De prijsafspraken van de meelfabrikanten, de bouwfraude, of de verboden coördinatie tussen vrachtwagenproducenten: kartels zijn geen abstracte concepten uit juridische handboeken, maar concrete economische realiteiten die miljarden euro’s aan schade veroorzaken. Een kartel is, juridisch gedefinieerd, een verboden horizontale overeenkomst of onderling afgestemde feitelijke gedraging tussen ondernemingen met als doel of gevolg de mededinging te verhinderen, te beperken of te vervalsen. Dit manifesteert zich veelal in geheime prijsafspraken, marktverdeling, het beperken van productie of ‘bid-rigging’ bij aanbestedingen.
Dergelijke praktijken zijn ten strengste verboden onder artikel 101 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en artikel 6 van de Mededingingswet (Mw). Waar de focus decennialang lag op publiekrechtelijke handhaving door de Europese Commissie en de Autoriteit Consument & Markt (ACM) door middel van torenhoge boetes, is er het afgelopen decennium een fundamentele verschuiving opgetreden. Het recht op schadevergoeding voor gedupeerden is uitgegroeid tot een hoeksteen van effectieve mededingingsrechtelijke handhaving.
Door de implementatie van de Europese Kartelschaderichtlijn (2014/104/EU) en de introductie van de Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie (WAMCA) is het landschap voor civielrechtelijke schadeclaims ingrijpend veranderd. Private enforcement is niet langer een theoretische mogelijkheid, maar een bloeiende procespraktijk. Dit artikel biedt een diepgaande analyse van de civielrechtelijke strategie voor het vorderen van kartelschade, bedoeld voor juridische professionals en gedupeerde ondernemingen.
De centrale rechtsvraag bij kartelschade
De kernvraag in de huidige procespraktijk luidt: Hoe kunnen slachtoffers van mededingingsrechtelijke inbreuken effectief schadevergoeding vorderen van karteldeelnemers binnen het complexe kader van Nederlands en Europees mededingingsrecht?
Het antwoord vereist navigatie door een samenspel van nationaal civiel recht, Europees mededingingsrecht en gespecialiseerde procesregels. Het gaat niet slechts om het vaststellen van aansprakelijkheid, maar om het slechten van barrières omtrent bewijsverkrijging, causaliteit en de economische kwantificering van schade.
Het juridisch kader: Van richtlijn naar wetboek
De grondslag voor elke kartelschadeclaim begint bij het verbod op concurrentiebeperkende afspraken zoals vastgelegd in artikel 101 VWEU en artikel 6 Mw. Een overtreding van deze normen kwalificeert civielrechtelijk als een onrechtmatige daad in de zin van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De Hoge Raad heeft meermaals bevestigd dat handelen in strijd met het mededingingsrecht in beginsel onrechtmatig is jegens afnemers die daardoor schade lijden.
Echter, het juridisch kader is aanzienlijk gespecialiseerd door Richtlijn 2014/104/EU betreffende schadevorderingen wegens inbreuken op het mededingingsrecht. Deze richtlijn, in Nederland geïmplementeerd in Boek 6 BW en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), introduceerde cruciale mechanismen om de traditioneel zwakke bewijspositie van de eiser te versterken. Artikel 6:193l BW vestigt bijvoorbeeld een weerlegbaar vermoeden dat kartelinbreuken schade veroorzaken. Daarnaast regelt artikel 161a Rv de bindende werking van definitieve beschikkingen van mededingingsautoriteiten (zoals de ACM of Europese Commissie) in civiele procedures.
Voor collectieve acties is sinds 1 januari 2020 de WAMCA relevant (titel 3:305a BW), die een volwaardig regime biedt voor collectieve schadevergoeding, inclusief een ‘opt-out’ mechanisme voor in Nederland woonachtige gedupeerden. Dit stelt belangenorganisaties in staat om namens een grote groep gedupeerden op te treden, wat de drempel voor individuele vorderingen verlaagt.
