Politiegeweld voor de rechter: wanneer mag de politie geweld gebruiken, en wat als het misgaat?

Weegschaal van justitie met hamer op een bureau, symbool voor de juridische beoordeling van politiegeweld

Stel je twee situaties voor. In de eerste rent een man na een overval weg, een agent waarschuwt, de man grijpt naar zijn broeksband, en de agent schiet. In de tweede ligt een aangehouden verdachte al geboeid op de grond, biedt geen verzet meer, en krijgt dan toch nog enkele klappen met de wapenstok. De meeste mensen voelen intuïtief dat hier iets verschilt. Het recht doet meer dan dat aanvoelen: het zet er precieze grenzen omheen.

Politiegeweld wordt in het publieke debat vaak besproken als een morele of politieke kwestie, over vertrouwen, gezag en veiligheid. Juridisch begint de beoordeling ergens anders, namelijk bij de vraag of het geweld binnen de wet bleef. Dat is geen gevoelskwestie maar een toets aan bevoegdheden, beginselen en mensenrechten. In deze blog loop ik dat hele kader langs: wanneer mag de politie geweld gebruiken, wanneer slaat rechtmatig optreden om in onrechtmatig of zelfs strafbaar handelen, en welke wegen staan voor een burger open als het misgaat. Ik gebruik daarbij de belangrijkste wetsartikelen en rechtspraak, maar houd het zo leesbaar mogelijk.

Opengeslagen juridisch wetboek met een vulpen en leesbril op een houten bureau
politiegeweld-wetboek-juridisch-kader

De kern in één zin

Geweld door de politie is niet verboden, maar streng genormeerd. De Staat heeft het geweldsmonopolie, en de politie mag dat monopolie alleen gebruiken binnen grenzen die de wet vooraf trekt. De rode draad door alles wat volgt is steeds dezelfde vraag: was dit geweld, in deze situatie, met dit middel en dit doel, echt noodzakelijk en redelijk?

De wettelijke basis: bevoegdheid is geen vanzelfsprekendheid

De hoofdregel staat in artikel 7 van de Politiewet 2012. Een politieambtenaar die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak mag in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening geweld gebruiken, maar alleen wanneer het beoogde doel dat rechtvaardigt, mede gelet op de gevaren die aan dat geweld verbonden zijn, en wanneer dat doel niet op een andere manier kan worden bereikt. Aan het gebruik van geweld gaat bovendien zo mogelijk een waarschuwing vooraf. In ditzelfde artikel staat ook de proportionaliteitseis: de uitoefening van de bevoegdheid moet redelijk en gematigd zijn.

Die wettekst lijkt kort, maar er zitten vier ingrediënten in die je in vrijwel elke zaak terugziet: een rechtmatig doel, noodzaak, het ontbreken van een lichter alternatief, en gematigdheid. Geweld zonder bevoegdheid is per definitie onrechtmatig.

De uitwerking van die bevoegdheid staat niet in de wet zelf, maar in de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren. Dat de regering die instructie mag vaststellen, volgt uit artikel 9 Politiewet 2012. De Ambtsinstructie regelt per geweldsmiddel onder welke voorwaarden het mag worden ingezet, en is in de afgelopen jaren ingrijpend herzien. Belangrijk om te onthouden: de Ambtsinstructie zegt niet alleen of een middel mag worden gebruikt, maar ook hoe, wanneer, met welke waarschuwing en onder welke beperkingen.

De toets: legaliteit, noodzaak, proportionaliteit en subsidiariteit

In bijna elke zaak over politiegeweld keren dezelfde vier vragen terug. Ik leg ze uit en koppel ze meteen aan een voorbeeld.

De eerste is legaliteit. Was er een wettelijke grondslag voor het optreden? Zonder bevoegdheid is geweld onrechtmatig, hoe goed bedoeld ook.

