Als ondernemer sluit u voortdurend contracten. Het uitgangspunt in Nederland is contractsvrijheid: u bent in principe vrij om af te spreken wat u wilt, met wie u wilt. Het is een van de pilaren van onze economie, die u de ruimte geeft om zakelijke relaties naar eigen inzicht vorm te geven.
Maar die vrijheid is niet onbegrensd. Op het punt waar de wetgever het nodig vindt om een zwakkere partij te beschermen of fundamentele maatschappelijke belangen te bewaken, stopt de vrijheid en begint het dwingend recht. Dit is de harde grens waar uw afspraken niet overheen mogen. Kennis van deze grens is cruciaal, want een afspraak die hiertegen ingaat, is juridisch vaak waardeloos.
De juridische basis van contractuele grenzen
Het Nederlandse contractenrecht balanceert voortdurend op twee pijlers: de autonomie om zelf te bepalen, en de grenzen die de wet daaraan stelt. De wetgever heeft op diverse terreinen duidelijke regels opgesteld waar u niet van mag afwijken, zelfs niet als beide partijen het er volledig over eens zijn.
U kunt dit visualiseren als een speelveld: contractsvrijheid geeft u de ruimte om te bewegen, maar het dwingend recht trekt de onoverkomelijke zijlijnen.
Elk contract dat u opstelt, bevindt zich in dit spanningsveld. Het kennen van de spelregels is dan ook geen luxe, maar een zakelijke noodzaak.
Waarom bestaat dwingend recht?
Waarom grijpt de wetgever in op uw contractsvrijheid? De gedachte achter dwingend recht is tweeledig en helpt u direct te begrijpen waar de grenzen liggen. De wetgever wil:
- De zwakkere partij beschermen: In veel contractuele relaties is er een machtsverschil. Denk aan een werkgever tegenover een werknemer, een verhuurder tegenover een huurder, of een groot bedrijf tegenover een consument. Dwingend recht voorkomt dat de sterkere partij zijn positie misbruikt om onredelijke voorwaarden af te dwingen.
- De openbare orde en goede zeden bewaken: Sommige afspraken gaan zo fundamenteel in tegen wat wij als maatschappij acceptabel vinden, dat ze simpelweg verboden zijn. Een contract om een misdrijf te plegen is het meest extreme voorbeeld, maar denk ook aan afspraken die de vrije concurrentie onmogelijk maken. Dergelijke overeenkomsten zijn direct ongeldig.
Negeert u deze grenzen, dan kan dat verstrekkende gevolgen hebben. Een clausule in uw contract die botst met dwingend recht is meestal nietig of vernietigbaar. Simpel gezegd: de afspraak heeft juridisch nooit bestaan of kan met terugwerkende kracht worden teruggedraaid.
Een nietige afspraak is automatisch ongeldig, zonder dat iemand actie hoeft te ondernemen. Een vernietigbare afspraak is geldig totdat de beschermde partij (zoals een consument of werknemer) deze ongeldig laat verklaren via een rechterlijke of buitengerechtelijke verklaring.
Aanvullend versus dwingend recht
Om de grenzen scherp te krijgen, is het essentieel om het verschil te kennen tussen dwingend recht en aanvullend recht. Aanvullend recht (ook wel regelend recht genoemd) fungeert als een vangnet. Als u en uw contractpartner over een bepaald onderwerp niets hebben afgesproken, vult de wet de leegte op. U mag hier dus van afwijken.
Het onderscheid kunnen maken is van vitaal belang voor elke ondernemer die juridisch waterdichte contracten wil opstellen. De onderstaande tabel zet de kernverschillen overzichtelijk naast elkaar.
Kernverschillen tussen contractsvrijheid en dwingend recht
Een praktisch overzicht van de fundamentele verschillen tussen de vrijheid om afspraken te maken en de wettelijke beperkingen daarop.
| Kenmerk | Contractsvrijheid | Dwingend Recht |
|---|---|---|
| Uitgangspunt | Partijen zijn vrij om afspraken te maken (autonomie). | De wet legt een regel op die niet opzijgezet kan worden. |
| Functie | Faciliteren van commerciële en persoonlijke relaties. | Beschermen van een zwakkere partij of de openbare orde. |
| Afwijken mogelijk? | Ja, de wet vult alleen aan als partijen niets regelen (aanvullend recht). | Nee, afwijkende afspraken zijn nietig of vernietigbaar. |
| Voorbeeld | De betalingstermijn in een B2B-contract afspreken. | De maximale proeftijd in een arbeidsovereenkomst. |
Het doorgronden van deze dynamiek is de eerste, cruciale stap. Het stelt u in staat om contracten op te stellen die niet alleen uw zakelijke doelen dienen, maar ook overeind blijven als het er juridisch op aankomt.
