Artikel 51e van het Wetboek van Strafvordering (Sv) geeft het slachtoffer van een ernstig misdrijf spreekrecht: het recht om op de zitting zelf een verklaring af te leggen. Het artikel staat in de titel over de rechten van het slachtoffer.
Inhoudsopgave
Bij welke strafzaken geldt het spreekrecht?
Het spreekrecht geldt bij misdrijven waarop acht jaar gevangenisstraf of meer staat. Daarnaast noemt het eerste lid een aantal specifieke misdrijven, waaronder bedreiging (artikel 285 Sr), belaging (artikel 285b Sr), bepaalde vormen van mishandeling en het veroorzaken van een ernstig verkeersongeval (artikel 6 Wegenverkeerswet 1994).
Wie mag het woord voeren?
Het slachtoffer zelf, ook een minderjarige vanaf twaalf jaar en een jonger kind dat zijn belangen redelijk kan overzien. Voor een slachtoffer onder de twaalf kunnen de wettelijke vertegenwoordigers spreken.
Is het slachtoffer overleden, dan hebben nabestaanden spreekrecht. Willen meer dan drie nabestaanden spreken en zijn zij het niet eens, dan wijst de voorzitter drie sprekers aan; de partner mag altijd spreken. De tekst staat op wetten.overheid.nl.
Hoe gebruikt u het spreekrecht?
U meldt vóór de zitting schriftelijk aan de officier van justitie dat u wilt spreken, zodat hij u tijdig kan oproepen. Op de zitting geeft de voorzitter u het woord. U kunt zich daarbij laten bijstaan door een advocaat.
Wat betekent dit in de praktijk?
Het spreekrecht staat los van de vordering tot schadevergoeding, die via artikel 51f Sv loopt. U kunt beide rechten naast elkaar gebruiken.
Hoe werkt dit in een concreet geval?
Een vrouw wordt slachtoffer van zware mishandeling, waarop volgens artikel 302 Sr acht jaar gevangenisstraf staat. Zij meldt twee weken voor de zitting aan de officier van justitie dat zij wil spreken. Op de zitting vertelt zij de rechtbank wat het geweld met haar werk en gezin heeft gedaan. Daarnaast vordert zij als benadeelde partij vergoeding van haar inkomensverlies.
Meer over bijstand aan slachtoffers leest u op onze pagina slachtofferadvocaat.