De tweede is noodzaak. Was geweld echt nodig om de politietaak uit te voeren? Als de situatie ook zonder geweld onder controle te brengen was, ontbreekt die noodzaak.

De derde is proportionaliteit. Stond het gebruikte geweld in verhouding tot het doel? Een licht vergrijp rechtvaardigt geen zwaar middel.

De vierde is subsidiariteit. Was er geen lichter alternatief dat ook effectief zou zijn geweest? Eerst praten, afstand houden of de-escaleren, en pas daarna een zwaarder middel.

Het voorbeeld maakt het verschil zichtbaar. Een verwarde man op een perron schreeuwt luid en weigert weg te lopen, maar bedreigt niemand fysiek. Direct gebruik van pepperspray of wapenstok is dan moeilijk te rechtvaardigen, omdat de noodzaak en de subsidiariteit ontbreken. Loopt diezelfde man met een mes op omstanders af en reageert hij niet op bevelen, dan kan een zwaarder middel, afhankelijk van de acute dreiging, juist wel binnen de grenzen vallen.

Cruciaal is dat de rechter beoordeelt vanuit het beslismoment, niet alleen vanuit de uitkomst. Niet wat we achteraf op rustig bekeken camerabeelden zien, maar wat de agent op dat moment redelijkerwijs wist, zag en moest inschatten, is bepalend. Tegelijk is dat geen vrijbrief. De Hoge Raad heeft de grens scherp getrokken: niet elke normschending tast de rechtmatigheid aan, maar een ernstige overschrijding van proportionaliteit of subsidiariteit kan eraan in de weg staan dat een agent nog handelt in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening. Dat raakt direct aan delicten als wederspannigheid (artikel 180 Wetboek van Strafrecht): als de staandehouding zelf onrechtmatig was, kan het verzet daartegen niet als wederspannigheid worden bestraft.

Hoe zwaarder het middel, hoe strenger de toets

De Ambtsinstructie kent een opbouw van licht naar zwaar: van een fysieke greep en handboeien, via pepperspray, de wapenstok en het stroomstootwapen, tot het vuurwapen. Hoe ingrijpender de mogelijke gevolgen, hoe strenger en specifieker de voorwaarden.

Het vuurwapen vormt het uiterste. Daarvoor gelden limitatief omschreven situaties, zoals het aanhouden van iemand van wie redelijkerwijs mag worden aangenomen dat hij onmiddellijk levensbedreigend geweld zal gebruiken, of het afwenden van direct gevaar voor het leven of zwaar lichamelijk letsel. Daar komt een belangrijke beperking bij: als de identiteit van de verdachte bekend is en uitstel van de aanhouding geen onaanvaardbaar risico oplevert, hoort het vuurwapen niet te worden gebruikt. En in beginsel geldt een waarschuwingsplicht voordat gericht wordt geschoten, tenzij de omstandigheden dat redelijkerwijs niet toelaten.

Een illustratief contrast: in de rechtspraak is geweld in de ene zaak proportioneel geacht, bijvoorbeeld de inzet van een diensthond of het schieten op een wegrijdende auto onder concrete, dreigende omstandigheden, terwijl in een andere zaak het trekken en richten van een dienstwapen bij een verkeerscontrole, terwijl de identiteit bekend was en geen aanhouding werd beoogd, juist zozeer in strijd met de Ambtsinstructie en met proportionaliteit en subsidiariteit werd geacht dat het optreden niet meer rechtmatig was. Dezelfde maatstaf, tegengestelde uitkomsten, afhankelijk van de feiten.

Wanneer politiegeweld strafbaar wordt

Onrechtmatig is niet hetzelfde als strafbaar. Toch kan politiegeweld wel degelijk tot strafrechtelijke aansprakelijkheid leiden. Hier heeft de wetgever recent een eigen systeem gebouwd.