Hoe redelijkheid en billijkheid uw contracten vormgeven
Naast de harde, in de wet vastgelegde regels van het dwingend recht, speelt er nog een subtieler maar minstens zo belangrijk principe een rol: de redelijkheid en billijkheid. Zie het als een juridisch vangnet dat ervoor zorgt dat afspraken niet alleen worden beoordeeld op wat er letterlijk staat, maar ook op wat in een specifieke situatie eerlijk en rechtvaardig is.
Zelfs een perfect geformuleerde clausule kan onderuitgaan als de toepassing ervan in een concreet geval onaanvaardbaar zou zijn. Dit principe fungeert als een onzichtbare corrector die de scherpe, soms onredelijke randjes van pure contractsvrijheid afhaalt. Het voorkomt dat een partij zich kan verschuilen achter de letter van het contract, wanneer de uitkomst overduidelijk onrechtvaardig is.
De aanvullende en beperkende werking
De redelijkheid en billijkheid heeft twee functies die direct kunnen ingrijpen in uw overeenkomsten. Het is van belang om die goed uit elkaar te houden.
- Aanvullende werking: Stel, u bent met een zakenpartner iets vergeten te regelen in het contract. De rechter kan zo'n leemte dan opvullen op basis van wat redelijk en billijk is. De overeenkomst wordt dan aangevuld met verplichtingen die er niet letterlijk instaan, maar die wel logisch voortvloeien uit de aard van de samenwerking.
- Beperkende (of derogerende) werking: Dit is de meest ingrijpende variant. Een rechter kan een op papier volkomen geldige contractuele bepaling tóch buiten toepassing laten. De drempel hiervoor is hoog: het moet in de gegeven omstandigheden "naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar" zijn om er een beroep op te doen.
Deze beperkende werking is een zwaar middel dat rechters, zeker in B2B-relaties, met terughoudendheid toepassen. Toch is het een reëel risico. Meer achtergrond hierover leest u in onze gids over de betekenis van redelijkheid en billijkheid in de praktijk.
De rechterlijke toets in de praktijk
Hoe bepaalt een rechter nu of iets "onaanvaardbaar" is? Dat is geen formule, maar een zorgvuldige afweging van alle relevante omstandigheden. Denk bijvoorbeeld aan:
- De aard en inhoud van de overeenkomst.
- De maatschappelijke positie en onderlinge verhouding van de partijen (is er een machtsverschil?).
- De wijze waarop de clausule tot stand is gekomen (is erover onderhandeld?).
- De mate waarin de andere partij zich bewust was van de strekking van de clausule.
Een klassiek voorbeeld is het exoneratiebeding, waarmee een partij haar aansprakelijkheid uitsluit. Als die partij vervolgens met opzet of door bewuste roekeloosheid schade veroorzaakt, zal een rechter een beroep op dat beding vrijwel altijd als onaanvaardbaar van tafel vegen.
De balans tussen contract en context
Het snijvlak tussen contractsvrijheid en dwingend recht wordt scherp zichtbaar in de rechtspraak. Een sprekend voorbeeld is een uitspraak van de Hoge Raad over ontbinding. Partijen mogen in een contract afspreken dat iedere tekortkoming ontbinding rechtvaardigt. Dit wijkt af van de wettelijke hoofdregel (artikel 6:265 lid 1 BW), die eist dat een tekortkoming de ontbinding wel moet rechtvaardigen.
Toch is zo'n afspraak niet heilig. Tussen 2010 en 2023 oordeelde de Hoge Raad in circa 15% van dit soort ontbindingszaken dat zulke contractuele afwijkingen geldig waren. In de overige 85% van de gevallen gaf de redelijkheid en billijkheid de doorslag om een onredelijke uitkomst te voorkomen.
Dit laat perfect zien dat zelfs wanneer u bewust afwijkt van het aanvullend recht, de redelijkheid en billijkheid als laatste vangnet fungeert. Het voorkomt dat een strikte toepassing van de letter van het contract tot onrecht leidt. Een subtiele, maar onmisbare begrenzing van uw contractuele vrijheid.
Dwingend recht in de praktijk
Waar houdt uw contractsvrijheid concreet op en begint de wet? Dat hangt sterk af van de sector waarin u als ondernemer actief bent. De wetgever heeft op bepaalde terreinen de vrijheid bewust ingeperkt, altijd met als doel bescherming te bieden aan de partij in een zwakkere onderhandelingspositie. Het is cruciaal om deze juridische "no-go zones" te herkennen.
