Artikel 2:216 BW – uitkeringstoets en dividend

Handen met een schoof tarwe voor een veld met een maaidorser in de verte

Artikel 2:216 BW regelt de uitkering van winst en reserves door een besloten vennootschap. De algemene vergadering besluit tot uitkering, maar dat besluit heeft geen gevolg zolang het bestuur geen goedkeuring heeft verleend. Het bestuur moet die goedkeuring weigeren wanneer het weet of behoort te voorzien dat de vennootschap na de uitkering haar opeisbare schulden niet kan blijven betalen. Dat is de uitkeringstoets. Blijkt achteraf dat de vennootschap door de uitkering in problemen is gekomen, dan kunnen bestuurders en onder omstandigheden de ontvangende aandeelhouders daarvoor worden aangesproken.

Wettelijke basis

Artikel 2:216 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, Titel 5 over de besloten vennootschap. Het artikel regelt de bevoegdheid van de algemene vergadering tot uitkering, de vereiste goedkeuring van het bestuur, de toets of de vennootschap haar opeisbare schulden kan blijven voldoen, en de aansprakelijkheid van bestuurders en ontvangers bij een uitkering die die toets niet had mogen doorstaan.

Waarom dit telt

Dividend uitkeren is voor veel ondernemers routine, maar deze bepaling maakt er een bestuursbesluit met persoonlijk risico van. Wie in een jaar met krappe liquiditeit toch uitkeert en later failliet gaat, loopt het risico het uitgekeerde bedrag persoonlijk terug te moeten betalen. Dat geldt ook wanneer de ondernemer zowel bestuurder als aandeelhouder is, en juist dan is het risico dubbel. Een onderbouwde uitkeringstoets, met actuele cijfers en een blik op lopende verplichtingen, hoort daarom in de notulen. Bij twijfel is uitstel van de uitkering goedkoper dan een discussie met een curator.

Wat is de uitkeringstoets bij dividend?

De uitkeringstoets is de controle die het bestuur van een bv vóór elke dividenduitkering doet: kan de vennootschap na de uitkering haar opeisbare schulden blijven betalen? Weet het bestuur dat dit niet zo is, of had het dat redelijkerwijs moeten voorzien, dan weigert het de goedkeuring (artikel 2:216 lid 2 BW).

Als richtsnoer wordt in de wetsgeschiedenis een periode van ongeveer 12 maanden na de uitkering genoemd. Het bestuur kijkt dus vooruit, met een liquiditeitsprognose, en niet alleen naar de balans.

Wat is het verschil tussen de balanstest en de uitkeringstoets?

De balanstest kijkt naar het vermogen, de uitkeringstoets naar de liquiditeit. Volgens artikel 2:216 lid 1 BW mag alleen worden uitgekeerd voor zover het eigen vermogen groter is dan de reserves die de wet of de statuten voorschrijven.

Beide toetsen moeten slagen. Een bv met een ruim eigen vermogen maar weinig liquide middelen kan de balanstest halen en toch de uitkeringstoets niet.

Wie is aansprakelijk als de uitkeringstoets niet goed is gedaan?

Bestuurders die wisten of redelijkerwijs moesten voorzien dat de bv haar schulden niet kon blijven betalen, zijn hoofdelijk aansprakelijk voor het tekort, plus de wettelijke rente vanaf de dag van uitkering (artikel 2:216 lid 3 BW). Een bestuurder ontkomt hier alleen aan als hij bewijst dat het hem niet te verwijten is en hij niet nalatig was.

Een ontvanger die wist of moest voorzien dat het misging, moet maximaal het ontvangen bedrag terugbetalen. Wie feitelijk het beleid bepaalt, geldt voor deze regel ook als bestuurder (lid 4).

Veelgestelde vragen

Geldt de uitkeringstoets ook voor een tussentijds dividend?

Ja. Artikel 2:216 BW geldt voor elke uitkering ten laste van winst of reserves, dus ook tussentijds. Alleen een uitkering in de vorm van aandelen valt buiten de aansprakelijkheid van lid 3 (lid 11).

Hoe lang kan een aandeelhouder een vastgesteld dividend opeisen?

De vordering verjaart in beginsel na 5 jaar. De statuten kunnen een langere termijn bepalen (artikel 2:216 lid 9 BW).

Meer hierover