Tot 1 juli 2022 werd een agent die in functie geweld gebruikte met ernstig gevolg, strafrechtelijk in beginsel beoordeeld als elke andere burger, langs de meetlat van mishandeling of doodslag, waarna de vraag rees of een rechtvaardigingsgrond gold. De klassieke rechtvaardigingsgrond is het handelen ter uitvoering van een wettelijk voorschrift, artikel 42 Wetboek van Strafrecht, dat alleen opgaat als is gehandeld overeenkomstig de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit.

Met de Wet geweldsaanwending opsporingsambtenaar is dat veranderd. Sinds 1 juli 2022 bestaat een afzonderlijk strafrechtelijk kader. De kern is artikel 372 Wetboek van Strafrecht: strafbaar is de ambtenaar aan wiens schuld het te wijten is dat hij de geweldsinstructie schendt, met als gevolg letsel of de dood. De geweldsinstructie is daarvoor gedefinieerd in artikel 90novies Wetboek van Strafrecht. Het bijzondere zit niet in een lichtere bewijslast, maar in wat bewezen moet worden: niet zozeer opzet op letsel, maar een verwijtbare, aanmerkelijke onvoorzichtigheid bij het schenden van de instructie. De gedachte is dat professioneel geweldgebruik in functie een andere normering verdient dan willekeurig burgergeweld. Dat betekent niet dat politiegeweld lichter wordt genomen, maar dat het juridisch anders wordt geduid.

Ook de procedure is aangepast. Na een geweldsincident kan de officier van justitie eerst een feitenonderzoek instellen (artikel 511a Wetboek van Strafvordering), gericht op de vraag of overeenkomstig de geweldsinstructie is gehandeld. Pas daarna komt de vraag op of vervolging aangewezen is. De agent wordt dus niet automatisch als verdachte behandeld.

Deze wet is omstreden. Voorstanders vinden het rechtvaardig dat de bijzondere context van politiewerk wordt erkend en dat agenten niet kopschuw worden. Critici vrezen dat de normerende en afschrikkende werking van het strafrecht verzwakt en dat slachtoffers minder bescherming krijgen.

Onderzoek en onafhankelijkheid

Bij dodelijk geweld of geweld met ernstig letsel doet doorgaans de Rijksrecherche onderzoek, onder gezag van het Openbaar Ministerie. Het achterliggende principe is dat de politie niet haar eigen geweld hoort te onderzoeken, om iedere schijn van partijdigheid te vermijden.

Juridisch is dat geen detail. De onafhankelijkheid van het onderzoek is een zelfstandige eis, en niet alleen een nationale. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft daaraan strenge maatstaven verbonden. Tegelijk blijft het een gevoelig punt dat de Rijksrecherche onder het Openbaar Ministerie valt, dat in het dagelijks werk nauw met de politie samenwerkt. Het Hof heeft erkend dat juist een nauwe werkrelatie tussen een officier van justitie en een bepaald politiekorps problematisch kan zijn voor de vereiste onafhankelijkheid. Dat het onderzoek deugt, is dus net zo goed een rechtsvraag als de vraag of het geweld zelf geoorloofd was.

Het mensenrechtelijke kader: leven en menselijke waardigheid

Boven het nationale recht hangt het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Twee bepalingen zijn hier dragend.

Artikel 2 beschermt het recht op leven. Dodelijk overheidsgeweld is alleen toegestaan voor zover het absoluut noodzakelijk is, bijvoorbeeld ter verdediging tegen onmiddellijk levensgevaar. Dat is de klassieke lijn sinds de zaak McCann en anderen tegen het Verenigd Koninkrijk uit 1995, waarin het Hof bovendien de procedurele kant aanscherpte: bij dodelijk overheidsgeweld moet een effectief, onafhankelijk en voortvarend onderzoek volgen. De Staat moet niet alleen geen mensen onnodig doden, maar ook serieus onderzoeken wat er is gebeurd.