Uitzonderingen en bijzonderheden in de bewijsvoering
Hoewel de wetgever de positie van de kartelslachtoffer heeft versterkt, blijven er aanzienlijke hordes bestaan. De bewijslast rust in beginsel op de eisende partij (artikel 150 Rv), hoewel deze wordt verlicht door de genoemde wettelijke vermoedens. Een bijzonder aandachtspunt is de kwantificering van de schade. Kartelschade laat zich zelden exact berekenen; het vereist complexe economische analyses om de hypothetische marktsituatie zonder kartel (de ‘counterfactual’) te reconstrueren. Hierbij is de inbreng van economische experts en het gebruik van econometrische modellen onontbeerlijk.
Daarnaast speelt de interactie tussen publieke en private handhaving een grote rol. Bij zogeheten ‘follow-on’ acties, die volgen op een boetebesluit, staat de onrechtmatigheid vast. Bij ‘standalone’ acties, waar geen voorafgaand besluit is, moet de eiser de inbreuk zelf bewijzen, wat zonder de onderzoeksbevoegdheden van een toezichthouder uiterst complex is.
Analyse en toepassing: Een stappenplan voor schadevergoeding
Het succesvol vorderen van kartelschade vereist een methodische aanpak. Hieronder volgt een analyse van de zes cruciale stappen in dit proces.
Stap 1: Vaststelling van de kartelinbreuk
De eerste horde is het aantonen van de onrechtmatige daad. In de praktijk betreft het merendeel van de zaken ‘follow-on’ procedures. Op grond van artikel 161a Rv levert een onherroepelijke beschikking van de ACM of de Europese Commissie dwingend bewijs op van de inbreuk. De rechter in de civiele procedure mag niet afwijken van de vaststellingen in zo’n besluit omtrent de aard, duur en materiële reikwijdte van de inbreuk.
Bij standalone acties rust de volledige bewijslast bij de eiser. Dit vereist vaak toegang tot interne documenten van de verweerder, wat via artikel 843a Rv (de exhibitieplicht) kan worden afgedwongen, hoewel rechters waken voor ‘fishing expeditions’. De timing is hierbij cruciaal; vaak lopen administratieve beroepsprocedures tegen boetebesluiten nog, terwijl de civiele verjaringstermijn dreigt te verlopen. Het aanhangig maken van de civiele zaak, gevolgd door een aanhouding (stay of proceedings) in afwachting van het definitieve oordeel van de bestuursrechter, is een veelgebruikte strategie.
Stap 2: Schade en schadebegroting
Zodra de aansprakelijkheid vaststaat, verschuift de focus naar de schade. Artikel 6:193l BW introduceert het vermoeden dat kartels schade veroorzaken. Dit vermoeden helpt de eiser over de drempel van het bestaan van schade, maar zegt niets over de omvang ervan. Voor de begroting wordt doorgaans gekeken naar de ‘overcharge’: het verschil tussen de betaalde kartelprijs en de hypothetische marktprijs onder mededingingsvoorwaarden.
Om dit te berekenen worden comparator-methoden gebruikt:
- Tijdsvergelijking: Prijzen vergelijken voor, tijdens en na de kartelperiode.
- Geografische vergelijking: Prijzen vergelijken met een regio waar geen kartel actief was.
- Productvergelijking: Prijzen vergelijken met vergelijkbare producten die niet onder de afspraken vielen.
In complexe zaken, zoals het vrachtwagenkartel, wordt vaak gebruikgemaakt van regressieanalyses door economische experts. Indien een nauwkeurige berekening onmogelijk blijkt, heeft de rechter op grond van artikel 6:97 BW de bevoegdheid de schade te schatten. Naast de ‘overcharge’ kan ook sprake zijn van ‘umbrella pricing’ (schade door prijsstijgingen bij niet-karteldeelnemers die de markttrend volgen) en gederfde winst door volume-effecten.
Stap 3: Causaal verband
Er moet een condicio sine qua non-verband bestaan tussen de inbreuk en de schade. In kartelzaken wordt de ‘but for’-test gehanteerd: zou de schade zijn geleden als de inbreuk niet had plaatsgevonden? Hoewel het wettelijk vermoeden van schade (art. 6:193l BW) de eiser helpt, kunnen verweerders proberen dit te weerleggen door te stellen dat externe factoren (zoals grondstofprijzen of algemene inflatie) de prijsstijging veroorzaakten. Recente jurisprudentie toont aan dat rechters hoge eisen stellen aan het tegenbewijs van karteldeelnemers op dit punt; theoretische mogelijkheden volstaan niet, er moet concreet bewijs liggen.