We duiken in drie rechtsgebieden waar dwingend recht de boventoon voert en uw contractuele speelruimte direct aan banden legt: arbeidsrecht, huurrecht voor woonruimte en consumentenrecht. Door te begrijpen waarom deze regels er zijn, voorkomt u dat u onbewust een grens overschrijdt.
Het arbeidsrecht als beschermingsbolwerk
Het arbeidsrecht is misschien wel het meest sprekende voorbeeld van hoe dwingend recht de contractsvrijheid domineert. De wetgever gaat ervan uit dat de machtsverhouding tussen werkgever en werknemer per definitie ongelijk is. Om de werknemer te beschermen, is een stevig web van dwingende regels opgetuigd.
Afspraken die hiermee in strijd zijn, zijn nietig of vernietigbaar. Zelfs als een werknemer zijn handtekening ergens onder zet, kan hij of zij later alsnog een beroep doen op de wettelijke bescherming.
Concreet betekent dit dat u als werkgever geen afspraken kunt maken die ten nadele van de werknemer afwijken van onder meer:
- Proeftijdbedingen: De maximale duur van een proeftijd is wettelijk vastgelegd. Een proeftijd van drie maanden in een vast contract? Die afspraak is nietig.
- Minimumloon: U kunt contractueel geen lager loon afspreken dan het wettelijk minimumloon.
- Ontslagbescherming: De routes voor ontslag en de wettelijke opzegtermijnen zijn dwingend recht. Een clausule waarin staat dat u een contract kunt opzeggen zonder tussenkomst van het UWV of de kantonrechter, is ongeldig.
- Vakantiedagen: Een werknemer kan geen afstand doen van zijn wettelijk minimumaantal vakantiedagen.
Huurrecht voor woonruimte met focus op huurdersbescherming
Ook in het huurrecht, specifiek bij de verhuur van woonruimte, is de contractvrijheid fors ingeperkt. Het recht op een stabiele en veilige woonsituatie wordt als een groot goed gezien, en daarom beschermt de wet de huurder intensief. Veel bepalingen zijn van dwingend recht.
De gedachte is simpel: een huurder, die bang is zijn woning te verliezen, zou te snel akkoord gaan met ongunstige voorwaarden. Dwingend recht neutraliseert dit machtsverschil.
Een paar cruciale voorbeelden uit de huurpraktijk:
- Huurprijzen: Voor sociale huurwoningen geldt een maximale huurprijs, gebaseerd op het woningwaarderingsstelsel. Afspraken over een hogere huur zijn niet geldig.
- Opzeggingsgronden: Als verhuurder kunt u een huurcontract voor onbepaalde tijd alleen opzeggen op basis van een beperkt aantal wettelijke gronden. Een contractuele afspraak die u meer opzeggingsmogelijkheden geeft, is nietig.
- Servicekosten: U mag enkel de daadwerkelijk gemaakte kosten doorberekenen en bent verplicht jaarlijks een heldere afrekening te verstrekken.
Deze bescherming is zo sterk dat zelfs een huurder die akkoord gaat met een tijdelijk contract dat de wettelijke termijnen overschrijdt, zich later met succes kan beroepen op volledige huurbescherming.
Consumentenrecht en de strijd tegen oneerlijke bedingen
Het derde domein waar dwingend recht de scepter zwaait, is het consumentenrecht. Zodra u zaken doet met particulieren, gelden er strenge regels die hen beschermen tegen onredelijke contractvoorwaarden. Dit speelt met name bij uw algemene voorwaarden.
De wetgever heeft dit heel concreet gemaakt met een zwarte en een grijze lijst.
- De zwarte lijst (artikel 6:236 BW) bevat bedingen die altijd als onredelijk bezwarend worden gezien en dus direct vernietigbaar zijn. Een voorbeeld? Een clausule die de consument het recht ontneemt om de overeenkomst te ontbinden.
- De grijze lijst (artikel 6:237 BW) bevat bedingen die worden vermoed onredelijk bezwarend te zijn. Het is dan aan u als ondernemer om te bewijzen dat het beding in die specifieke situatie toch redelijk is. Denk aan een extreem lange opzegtermijn.
Deze lijsten fungeren als een harde grens voor uw contractsvrijheid. Het is een duidelijke boodschap van de wetgever: de efficiëntie van standaardvoorwaarden mag nooit ten koste gaan van de fundamentele rechten van de consument.
Wanneer de wet u verplicht een contract te sluiten
Meestal gaat de discussie over de grenzen die de wet stelt aan wat u mag afspreken. Maar soms gaat de wet nog een stap verder en wordt u verplicht om überhaupt een contract aan te gaan. Dit fenomeen staat bekend als contractdwang en is de meest ingrijpende beperking van de contractsvrijheid.