Artikel 3 verbiedt foltering en onmenselijke of vernederende behandeling. Hier ligt voor niet-dodelijk geweld een scherpe norm, die het Hof onder meer in de zaak Bouyid tegen België heeft geformuleerd: ieder gebruik van fysiek geweld tegen een persoon dat niet strikt noodzakelijk is gemaakt door diens eigen gedrag, tast de menselijke waardigheid aan en levert in beginsel een schending van artikel 3 op. Dat verklaart waarom geweld tegen iemand die al onder controle is juridisch zo kwetsbaar is. Net als bij artikel 2 geldt ook hier een onderzoeksplicht: bij een verdedigbare klacht over mishandeling door de politie moet een effectief officiëel onderzoek volgen.

Dit kader werkt dus op twee niveaus: materieel, was het geweld geoorloofd, en procedureel, is het daarna effectief en onafhankelijk onderzocht. In zaken over politiegeweld zijn die twee vragen vaak even belangrijk.

Niet alleen strafrecht: de civiele weg en het smartengeld

Het strafrecht is niet de enige route, en voor slachtoffers vaak niet de meest effectieve. Wie meent slachtoffer te zijn van onrechtmatig politiegeweld, kan ook de Staat civielrechtelijk aanspreken op grond van de onrechtmatige daad, artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek. De vraag is dan niet of een individuele agent strafbaar is, maar of de overheid onrechtmatig heeft gehandeld en de schade moet vergoeden.

Dat verschil is wezenlijk, omdat de uitkomsten uiteen kunnen lopen. Een strafzaak kent een hoge bewijsdrempel en draait om individuele strafrechtelijke verwijtbaarheid. Een civiele zaak heeft een andere maatstaf. Het is dus goed mogelijk dat een agent strafrechtelijk wordt vrijgesproken, terwijl de civiele rechter het optreden toch onrechtmatig acht.

Voor de schadevergoeding gelden de gewone regels van het schadevergoedingsrecht. Artikel 6:95 BW onderscheidt vermogensschade en ander nadeel. Immateriële schade, het smartengeld, is alleen vergoedbaar in de gevallen van artikel 6:106 BW, met name bij lichamelijk letsel of bij aantasting in de persoon op andere wijze. De begroting gebeurt naar billijkheid (artikel 6:97 BW), en alleen schade die in voldoende verband staat met het geweld kan worden toegerekend (artikel 6:98 BW).

Hier komt een belangrijk praktijkpunt. Voor smartengeld wegens aantasting in de persoon is een enkele verwijzing naar de billijkheid niet genoeg, en evenmin de enkele stelling dat iemand erg is geschrokken of slecht slaapt. De Hoge Raad verlangt in beginsel concrete, objectiveerbare gegevens, bijvoorbeeld medische of psychologische informatie, waaruit geestelijk letsel blijkt. Alleen wanneer de aard en de ernst van de normschending de nadelige gevolgen zo evident maken, kan nadere onderbouwing achterwege blijven. Wie als slachtoffer naar de civiele rechter stapt, draagt op grond van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de stelplicht en bewijslast voor zowel het bestaan van de schade als het causale verband met het geweld.

Een voorbeeld van hoe een rechter de hoogte bepaalt: bij smartengeld wegens politiegeweld wegen onder meer de aard en ernst van de normschending, de aantasting van de lichamelijke integriteit, de impact op het dagelijks leven en de bedragen die in vergelijkbare gevallen plegen te worden toegekend. In de praktijk lopen toegekende bedragen bij niet al te zwaar letsel vaak in de orde van enkele honderden tot enkele duizenden euro’s, sterk afhankelijk van letsel en gevolgen.

Eigen schuld: het verweer van de Staat

Een burger die schadevergoeding vordert, krijgt vaak te maken met het verweer van eigen schuld, artikel 6:101 BW. De vergoedingsplicht wordt verminderd als de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend. Dat werkt in twee stappen: eerst een zuivere causaliteitsafweging tussen het gedrag van de burger en dat van de politie, en daarna eventueel een billijkheidscorrectie wegens de uiteenlopende ernst van de fouten.

