Artikel 16 Vreemdelingenwet 2000 somt de gronden op waarop een aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan worden afgewezen.
Wettelijke basis
Artikel 16, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000 noemt onder meer: de vreemdeling beschikt niet over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf die overeenkomt met het verblijfsdoel, beschikt niet over een geldig document voor grensoverschrijding, beschikt niet zelfstandig en duurzaam over voldoende middelen van bestaan (of de persoon bij wie hij wil verblijven niet), vormt een gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid, of is niet bereid mee te werken aan een medisch onderzoek als bedoeld in de Wet publieke gezondheid. De vrijstellingen op het mvv-vereiste staan in artikel 17 van de wet en in het Vreemdelingenbesluit 2000.
Waarom dit telt
Dit artikel verklaart waarom zoveel aanvragen op formele punten sneuvelen: het mvv-vereiste en het middelenvereiste zijn zelfstandige afwijzingsgronden, los van de inhoudelijke beoordeling. Zie verblijfsvergunning en gezinshereniging.