Artikel 2:345 BW opent de regeling van het recht van enquête. Op schriftelijk verzoek van degenen die daartoe bevoegd zijn, kan de Ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam een onderzoek bevelen naar het beleid en de gang van zaken van een rechtspersoon. Dat onderzoek kan de hele gang van zaken betreffen of een gedeelte daarvan, en ook een bepaald tijdvak. De enquête is geen schadevergoedingsprocedure maar een onderzoeksprocedure, waarin de Ondernemingskamer daarnaast onmiddellijke voorzieningen kan treffen. Wie bevoegd is tot het indienen van een verzoek, volgt uit de daarop volgende artikelen.
Wettelijke basis
Artikel 2:345 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, Titel 8, Afdeling 2 (het recht van enquête). Het artikel regelt dat de Ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam op schriftelijk verzoek een onderzoek kan bevelen naar het beleid en de gang van zaken van een rechtspersoon, en dat dit onderzoek beperkt kan worden tot een deel daarvan of tot een bepaald tijdvak.
Waarom dit telt
De enquête is voor een ondernemer vooral interessant als drukmiddel en als feitenonderzoek wanneer hij geen toegang heeft tot informatie. Omdat de Ondernemingskamer tijdens de procedure kan ingrijpen met tijdelijke voorzieningen, zoals het benoemen van een bestuurder of het overdragen van aandelen ten titel van beheer, kan een vastgelopen situatie snel worden opengebroken. Dat maakt de procedure aantrekkelijk bij een patstelling in de algemene vergadering of bij vermoedens van onttrekkingen. Tegelijk is het een openbare procedure die de verhoudingen verder op scherp kan zetten. Voor wie een enquête overweegt, is de afweging tussen effect en escalatie dus onderdeel van de strategie.