Twee dingen zijn juridisch belangrijk. Ten eerste rust de stelplicht en bewijslast voor eigen schuld op de Staat, niet op de burger. De Staat moet dus concreet stellen welk gedrag van de burger, bijvoorbeeld actief fysiek verzet, een aanval of een vluchtpoging, daadwerkelijk aan de schade heeft bijgedragen. Een algemene stelling als de burger werkte niet mee of zocht de confrontatie is daarvoor onvoldoende. Ten tweede kan de billijkheidscorrectie, juist bij ernstig disproportioneel politiegeweld, een eventuele reductie sterk beperken of zelfs op nihil zetten, omdat de fout aan de kant van de politie zwaarder weegt en de geschonden norm juist strekt tot bescherming tegen overmatig overheidsgeweld.

Klacht, ombudsman en het ambtelijke spoor

Naast straf en schadevergoeding bestaat het klachtrecht. Een burger kan klagen over de manier waarop de politie zich heeft gedragen. Dat leidt niet tot straf of schadevergoeding, maar kan wel uitmonden in het oordeel dat het optreden onbehoorlijk was. Komt de klager er met de politie niet uit, dan kan uiteindelijk de Nationale ombudsman een oordeel geven. Daarnaast kan intern een disciplinair of ambtelijk traject volgen tegen de betrokken ambtenaar, gericht op zijn functioneren. De term tuchtrecht past hier minder goed, omdat de politie geen formeel tuchtrechtelijk stelsel kent zoals bijvoorbeeld artsen of advocaten.

Belangrijk is dat één incident langs vier sporen tegelijk kan lopen, strafrechtelijk, civielrechtelijk, via een klacht en disciplinair, en dat die sporen verschillend kunnen uitpakken. Een vrijspraak in het strafrecht betekent niet automatisch dat het optreden ook civielrechtelijk of qua behoorlijkheid door de beugel kon.

De spanning die blijft

Het juridische kader probeert twee belangen tegelijk te beschermen die voortdurend botsen. Aan de ene kant moet de burger beschermd worden tegen willekeurig en buitensporig overheidsgeweld. Aan de andere kant moet de politie de ruimte houden om in gevaarlijke en chaotische omstandigheden effectief op te treden, soms in een fractie van een seconde. Die spanning verdwijnt nooit helemaal, en elke regel is in feite een poging om de grens ertussen te trekken.

Niet elk ernstig letsel betekent dat de politie fout zat. Maar het omgekeerde geldt net zo goed: een uniform maakt geweld niet vanzelf rechtmatig, en de enkele constatering dat een agent onder druk stond, rechtvaardigt het geweld nog niet. De beslissende vraag blijft steeds dezelfde. Was dit geweld, in deze situatie, met dit doel en dit middel, echt noodzakelijk en juridisch te verantwoorden? Daar geen pasklaar antwoord op hebben is geen zwakte van het recht, maar een eerlijke erkenning dat veiligheid en vrijheid hier voortdurend tegen elkaar moeten worden afgewogen. En juist daarom is zorgvuldige normering, onafhankelijke controle en transparante verantwoording onmisbaar: hoe ruimer het geweldsmonopolie, hoe zwaarder de plicht om dat geweld te kunnen rechtvaardigen.

Veelgestelde vragen over politiegeweld

Mag de politie zomaar geweld gebruiken?

Nee, de politie mag niet zomaar geweld gebruiken. Geweld mag alleen op grond van een wettelijke bevoegdheid, in de rechtmatige uitoefening van de politietaak, en alleen als het noodzakelijk is en het doel niet op een lichtere manier te bereiken is (artikel 7 Politiewet 2012). Het geweld moet bovendien redelijk en gematigd blijven, en er moet zo mogelijk eerst worden gewaarschuwd.