Stap 4: Het ‘Passing-on’ verweer
Een van de meest prominente verweren in kartelzaken is het ‘passing-on’ verweer. De karteldeelnemer stelt hierbij dat de directe afnemer (de eiser) geen schade heeft geleden omdat hij de prijsverhoging (de overcharge) heeft doorberekend aan zijn eigen klanten (de indirecte afnemers).
Artikel 13 van Richtlijn 2014/104/EU en artikel 6:193q BW leggen de bewijslast voor dit verweer bij de aangesproken karteldeelnemer. Dit is een zware last; de verweerder moet aantonen dat de doorberekening daadwerkelijk heeft plaatsgevonden én in welke mate. Economische analyses van de ‘pass-through rate’ zijn hier essentieel. Het verweer dient om ongerechtvaardigde verrijking van de eiser (artikel 6:100 BW) te voorkomen, maar mag niet leiden tot een situatie waarin de karteldader de dans ontspringt doordat bewijs van exacte doorberekening onmogelijk is.
Stap 5: Processuele aspecten en collectieve acties
De keuze tussen individueel procederen of via een collectief mechanisme is strategisch van aard. De WAMCA biedt mogelijkheden voor efficiënte afwikkeling via een representatieve organisatie. De exclusieve belangenbehartiger kan namens de hele groep procederen, waarbij uitspraken bindend zijn voor de hele klasse (behoudens opt-out).
Voor de ontvankelijkheid (artikel 3:305a BW) gelden strikte eisen omtrent governance en representativiteit. Ook funding is cruciaal; procesfinanciers spelen een grote rol, maar hun fees staan onder toenemend toezicht van de rechtbank om te voorkomen dat de schadevergoeding grotendeels verdampt aan proceskosten. Verder is de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter een relevant punt, zeker bij grensoverschrijdende kartels. Dankzij de ‘ankerregel’ in de Brussel I-bis Verordening kan vaak in Nederland worden geprocedeerd tegen buitenlandse kartelleden als één deelnemer in Nederland gevestigd is.
Stap 6: Exhibitie en bewijsvoering
Toegang tot bewijs is vaak de achilleshiel voor de eiser. Artikel 843a Rv (en de specifiekere artikelen 845-847 Rv voor mededingingszaken) biedt mogelijkheden tot inzage in bescheiden. Echter, clementieverklaringen en schikkingsvoorstellen die zijn gedaan in het kader van het clementieprogramma van de mededingingsautoriteit genieten absolute bescherming (artikel 846 Rv). Dit is om de effectiviteit van de publieke handhaving (het ‘klikken’ door kartelleden) niet te ondermijnen. Voor overige documenten uit het dossier van de mededingingsautoriteit geldt een proportionaliteitstoets. De rechter moet een balans vinden tussen het belang van waarheidsvinding en de bescherming van bedrijfsgeheimen, vaak opgelost door het instellen van een ‘confidentiality ring’ waarbinnen alleen advocaten en experts inzage krijgen.
Tegenargumenten en verweren
Naast het passing-on verweer zullen karteldeelnemers diverse andere verweren voeren. Veelgehoord is het beroep op verjaring. Hoewel artikel 3:310 BW een termijn van vijf jaar hanteert, is cruciaal wanneer deze termijn aanvangt. Het Hof van Justitie van de EU heeft bepaald dat verjaringstermijnen niet mogen beginnen te lopen voordat de inbreuk is beëindigd en het slachtoffer kennis heeft van de inbreuk en de schade. In de praktijk betekent dit vaak dat de termijn pas gaat lopen na publicatie van het besluit van de mededingingsautoriteit.
Ook wordt vaak gesteld dat er geen causaal verband is of dat de eiser zijn schadebeperkingsplicht heeft geschonden. Argumenten over economische efficiëntie (dat het kartel leidde tot innovatie of kostenbesparing) slagen in de praktijk zelden als rechtvaardiging voor prijsafspraken.
