Artikel 6 Faillissementswet – de faillietverklaring

Artikel 6 Fw regelt de behandeling van het verzoek tot faillietverklaring door de rechtbank. De faillietverklaring wordt uitgesproken indien summierlijk blijkt van het bestaan van feiten of omstandigheden die aantonen dat de schuldenaar in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen. Van een volledig bewijs van de vordering hoeft dus geen sprake te zijn; een summiere toets volstaat. In de praktijk wordt die toestand aangenomen wanneer er meerdere schuldeisers zijn en ten minste een vordering onbetaald blijft. Het verzoek wordt met spoed behandeld en de schuldenaar wordt in de gelegenheid gesteld te worden gehoord.

Wettelijke basis

Artikel 6 van de Faillissementswet, Titel I, Eerste afdeling (van de faillietverklaring). Het artikel regelt de behandeling van het verzoek tot faillietverklaring door de rechtbank en bevat de maatstaf dat de faillietverklaring wordt uitgesproken indien summierlijk blijkt van feiten of omstandigheden die aantonen dat de schuldenaar heeft opgehouden te betalen.

Waarom dit telt

De lage bewijsdrempel verklaart waarom een faillissementsaanvraag zo snel tot resultaat leidt. Voor een schuldeiser betekent dit dat hij met een onbetwiste vordering en de aanwijzing van een tweede schuldeiser al een eind komt. Voor de aangesproken ondernemer betekent het dat het verweer zich moet richten op de betwisting van de vordering of op het aantonen dat hij wel degelijk betaalt. Omdat de zitting kort op de aanvraag volgt, is er weinig tijd om alsnog een regeling te treffen. Wie een aanvraag ontvangt, moet dus direct beoordelen of betaling, een betalingsregeling of inhoudelijk verweer de beste route is.

Meer hierover