Artikel 1 Fw bepaalt dat de schuldenaar die in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, bij rechterlijk vonnis in staat van faillissement wordt verklaard. Dat kan op eigen aangifte of op verzoek van een of meer van zijn schuldeisers. Het artikel legt daarmee de twee ingangen van de faillissementsprocedure vast. Het criterium is niet de omvang van de schuld maar de feitelijke toestand van te zijn opgehouden met betalen. Ook het openbaar ministerie kan om redenen van openbaar belang de faillietverklaring vorderen.
Wettelijke basis
Artikel 1 van de Faillissementswet, Titel I (van faillissement), Eerste afdeling (van de faillietverklaring). Het artikel regelt wie het faillissement kan aanvragen, namelijk de schuldenaar zelf door eigen aangifte en een of meer van zijn schuldeisers, en formuleert de toestand waarin de schuldenaar moet verkeren om failliet te kunnen worden verklaard.
Waarom dit telt
Voor een schuldeiser is de faillissementsaanvraag een zwaar maar effectief drukmiddel wanneer betaling uitblijft en gewone incasso vastloopt. Voor de ondernemer aan de andere kant is een aanvraag een alarmsignaal dat vraagt om onmiddellijke actie, omdat een uitgesproken faillissement zelden is terug te draaien. Het artikel maakt duidelijk dat het niet gaat om een enkele onbetaalde factuur maar om een toestand van betalingsonmacht, wat ruimte geeft voor verweer. Ondernemers die zelf in zwaar weer zitten, kunnen ook zelf aangifte doen wanneer voortzetting geen perspectief meer biedt. De keuze tussen doorgaan, herstructureren of aangifte doen, heeft directe gevolgen voor de aansprakelijkheid van het bestuur.