Conclusie: Een robuust raamwerk met strategische uitdagingen
Slachtoffers van kartels beschikken in Nederland over een robuust juridisch raamwerk om schadevergoeding te vorderen. De combinatie van wettelijke bewijsvermoedens, de bindende werking van toezichthoudersbesluiten en de mogelijkheden van de WAMCA maken Nederland tot een aantrekkelijk forum voor kartelschadeprocedures. Toch blijft de praktijk weerbarstig. De complexiteit van schadeberekeningen, de zware bewijslast bij het passing-on verweer en de lange doorlooptijden vereisen een lange adem en gespecialiseerde juridische en economische bijstand.
De wisselwerking tussen publieke handhaving door de ACM/Europese Commissie en private enforcement is onmiskenbaar. Voor ondernemingen die slachtoffer zijn geworden, is passiviteit geen optie meer. Het tijdig veiligstellen van bewijs, het stuiten van de verjaring en het maken van een strategische keuze tussen individueel optreden of aansluiten bij een collectief, zijn essentiële eerste stappen naar compensatie.
Veelgestelde Vragen (FAQ) over Kartelschade en Civiele Procedures
In deze sectie behandelen we veelgestelde, complexe juridische vragen rondom het vorderen van kartelschade. Deze antwoorden zijn opgesteld vanuit een expert-perspectief en bedoeld voor professionals die te maken hebben met de finesses van het mededingingsrecht en civiel procesrecht.
FAQ 1: Welke bewijsmiddelen zijn het meest overtuigend om het causaal verband tussen het kartel en uw schade aan te tonen in een civiele procedure?
Het aantonen van causaal verband in kartelzaken vereist een combinatie van juridische verankering en economische onderbouwing. Allereerst biedt artikel 6:193l BW een belangrijk wettelijk vermoeden dat een inbreuk op het mededingingsrecht schade veroorzaakt. Dit wordt versterkt door artikel 161a Rv, dat bepaalt dat een definitief besluit van een mededingingsautoriteit (zoals de ACM of Europese Commissie) dwingend bewijs oplevert van de inbreuk zelf.
Voor het specifieke causale verband met uw schade, zijn de volgende bewijsmiddelen cruciaal:
- Transactiedata: Facturen, contracten en inkooporders uit de inbreukperiode zijn essentieel om aan te tonen dat er daadwerkelijk handel is gedreven met de karteldeelnemers.
- Economische expert-rapporten: Dit is vaak het zwaartepunt van de bewijsvoering. Experts gebruiken econometrische modellen (zoals regressieanalyses) om de hypothetische prijs zonder kartel te berekenen.
- Prijsvergelijkingsstudies: Een analyse van de prijsontwikkeling voor, tijdens en na de kartelperiode, of een vergelijking met een geografische markt waar geen kartel actief was.
Op basis van recente jurisprudentie (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:HR:2025:1761) blijkt dat de rechter bereid is om bij voldoende aannemelijkheid de zaak te verwijzen naar een schadestaatprocedure. U hoeft in de hoofdprocedure de exacte schade nog niet tot achter de komma te bewijzen, maar wel dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is. Toegang tot het dossier van de mededingingsautoriteit via artikel 847 Rv kan hierbij ondersteunend bewijs leveren, mits dit proportioneel is en geen clementieverklaringen betreft.
FAQ 2: In hoeverre kan een collectieve actie onder de WAMCA de procespositie van individuele slachtoffers versterken tegenover karteldeelnemers?
Sinds de inwerkingtreding van de WAMCA (Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie) op 1 januari 2020 en de verankering in artikel 3:305a BW, is de procespositie van gedupeerden aanzienlijk versterkt. Het belangrijkste mechanisme is het ‘opt-out’ systeem: gedupeerden die in Nederland woonachtig zijn, vallen automatisch onder de belangenbehartiging, tenzij zij zich expliciet afmelden.
De voordelen voor de procespositie zijn evident:
- Proceseconomie en kosten: Door claims te bundelen worden de kosten voor economische experts en juridische bijstand gedeeld. Dit maakt procedures haalbaar die individueel te kostbaar zouden zijn.
- Bewijsrechtelijke positie: Een collectief heeft vaak toegang tot een bredere dataset, wat de statistische onderbouwing van de schade via econometrische modellen betrouwbaarder maakt.
- Onderhandelingsmacht: De dreiging van een miljardenclaim dwingt karteldeelnemers sneller tot een collectieve schikking.
