Artikel 214 Fw opent de regeling van de surseance van betaling. De schuldenaar die voorziet dat hij met betalen van zijn opeisbare schulden niet zal kunnen voortgaan, kan surseance van betaling aanvragen bij de rechtbank. Surseance is bedoeld als adempauze: de schuldenaar krijgt tijdelijk uitstel van betaling aan zijn concurrente schuldeisers om zijn onderneming te herstructureren. Bij de verlening wordt een bewindvoerder aangesteld, naast wie de schuldenaar alleen nog gezamenlijk kan beschikken en beheren. Surseance werkt niet tegen schuldeisers met voorrang, zoals pand- en hypotheekhouders.
Wettelijke basis
Artikel 214 van de Faillissementswet, het openingsartikel van Titel II (van surseance van betaling), Eerste afdeling over de verlening van surseance en haar gevolgen (artikelen 214 tot en met 251). Het artikel regelt wie surseance kan aanvragen, bij welke rechtbank en onder welke omstandigheid, namelijk het vooruitzicht de opeisbare schulden niet te kunnen blijven voldoen.
Waarom dit telt
Surseance is voor een ondernemer de klassieke route om tijd te kopen wanneer de onderneming levensvatbaar is maar de liquiditeit ontbreekt. De praktijk laat zien dat de adempauze beperkt is, omdat de belangrijkste schuldeisers vaak juist voorrang hebben en dus gewoon kunnen doorpakken. Sinds de invoering van het onderhands akkoord in de Faillissementswet is er bovendien een alternatief dat schuldeisers wel kan binden. De keuze tussen surseance, een onderhands akkoord en faillissement is daarom een strategische afweging die vroeg moet worden gemaakt. Wachten tot de kas leeg is, beperkt het aantal bruikbare routes sterk.