uitspraak of bij overeenkomst geheel of voor een bepaalde tijdsduur kan worden uitgesloten.

Beslissend is niet alleen óf er een uitsluiting is, maar ook hoe de tekst van het convenant, het ouderschapsplan of de beschikking moet worden uitgelegd. Een bedrag dat jarenlang ongewijzigd is gebleven, levert op zichzelf geen geldige uitsluiting op; stilzitten is geen afspraak. Omgekeerd geldt dat ook: uit het ontbreken van een uitsluiting volgt niet zonder meer dat een nabetaling over de volledige periode toewijsbaar is.

Achterstallige indexering: drie vragen die uit elkaar moeten blijven

Wie jarenlang zonder geldige uitsluiting hetzelfde bedrag heeft betaald of ontvangen, loopt tegen een verschil aan. Voor de beoordeling daarvan moeten drie vragen los van elkaar worden beantwoord: bestaat de aanspraak, is zij verjaard, en kan het inningsbureau haar innen.

Voor periodiek opeisbare termijnen geldt in beginsel een verjaringstermijn van vijf jaren, te rekenen vanaf de dag volgend op die waarop de vordering opeisbaar werd (artikel 3:308 BW). Voor een verzoek om een uitkering over al verstreken tijd geldt daarnaast een eigen grens in artikel 1:403 BW. Die twee bepalingen zijn verwant maar niet inwisselbaar.

De verjaring staat niet vast. Een schriftelijke aanmaning, of een schriftelijke mededeling waarin de gerechtigde zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt, stuit de verjaring, waarna een nieuwe termijn begint te lopen (artikel 3:317 BW). Praktisch betekent dat: stuur de berekening van de achterstand niet alleen ter informatie, maar maak daarbij uitdrukkelijk en schriftelijk aanspraak op betaling.

Naast verjaring kan de vraag spelen of de gerechtigde zijn recht heeft verwerkt door lang niets te ondernemen. Enkel stilzitten is daarvoor niet genoeg. Rechtsverwerking vraagt bijzondere omstandigheden, bijvoorbeeld gedrag waardoor de betaler er redelijkerwijs op mocht vertrouwen dat het lagere bedrag volstond. Dat wordt van geval tot geval beoordeeld.

Het inningsbureau: invordering is iets anders dan de vordering zelf

Het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen kan op verzoek van de onderhoudsgerechtigde de invordering overnemen, mits er een executoriale titel is. Daarvoor geldt een eigen, beperktere grens: de gerechtigde moet aannemelijk maken dat de onderhoudsplichtige in de zes maanden voorafgaand aan het verzoek is tekortgeschoten (artikel 1:408 BW).

Dat is geen beperking van de civielrechtelijke vordering tot zes maanden. Het is uitsluitend een grens aan wat het bureau op verzoek van de gerechtigde invordert. De onderliggende aanspraak, met de verjaringstermijn van vijf jaren, blijft daarnaast bestaan. Wie een langere achterstand wil innen, kan daarvoor een deurwaarder inschakelen op basis van de bestaande titel.

Indexering bij een bedrag met terugwerkende kracht

Wordt een bedrag pas achteraf vastgesteld over een periode die al is verstreken, dan moeten twee vragen worden onderscheiden. De werking van rechtswege van artikel 1:402a BW ziet in beginsel op de periode ná de uitspraak. Daarnaast is er de vraag hoe de rechter het bedrag over het al verstreken tijdvak vaststelt: daarbij moet hij zich ambtshalve rekenschap geven van het effect dat de indexering over die periode zou hebben gehad, en kan hij dat in het bedrag verdisconteren (HR 18 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1165).

Inflatie is niet hetzelfde als indexering

De wettelijke indexering volgt de loonontwikkeling, niet de prijsontwikkeling. In jaren waarin de prijzen harder stijgen dan de lonen, blijft de verhoging achter bij het koopkrachtverlies van de ontvanger. Dat is geen fout in de berekening maar een gevolg van de gekozen maatstaf. Partijen kunnen daarvan afwijken door zelf een andere, voldoende duidelijk omschreven regeling af te spreken. Vindt u dat het bedrag door gestegen lasten niet meer volstaat, dan is het middel daarvoor een wijzigingsverzoek, niet de indexering.

Woont een van beiden in het buitenland

Bij een internationale situatie is de Nederlandse indexeringsregel niet zonder meer van toepassing. Eerst moet worden vastgesteld welk recht op de onderhoudsverplichting van toepassing is. Dat loopt via de alimentatieverordening, Verordening (EG) nr. 4/2009, die daarvoor verwijst naar het Haags Protocol van 2007. Het Hof van Justitie heeft daarbij verduidelijkt dat het toepasselijke recht niet afhangt van het moment waarop een eventuele tweede procedure wordt gestart (zaak C-214/17). Wordt een Nederlandse titel in een andere lidstaat ten uitvoer gelegd, dan gebeurt dat in beginsel onder dezelfde voorwaarden als een binnenlandse beslissing.