De WAMCA stelt wel strenge eisen aan de representativiteit en governance van de belangenorganisatie (de ‘claimstichting’). Recentelijke uitspraken bevestigen dat rechters kritisch toetsen of de stichting daadwerkelijk de belangen van de achterban kan waarborgen. Een belangrijk gevolg is de exclusiviteit: gedurende de WAMCA-procedure worden individuele claims van gedupeerden die niet hebben geopteerd voor een opt-out in beginsel geschorst of niet-ontvankelijk verklaard voor zover zij hetzelfde onderwerp betreffen. Een uitspraak of algemeen verbindend verklaarde schikking (via de WCAM of artikel 1018d Rv) is uiteindelijk bindend voor de gehele groep.
FAQ 3: Welke verweren kunnen karteldeelnemers voeren omtrent het doorberekenen van schade (passing-on-verweer) en hoe kan een eiser daarop anticiperen?
Het ‘passing-on’ verweer is gebaseerd op de stelling dat de eiser (de directe afnemer) de prijsverhoging heeft doorberekend aan zijn eigen klanten en dus per saldo geen vermogensschade heeft geleden. De juridische basis hiervoor ligt in artikel 13 van Richtlijn 2014/104/EU.
De bewijslast voor dit verweer rust echter volledig bij de aangesproken karteldeelnemer. De verweerder moet bewijzen dát er is doorberekend en in welke omvang. Dit vereist vaak diepgaande economische analyses van de prijszettingsstrategie van de eiser.
Als eiser kunt u hierop anticiperen met de volgende strategieën:
- Marktomstandigheden: Toon aan dat de concurrentiepositie of de elasticiteit van de vraag het onmogelijk maakte om prijsverhogingen door te berekenen (bijvoorbeeld bij vaste consumentenprijzen of felle concurrentie).
- Marge-analyse: Bewijs middels uw eigen administratie dat uw marges onder druk stonden tijdens de kartelperiode, wat duidt op absorptie van de kosten in plaats van doorberekening.
- Contractuele beperkingen: Leg contracten over waaruit blijkt dat prijzen voor langere tijd vastlagen en niet tussentijds verhoogd konden worden.
Het is van belang te realiseren dat de rechter op grond van artikel 6:100 BW (voordeelverrekening) rekening houdt met ongerechtvaardigde verrijking, maar ook de bevoegdheid heeft de schade te schatten als een exacte berekening van de doorberekening onmogelijk is. Het passing-on verweer kan ook ‘offensief’ worden ingezet door indirecte afnemers om juist hún schade te bewijzen.
FAQ 4: Kan een indirecte afnemer zelfstandig schadevergoeding vorderen als de directe afnemer geen vordering instelt wegens doorberekening?
Ja, indirecte afnemers hebben een zelfstandig recht op schadevergoeding. Dit is expliciet geregeld in artikel 12-14 van Richtlijn 2014/104/EU en geïmplementeerd in artikel 6:193q BW. De wetgever erkent dat schade door de keten heen ‘wandelt’.
Om de bewijspositie van de indirecte afnemer te versterken, geldt er een wettelijk bewijsvermoeden (artikel 6:193q lid 2 BW). De indirecte afnemer wordt geacht het bewijs van de doorberekening te hebben geleverd indien hij aantoont dat:
- De verweerder een inbreuk op het mededingingsrecht heeft gepleegd;
- Deze inbreuk heeft geleid tot een prijsverhoging voor de directe afnemer; en
- Hij goederen of diensten heeft afgenomen die het voorwerp waren van de inbreuk.
De verweerder kan dit vermoeden weerleggen, maar de drempel ligt hoog. De indirecte afnemer is niet afhankelijk van de acties van de directe afnemer; hij hoeft niet te wachten tot de directe afnemer een claim indient. Strategisch gezien is het voor indirecte afnemers wel vaak lastiger om over de benodigde inkoopdata van de directe afnemer te beschikken om de initiële ‘overcharge’ te bewijzen. Hier kunnen exhibitievorderingen (artikel 843a Rv) uitkomst bieden.
FAQ 5: Hoe beïnvloedt het ontbreken van voldoende administratieve gegevens bij eiser of verweerder de bewijswaardering van het passing-on-verweer?
