Het cliëntenonderzoek op grond van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme verplicht aangewezen instellingen om te weten met wie zij zaken doen. Het onderzoek moet de instelling onder meer in staat stellen de cliënt te identificeren en diens identiteit te verifiëren, en de uiteindelijk belanghebbende van de cliënt te identificeren. Ook het doel en de beoogde aard van de zakelijke relatie moeten worden vastgesteld, met doorlopende monitoring daarna. De intensiteit van het onderzoek hangt af van het risico. Kan het onderzoek niet met het vereiste resultaat worden afgerond, dan mag de instelling de relatie niet aangaan of moet zij die beëindigen.
Wettelijke basis
De verplichting tot cliëntenonderzoek is geregeld in de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, in het hoofdstuk over bepalingen betreffende cliëntenonderzoek, waar artikel 3 Wwft de kern vormt. Dat artikel regelt wat het cliëntenonderzoek moet bewerkstelligen, in welke situaties het moet worden verricht en dat de omvang ervan wordt afgestemd op het risico.
Waarom dit telt
Ondernemers merken het cliëntenonderzoek vooral als een stroom vragen van hun bank, notaris of accountant bij een financiering, een overname of een grote transactie. Die vragen zijn geen wantrouwen maar een wettelijke plicht, en onvolledige antwoorden vertragen het traject of blokkeren het. Bij een bedrijfsovername of een herstructurering loont het daarom om de documentatie over de eigendomsstructuur vooraf compleet te hebben. Ondernemers die zelf onder de Wwft vallen, moeten bovendien hun eigen beleid, dossiers en meldingen op orde hebben, omdat toezichthouders daarop handhaven. Het onderzoek is geen eenmalige actie maar een doorlopende verplichting zolang de relatie bestaat.