Artikel 408 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) regelt de termijn waarbinnen hoger beroep moet worden ingesteld tegen een vonnis in een strafzaak: veertien dagen. Het artikel bepaalt ook vanaf welk moment die termijn loopt.
Inhoudsopgave
Wanneer begint de termijn van veertien dagen?
In de meeste gevallen loopt de termijn vanaf de dag van de einduitspraak. Dat geldt volgens artikel 408, eerste lid, Sv als de verdachte op de zitting is verschenen, als de dagvaarding hem in persoon is uitgereikt of als op een andere manier vaststaat dat hij de zittingsdatum vooraf kende.
Voor een zaak die begon met verzet tegen een strafbeschikking geldt een aparte regel. Ook dan loopt de termijn vanaf de uitspraak, mits de dagvaarding binnen zes weken na het verzet rechtsgeldig is betekend en geen onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van meer dan zes maanden is opgelegd.
Wat geldt als de verdachte niet van de zitting wist?
Dan loopt de termijn van veertien dagen pas vanaf het moment dat blijkt dat de verdachte het vonnis kent (artikel 408, tweede lid, Sv). Dat kan bijvoorbeeld een betalingsbrief van het CJIB zijn of een aanhouding voor de tenuitvoerlegging. De tekst staat op wetten.overheid.nl.
Wat betekent dit in de praktijk?
Hoger beroep stelt u in met een verklaring bij de griffie van de rechtbank die het vonnis heeft gewezen, persoonlijk of via een gemachtigde advocaat. De zaak gaat daarna naar het gerechtshof. Wie te laat is, wordt niet-ontvankelijk verklaard en het vonnis blijft dan staan.
Hoe werkt dit in een concreet geval?
Een verdachte is op 1 maart ter zitting verschenen en de politierechter doet op 15 maart uitspraak. Het hoger beroep moet dan uiterlijk op 29 maart zijn ingesteld. Was hij niet verschenen en is de dagvaarding niet in persoon betekend, dan gaat de termijn bijvoorbeeld pas lopen als hij op 10 mei een aanmaning van het CJIB ontvangt.
Meer over procederen bij het hof leest u op onze pagina over hoger beroep in een strafzaak.