In kartelschadezaken, die vaak jaren na de feiten spelen, is het ontbreken van administratie een veelvoorkomend probleem. De hoofdregel van artikel 150 Rv stelt dat de partij die rechtsgevolgen inroept, de feiten moet bewijzen. Voor het passing-on verweer ligt de bewijslast bij de verweerder (het kartellid).
Wanneer de verweerder stelt dat er is doorberekend, maar de eiser (de afnemer) beschikt niet meer over de administratie om dit te weerleggen of te bevestigen, ontstaat een bewijsrechtelijk dilemma. De Hoge Raad heeft in recente arresten (zie de lijn in ECLI:NL:HR:2025:1328) en conclusies (ECLI:NL:PHR:2025:654) benadrukt dat de eiser in beginsel in zijn eigen risicosfeer zit voor het bewaren van zijn administratie. Echter, dit ontslaat de verweerder niet van zijn stelplicht en bewijslast.
Indien gegevens ontbreken, kan de rechter gebruikmaken van zijn bevoegdheid tot vrije bewijswaardering (artikel 152 Rv). Als de verweerder door toedoen van de eiser (bijv. vernietiging van bewijs in strijd met bewaarplicht) in bewijsnood verkeert, kan de rechter daar nadelige gevolgen aan verbinden voor de eiser. Anderzijds, als de verweerder het passing-on verweer slechts theoretisch onderbouwt zonder data, zal het verweer falen, ongeacht de administratie van de eiser. De rechter kan in zulke gevallen ook terugvallen op zijn schattingsbevoegdheid ex artikel 6:97 BW om de knoop door te hakken.
FAQ 6: Welke sancties kan de rechter opleggen als een partij weigert administratieve gegevens te overleggen ondanks een bevel tot exhibitie?
Een weigering om te voldoen aan een exhibitiebevel (op grond van artikel 843a Rv of 22 Rv) wordt in het civiele procesrecht zwaar opgenomen. De sancties zijn verankerd in artikel 162 Rv en vloeien voort uit de goede procesorde.
De rechter heeft een discretionaire bevoegdheid om de gevolgtrekkingen te maken die hij geraden acht. Mogelijke sancties zijn:
- Het als vaststaand aannemen van feiten: De rechter kan oordelen dat de stellingen van de wederpartij, die door de ontbrekende stukken bewezen hadden moeten worden, als bewezen worden beschouwd. Dit is vaak fataal voor de weigerachtige partij.
- Toewijzing of afwijzing van de vordering: In extreme gevallen kan de weigering direct leiden tot het verliezen van de zaak.
- Uitsluiting van bewijs: De partij mag geen ander bewijs meer leveren op dat punt.
- Dwangsom: De rechter kan de veroordeling tot afgifte versterken met een dwangsom.
De sanctie moet proportioneel zijn aan de ernst van de weigering. In kartelzaken, waar informatie-asymmetrie groot is, zal een rechter sneller geneigd zijn om ten nadele van de weigerende partij te beslissen om de procedurele gelijkheid te herstellen.
FAQ 7: In hoeverre kan de rechter ambtshalve bewijs verzamelen wanneer beide partijen onvoldoende administratie aanleveren?
De civiele rechter is lijdelijk, maar niet passief. Hoewel artikel 149 Rv bepaalt dat de rechter slechts mag beslissen op basis van feiten die door partijen zijn aangedragen, geeft artikel 22 Rv de rechter de bevoegdheid om in alle standen van het geding partijen te bevelen inlichtingen te verschaffen of stukken over te leggen.
Wanneer beide partijen falen in hun bewijslevering door gebrekkige administratie, kan de rechter echter niet zelfstandig op onderzoek uitgaan (“fishing expedition”). Wel kan de rechter:
- Deskundigen benoemen (Artikel 194 Rv): De rechter kan een onafhankelijke deskundige vragen om op basis van de wel beschikbare marktdata een schatting te maken.
- Getuigen horen: De rechter kan ambtshalve bevelen dat bepaalde personen onder ede worden gehoord.
- Schade schatten: Zoals eerder genoemd, biedt artikel 6:97 BW de ontsnappingsroute. Als de schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld door gebrek aan data, mag de rechter de schade schatten.
