Burenhinder is hinder die de eigenaar of gebruiker van een erf toebrengt aan een naburig erf. Het gaat om geluid, stank, rook, trillingen, wateroverlast, overhangende beplanting of het wegnemen van licht en uitzicht. Niet elke hinder is onrechtmatig: bepalend zijn de aard, de ernst en de duur van de hinder en de plaatselijke omstandigheden. Wie in een binnenstad woont, moet meer verdragen dan wie in een stil buitengebied woont.
Wettelijke basis
De regeling van het burenrecht staat in Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek, in de titel over de bevoegdheden en verplichtingen van eigenaars van naburige erven. De kernbepaling is artikel 5:37 BW: de eigenaar van een erf mag anderen niet onrechtmatig hinderen, bijvoorbeeld door geluid, trillingen, stank, rook of gassen, door het wegnemen van licht of lucht of door het ontnemen van steun. Die titel bevat ook bijzondere voorzieningen, zoals de noodweg van artikel 5:57 BW voor een erf zonder behoorlijke toegang tot de openbare weg. De algemene norm waaraan hinder wordt getoetst is de onrechtmatige daad van artikel 6:162 BW: onrechtmatige hinder verplicht tot vergoeding van de schade en kan grond zijn voor een verbod of gebod. Is de hinderlijke activiteit maatschappelijk belangrijk, dan kan de rechter een verbod weigeren en de benadeelde naar schadevergoeding verwijzen (artikel 6:168 BW).
Waarom dit telt
Een burengeschil loopt snel op omdat partijen naast elkaar blijven wonen. Het is daarom verstandig hinder vast te leggen met data, foto’s en zo mogelijk metingen, voordat u de zaak voorlegt. Blijft de overlast bestaan, dan kan een burengeschil worden voorgelegd aan de rechter, bij spoed via een kort geding.