Wat is het verschil tussen onrechtmatig en strafbaar politiegeweld?

Onrechtmatig politiegeweld viel buiten de wettelijke grenzen, bijvoorbeeld omdat het disproportioneel was, en kan leiden tot civiele aansprakelijkheid van de Staat. Strafbaar geweld gaat verder: dan is een individuele agent persoonlijk strafrechtelijk verantwoordelijk, bijvoorbeeld wegens schending van de geweldsinstructie (artikel 372 Wetboek van Strafrecht). Niet elk onrechtmatig geweld is strafbaar, maar het kan dat wel zijn.

Wordt een politieagent na een geweldsincident meteen verdachte?

Sinds 1 juli 2022 niet automatisch. De officier van justitie kan eerst een feitenonderzoek instellen naar de toedracht (artikel 511a Wetboek van Strafvordering), gericht op de vraag of volgens de geweldsinstructie is gehandeld. Pas als daaruit blijkt dat de instructie mogelijk is geschonden, kan een strafzaak volgen.

Wat is de Wet geweldsaanwending opsporingsambtenaar?

De Wet geweldsaanwending opsporingsambtenaar geldt sinds 1 juli 2022 en gaf politie en andere opsporingsambtenaren een eigen strafrechtelijk kader. De kern is artikel 372 Wetboek van Strafrecht, dat het verwijtbaar schenden van de geweldsinstructie als zelfstandig delict strafbaar stelt. De wet is omstreden: critici vrezen minder bescherming voor slachtoffers, voorstanders zien de bijzondere context van politiewerk erkend.

Kan ik schadevergoeding krijgen na politiegeweld?

Ja, dat kan via een civiele procedure tegen de Staat wegens onrechtmatige daad (artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek). Naast materiële schade kun je smartengeld vorderen bij lichamelijk letsel of aantasting in de persoon (artikel 6:106 BW). Je moet wel concreet onderbouwen welke schade je hebt geleden en dat die door het geweld is veroorzaakt. Voor psychisch letsel verlangt de rechter in beginsel objectiveerbare gegevens, zoals medische informatie.

Telt het mee dat een agent een snelle beslissing moest nemen?

Ja. De rechter beoordeelt het optreden vanuit het beslismoment, niet alleen vanuit de uitkomst achteraf. Wat de agent op dat moment redelijkerwijs wist, zag en moest inschatten, weegt mee. Dat is geen vrijbrief: ook onder druk blijven proportionaliteit en subsidiariteit de maatstaf.

Wie onderzoekt politiegeweld in Nederland?

Bij dodelijk geweld of ernstig letsel doet doorgaans de Rijksrecherche onderzoek, onder gezag van het Openbaar Ministerie. Het principe is dat de politie niet haar eigen geweld onderzoekt. Het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens eist dat zo’n onderzoek effectief, onafhankelijk en voortvarend is.

Wat kan ik doen als ik vind dat de politie te ver is gegaan?

Je hebt meerdere wegen, die naast elkaar bestaan. Je kunt aangifte doen, zodat het Openbaar Ministerie kan beoordelen of er wordt vervolgd. Je kunt de Staat civielrechtelijk aanspreken voor schade. En je kunt een klacht indienen, met uiteindelijk de mogelijkheid van een oordeel van de Nationale ombudsman. Die routes kunnen verschillend uitpakken: een strafrechtelijke vrijspraak sluit civiele onrechtmatigheid niet uit.

Gelden voor pepperspray en de wapenstok dezelfde regels als voor het vuurwapen?

De algemene beginselen gelden voor elk geweldsmiddel, maar de voorwaarden worden strenger naarmate het middel ingrijpender is. Het vuurwapen kent de zwaarste, limitatief omschreven voorwaarden, met onder meer een waarschuwingsplicht. Pepperspray en de wapenstok kennen lichtere, maar nog steeds duidelijke voorwaarden in de Ambtsinstructie.