De rechter moet hierbij wel het beginsel van hoor en wederhoor respecteren. Hij mag zijn beslissing niet baseren op informatie waar partijen niet op hebben kunnen reageren.
FAQ 8: Kan een rechter bij gebrek aan gegevens een omkering van de bewijslast toepassen ten nadele van de niet-meewerkende partij?
De omkering van de bewijslast is een zwaar middel dat een uitzondering vormt op de hoofdregel van artikel 150 Rv. Dit gebeurt alleen als de eisen van redelijkheid en billijkheid dit verlangen. In kartelschadezaken is de drempel hiervoor hoog, maar niet onoverkomelijk.
Een omkering (of verlichting) van de bewijslast kan aan de orde zijn wanneer een partij in een onmogelijke bewijspositie verkeert door toedoen van de wederpartij. Bijvoorbeeld wanneer een karteldeelnemer bewust bewijsmateriaal heeft vernietigd om sporen uit te wissen. De Hoge Raad eist wel een expliciete motivering voor een dergelijke omkering (zie ECLI:NL:HR:2006:AU4529).
Vaak kiest de rechter echter voor een subtielere route dan formele omkering: de ‘verzwaarde stelplicht’. De partij die over de gegevens beschikt (of zou moeten beschikken), moet zijn verweer extra goed onderbouwen. Doet hij dat niet, dan wordt de stelling van de eiser als vaststaand aangenomen. In recente conclusies (zoals ECLI:NL:PHR:2025:654) wordt benadrukt dat het enkele feit dat bewijslevering lastig is, onvoldoende is voor omkering; er moet sprake zijn van onredelijkheid in de proceshouding van de wederpartij.
FAQ 9: Kan een karteldeelnemer zich met succes beroepen op het recht op bescherming tegen zelfincriminatie om openlegging van administratieve gegevens te weigeren?
Het nemo tenetur-beginsel (niemand is gehouden tegen zichzelf bewijs te leveren), afgeleid uit artikel 6 EVRM, speelt een grote rol in het strafrecht en het bestuursrechtelijke boeteproces. In civiele kartelschadeprocedures is de reikwijdte echter beperkt.
De Hoge Raad (zie ECLI:NL:HR:2025:1519) en het Europese Hof hebben bepaald dat dit beginsel zich niet uitstrekt tot bewijsmateriaal dat onafhankelijk van de wil van de betrokkene bestaat, zoals administratieve bescheiden, facturen en interne notities die al bestonden voordat het onderzoek begon. Een karteldeelnemer kan dus niet weigeren om bestaande bedrijfsadministratie te overleggen in een civiele exhibitieprocedure (art. 843a Rv) met een beroep op nemo tenetur.
Uitzonderingen zijn er wel:
- Clementieverklaringen: Op grond van artikel 846 Rv zijn verklaringen die specifiek zijn opgesteld voor een clementieverzoek bij de toezichthouder absoluut beschermd tegen inzage.
- Dwang tot nieuwe verklaringen: Men kan een partij niet dwingen in een civiele procedure een verklaring af te leggen die direct strafrechtelijke of bestuursrechtelijke consequenties (boetes) zou kunnen hebben, als die procedure nog loopt.
Voor zuiver feitelijke, reeds bestaande documenten faalt dit verweer echter bijna altijd in civiele zaken.
FAQ 10: Wat is de verjaringstermijn voor kartelschadeclaims en wanneer begint deze te lopen?
De verjaring van kartelschadeclaims is complex vanwege de lange duur van kartels en de geheimhouding. De hoofdregel is de relatieve verjaringstermijn van vijf jaar (artikel 3:310 BW).
Cruciaal is het startmoment. De termijn begint pas te lopen op de dag volgende op die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering in te stellen. Volgens de jurisprudentie van het Hof van Justitie (o.a. in de zaak Manfredi en Volvo/DAF) vereist dit dat de gedupeerde bekend is met:
- De inbreuk;
- Het feit dat hij schade heeft geleden; en
- De identiteit van de dader.
In de praktijk betekent dit dat de verjaringstermijn meestal pas begint te lopen na de publicatie van de samenvatting van het boetebesluit door de Europese Commissie of de ACM. Bovendien bepaalt Richtlijn 2014/104/EU (en de Nederlandse implementatie) dat de verjaringstermijn wordt geschorst zolang het onderzoek van de mededingingsautoriteit loopt, en tot één jaar nadat het besluit onherroepelijk is geworden.