Stappenplan bij een vermoede achterstand

  1. Zoek op wanneer het bedrag voor het laatst is vastgesteld of aangepast, en of de indexering ergens uitdrukkelijk is uitgesloten, geheel of voor een bepaalde periode.
  1. Zoek de percentages op van alle jaren sinds die datum.
  1. Reken cumulatief: pas elk jaar het percentage toe op het bedrag van het jaar ervoor.
  1. Vergelijk de uitkomst met wat feitelijk is betaald en bepaal het verschil per jaar.
  1. Meld een achterstand schriftelijk, met de berekening erbij, en maak daarbij ondubbelzinnig aanspraak op betaling. Dat stuit de verjaring.
  1. Houd in de gaten hoe ver de vordering terugstrekt: de vijfjaarstermijn van artikel 3:308 BW en, als u het inningsbureau inschakelt, de eigen zesmaandengrens voor een verzoek van de gerechtigde.
  1. Zet het bedrag voor het nieuwe jaar meteen goed in de betaalopdracht, zodat er niet opnieuw een achterstand ontstaat.

Veelgemaakte fouten in de praktijk

De indexering vergeten toe te passen. Dit komt bij beide partijen even vaak voor en werkt jarenlang door.

De percentages optellen in plaats van cumulatief toepassen. Dat levert een te laag bedrag op.

Denken dat een jarenlang gelijk bedrag betekent dat de indexering is uitgesloten. Uitsluiting moet blijken uit een uitdrukkelijke afspraak of uit de beschikking.

Denken dat het ontbreken van een uitsluiting betekent dat de volledige achterstand zonder meer kan worden nagevorderd, zonder oog voor verjaring, stuiting en rechtsverwerking.

Indexering gebruiken als middel tegen gestegen kosten. Daarvoor is een wijzigingsverzoek op grond van artikel 1:401 BW nodig.

De zesmaandengrens van het inningsbureau verwarren met de vijfjaarstermijn van de onderliggende vordering. Dat zijn twee verschillende beperkingen.

Bij een internationale situatie aannemen dat de Nederlandse regel geldt, zonder eerst het toepasselijke recht vast te stellen.

Veelgestelde vragen

Moet ik de indexering zelf doorgeven aan mijn ex-partner?

Nee, de aanpassing geldt van rechtswege. Het is wel verstandig de nieuwe berekening schriftelijk te sturen, zodat er geen discussie ontstaat over de hoogte van de betaling en, bij een achterstand, de verjaring tijdig wordt gestuit.

Geldt de indexering ook voor kinderalimentatie?

Ja, zowel voor kinderalimentatie als voor partneralimentatie.

Mijn ex-partner heeft jarenlang te weinig betaald. Kan ik dat nog vorderen?

In beginsel wel, voor termijnen die niet langer dan vijf jaar geleden opeisbaar zijn geworden. Of het volledige verschil kan worden gevorderd, hangt af van de omstandigheden, onder meer of de verjaring tijdig is gestuit. Schakelt u het inningsbureau in, dan geldt daarvoor bovendien een eigen grens van zes maanden; dat beperkt de invordering, niet de vordering zelf.

Kan ik de indexering laten vervallen?

Dat kan door een uitdrukkelijke afspraak of een rechterlijke beslissing: geheel, voor een bepaalde tijdsduur, of door een andere periodieke regeling af te spreken. Beslissend is steeds de precieze tekst en de uitleg daarvan.

Wat als een van ons in het buitenland woont?

Ga dan eerst na welk recht op de onderhoudsverplichting van toepassing is. De Nederlandse indexering geldt niet automatisch voor een buitenlandse titel; omgekeerd wordt een Nederlandse titel in een andere lidstaat in beginsel wel onder dezelfde voorwaarden ten uitvoer gelegd.

Onze advocaten personen- en familierecht in Eindhoven en Amsterdam

Wilt u weten of het bedrag dat u betaalt of ontvangt nog klopt, of loopt er een achterstand door vergeten indexering? Onze advocaten rekenen het na, stellen de achterstand vast met oog voor verjaring en stuiting, en zetten waar nodig de inning in gang. Wij zijn bereikbaar op onze kantoren in Eindhoven en Amsterdam. Neem contact op voor een eerste beoordeling van uw situatie.

Disclaimer

Dit artikel geeft algemene informatie en is geen juridisch advies. De uitkomst in een concrete zaak hangt af van de feiten, de peildatum en de toepasselijke regeling. Laatste inhoudelijke controle: 18 augustus 2026.

Geraadpleegde bronnen

Artikel 1:402a BW, jaarlijkse wettelijke indexering, uitsluiting en alternatieve regeling.

Artikel 1:401 BW, wijziging bij gewijzigde omstandigheden.

Artikel 1:403 BW, grens aan een verzoek over reeds verstreken tijd.

Artikel 1:408 BW, invordering door het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen.

Artikel 3:308 BW, verjaring van termijnen van periodieke betalingen.

Artikel 3:317 BW, stuiting van de verjaring.

Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2026, indexeringspercentage van 4,6 procent per 1 januari 2026.

HR 18 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1165, indexering bij een met terugwerkende kracht vastgesteld bedrag.

Verordening (EG) nr. 4/2009 en het Haags Protocol van 2007; HvJ EU, zaak C-214/17.

Juridische hulp nodig?

Neem contact op met Law & More voor deskundig advies over uw juridische zaken. Ons meertalige team staat klaar om u te helpen.