Mag de politie geweld gebruiken bij een demonstratie?

Alleen onder strikte voorwaarden. Het demonstratierecht weegt zwaar, en geweld om de orde te handhaven moet net als altijd noodzakelijk, proportioneel en subsidiair zijn. De drempel ligt hier eerder hoger dan lager, omdat een grondrecht in het geding is. Optreden tegen losse strafbare feiten binnen een demonstratie kan wel, maar mag de demonstratie als geheel niet onnodig smoren.

Wat mag de politie doen bij een aanhouding?

De politie mag bij een rechtmatige aanhouding proportioneel geweld gebruiken om verzet te breken, bijvoorbeeld een controlegreep of het aanleggen van handboeien. De grens ligt bij het moment dat de verdachte onder controle is: aanvullend geweld tegen iemand die al geboeid is of geen verzet meer biedt, is juridisch moeilijk te rechtvaardigen.

Mag de politie een politiehond inzetten bij een aanhouding?

Ja, maar onder voorwaarden uit de Ambtsinstructie. Een bijtende politiehond kan zwaar letsel veroorzaken, dus de inzet wordt getoetst aan noodzaak, proportionaliteit en subsidiariteit. Of het rechtmatig was, hangt sterk af van de concrete dreiging en of een lichter middel volstond. Ernstig letsel betekent dus niet automatisch dat de inzet onrechtmatig was.

Mag de politie een taser of stroomstootwapen gebruiken?

Ja, maar het stroomstootwapen kent eigen voorwaarden in de Ambtsinstructie, waaronder in beginsel een waarschuwing vooraf. Het mag niet worden ingezet tegen iemand die al onder controle is, en het gebruik moet in verhouding staan tot de dreiging. De exacte voorwaarden controleer je het best in de actuele tekst van de Ambtsinstructie.

Mag ik de politie filmen tijdens een aanhouding?

In de openbare ruimte mag je de politie in beginsel filmen, en de politie mag je in de regel niet dwingen beelden te wissen. Je mag het politiewerk daarbij niet feitelijk belemmeren, en bij publicatie kunnen privacyregels gelden. De precieze grenzen zijn situatieafhankelijk, dus wees terughoudend met verspreiding van herkenbaar beeld.

Gelden er strengere regels bij geweld tegen een kind of kwetsbaar persoon?

De wettelijke beginselen zijn hetzelfde, maar in de praktijk vraagt geweld tegen een kind, een verward persoon of iemand die zichtbaar kwetsbaar is om extra terughoudendheid en de-escalatie. De noodzaak en proportionaliteit worden dan kritischer beoordeeld, juist omdat de betrokkene minder weerbaar is en de impact groter kan zijn.

Hoeveel tijd heb ik om de Staat aansprakelijk te stellen voor politiegeweld?

Een civiele schadeclaim verjaart in beginsel vijf jaar nadat je bekend bent geworden met zowel de schade als de aansprakelijke partij, met een uiterste termijn van twintig jaar na de gebeurtenis (artikel 3:310 Burgerlijk Wetboek). Wacht niet te lang en win tijdig juridisch advies in, want bewijs zoals beelden en getuigenverklaringen verdwijnt snel.

Juridische hulp nodig?

Neem contact op met Law & More voor deskundig advies over uw juridische zaken. Ons meertalige team staat klaar om u te helpen.

Privacy Settings
We use cookies to enhance your experience while using our website. If you are using our Services via a browser you can restrict, block or remove cookies through your web browser settings. We also use content and scripts from third parties that may use tracking technologies. You can selectively provide your consent below to allow such third party embeds. For complete information about the cookies we use, data we collect and how we process them, please check our Privacy Policy
Youtube
Consent to display content from - Youtube
Vimeo
Consent to display content from - Vimeo
Scroll naar boven