Er geldt ook een absolute verjaringstermijn van 20 jaar (artikel 3:306 BW), maar door de schorsingsregels wordt deze zelden overschreden voordat een actie kan worden ingesteld. Praktisch advies: stuit de verjaring onmiddellijk na bekendmaking van een kartelbesluit door middel van een aansprakelijkstelling om rechten veilig te stellen.
FAQ 11: Hoe wordt de schade berekend in kartelschadezaken?
Schadebegroting in kartelzaken is geen exacte wiskunde, maar een economische schatting. De meest gebruikte methodologie is de ‘overcharge’-berekening: het verschil tussen de werkelijk betaalde prijs en de prijs die zou hebben gegolden in een markt zonder kartel (de counterfactual).
Methoden die door rechters en experts worden gehanteerd zijn:
- Before-and-after methode: Men vergelijkt prijzen tijdens het kartel met prijzen in de periode ervoor en erna. Correcties voor inflatie en grondstofkosten zijn noodzakelijk.
- Yardstick methode: Men vergelijkt de kartelmarkt met een vergelijkbare markt (bijv. een ander land) waar geen inbreuk was.
- Regressieanalyse: Statistische modellen die proberen de prijsvorming te verklaren op basis van diverse variabelen (kosten, vraag, wisselkoersen) om de ‘schone’ prijs te isoleren.
Naast de prijsopslag kan schade ook bestaan uit:
- Gederfde winst: Door de hogere prijzen is mogelijk minder verkocht (volume-effect).
- Umbrella damages: Schade door aankopen bij niet-karteldeelnemers die hun prijzen wel verhoogden in de slipstream van het kartel.
- Wettelijke rente: Gezien de lange looptijd van kartels vormt rente-op-rente vaak een substantieel deel van de totale claim.
De rechter heeft op basis van artikel 6:97 BW de vrijheid om de methode te kiezen die het meest passend is en kan de schade schatten als exacte berekening niet mogelijk is.
FAQ 12: Wat zijn de voor- en nadelen van een collectieve actie versus een individuele procedure?
De keuze tussen aansluiten bij een collectief (WAMCA) of zelf procederen is een strategische afweging.
Collectieve actie (Voordelen):
- Kostenbesparing: Proceskosten en kosten voor dure economische experts worden gedeeld of gedragen door een procesfinancier (op basis van no cure, no pay of een percentage).
- Macht: Een claim van €100 miljoen dwingt een kartellid eerder tot schikken dan een claim van €50.000.
- Gemak: De claimstichting voert de regie; de administratieve last voor de individuele ondernemer is lager.
Collectieve actie (Nadelen):
- Verlies van controle: U heeft geen directe invloed op de processtrategie of schikkingsvoorwaarden.
- One-size-fits-all: Schikkingen zijn vaak gestandaardiseerd en houden mogelijk onvoldoende rekening met uw specifieke omstandigheden (bijv. specifieke marges).
- Tijdsduur: Collectieve procedures zijn log en kunnen jaren duren door formele ontvankelijkheidsdiscussies.
Individuele procedure (Voordelen):
- Maatwerk: De claim en schadeberekening zijn volledig toegespitst op uw bedrijfssituatie.
- Snelheid: Individuele schikkingen kunnen vaak sneller worden bereikt, zeker als u een grote afnemer was met een handelsrelatie.
- Directe regie: U bepaalt zelf de strategie.
Individuele procedure (Nadelen):
- Kosten: U draagt alle kosten zelf. Het kostenrisico bij verlies is aanzienlijk.
- Bewijslast: U moet zelfstandig al het bewijs leveren, zonder de ‘schaalvoordelen’ van data uit een grote groep.
Voor MKB-bedrijven is een collectieve actie vaak de enige economisch haalbare weg. Grote multinationals kiezen vaker voor een individuele strategie (of een gebundelde claim met enkele andere grote spelers) om maximaal rendement te halen.
Wilt u weten wat uw specifieke mogelijkheden zijn in een kartelschadezaak? Neem contact op met Law & More.