Klantenvergoeding bij agentuur – artikel 7:442 BW

Artikel 7:442 BW geeft de handelsagent na het einde van de agentuurovereenkomst recht op een klantenvergoeding, ook wel goodwillvergoeding genoemd. Voorwaarde is dat de agent de principaal nieuwe klanten heeft aangebracht of de overeenkomsten met bestaande klanten aanmerkelijk heeft uitgebreid, en dat de principaal daarvan nog aanzienlijk voordeel heeft. De vergoeding moet bovendien billijk zijn, gelet op alle omstandigheden van het geval en in het bijzonder de provisie die de agent verliest. De wet begrenst de hoogte van de vergoeding en stelt een termijn waarbinnen de agent zijn aanspraak moet melden, op straffe van verval.

Wettelijke basis

Artikel 7:442 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, Titel 7 (opdracht), Afdeling 4 over de agentuurovereenkomst (artikelen 428 tot en met 445). Het artikel regelt het recht op klantenvergoeding na het einde van de agentuurovereenkomst, de voorwaarden van aangebrachte of uitgebreide klantrelaties en aanzienlijk voordeel, de billijkheidstoets, de wettelijke begrenzing van de hoogte en de vervaltermijn voor het instellen van de aanspraak.

Waarom dit telt

Voor ondernemers die met handelsagenten werken, is dit een kostenpost die bij het einde van de samenwerking plotseling opduikt en zelden is begroot. Voor de agent is het juist de beloning voor het klantenbestand dat hij heeft opgebouwd en dat bij de principaal achterblijft. Omdat de aanspraak binnen de wettelijke termijn moet worden gemeld, verliest een agent die te lang wacht zijn recht. Leg bij aanvang vast hoe klantgegevens worden bijgehouden; die administratie vormt later het bewijs.

Meer hierover