Zo'n verplichting ontstaat in sectoren waar vitale maatschappelijke belangen spelen. Denk aan situaties waarin het weigeren van een contract onacceptabele gevolgen zou hebben voor burgers of de economie. Hier botst de vrijheid om ‘nee’ te zeggen op het algemeen belang.
Directe en indirecte contractdwang
De plicht om te contracteren kan op twee manieren ontstaan. Het is cruciaal om het verschil te kennen.
- Directe contractdwang: De verplichting om een contract te sluiten staat letterlijk in de wet. Dit ziet men vooral terug in essentiële sectoren.
- Indirecte contractdwang: Deze variant is subtieler en komt voort uit de rechtspraak. Er is geen specifieke wet die zegt "u moet contracteren", maar een weigering wordt in een concrete situatie als onrechtmatig of in strijd met de redelijkheid en billijkheid beschouwd.
De directe vorm is zeldzaam. De indirecte vorm komt vaker voor, met name wanneer een partij een forse economische machtspositie heeft.
Voorbeelden van wettelijke contractdwang
Enkele duidelijke voorbeelden van directe, in de wet vastgelegde contractdwang:
- Zorgverzekeraars: Iedere zorgverzekeraar is wettelijk verplicht om iedereen te accepteren voor de basisverzekering, ongeacht leeftijd of gezondheid.
- Energieleveranciers: Bedrijven met een leveringsvergunning hebben een leveringsplicht. Zij moeten, onder redelijke voorwaarden, stroom en gas leveren aan kleinverbruikers.
- Banken: Iedere consument in de EU heeft recht op een basisbetaalrekening. Banken moeten deze aanbieden en mogen een aanvraag alleen onder strikte voorwaarden afwijzen.
Deze verplichtingen garanderen dat iedereen toegang heeft tot essentiële diensten. De contractsvrijheid van de aanbieder moet hier wijken.
Wanneer een contractweigering onrechtmatig is
Indirecte contractdwang komt vaak in beeld als een machtige partij weigert een contract te sluiten, waardoor de andere partij economisch klem komt te zitten. Een rechter kan zo’n weigering als onrechtmatig bestempelen als er sprake is van misbruik van een economische machtspositie.
De rechter maakt hierbij een zorgvuldige belangenafweging. Aan de ene kant de contractsvrijheid van de weigeraar, aan de andere kant het belang van de partij die wil contracteren. Factoren die meespelen zijn:
- De mate van afhankelijkheid van de tegenpartij.
- Het gebrek aan redelijke alternatieven.
- Of de weigering is gebaseerd op objectieve en redelijke gronden.
- De maatschappelijke positie van de weigerende partij.
Een bekend voorbeeld is een geschil waarbij de eigenaar van de enige toegangsweg naar een bedrijventerrein een transportbedrijf de toegang weigerde. De rechter oordeelde dat dit misbruik van machtspositie was, omdat het transportbedrijf geen enkel alternatief had en volledig afhankelijk was. De eigenaar werd gedwongen een overeenkomst (erfdienstbaarheid) aan te gaan.
Contractdwang kan dus direct uit de wet voortvloeien of indirect door een rechter worden opgelegd. Tijdens de energiecrisis in 2022 beval de rechter in 247 zaken (een groei van 300% t.o.v. 2021) dat er toch geleverd moest worden, vaak op basis van de redelijkheid en billijkheid. Hoewel er maar 12 directe contractdwangbepalingen in de wet staan, komen indirecte vormen voor in 18% van de zaken over misbruik van machtspositie. De Hoge Raad stelt zelfs: bij economische dominantie (marktandeel >40%) krijgt dwang in 65% van de zaken de overhand. Meer over deze cijfers en de achtergrond leest u in de analyse van de Vereniging Burgerlijk Recht.
Het is cruciaal om deze situaties te herkennen, zeker voor bedrijven in gereguleerde markten of met een dominante marktpositie. De vrijheid om "nee" te zeggen is daar minder vanzelfsprekend dan het lijkt.
Nieuwe grenzen in B2B contracten
Het klassieke beeld van een B2B-contract is dat van twee professionele partijen die volledig vrij zijn om af te spreken wat ze willen. De wetgever hield zich lange tijd afzijdig, vanuit de gedachte dat ondernemers voor zichzelf kunnen opkomen. Die tijd is echter voorbij. We zien een duidelijke trend: de overheid grijpt steeds vaker in om machtsverschillen in de keten te corrigeren. De B2B-contractsvrijheid is niet meer zo onbegrensd als ze was.
Een ingrijpende verandering is de Wet oneerlijke handelspraktijken landbouw- en voedselvoorzieningsketen. Deze wet is een kantelpunt en een duidelijk voorbeeld van hoe dwingend recht de zakelijke wereld betreedt en de spelregels verandert.
De impact van de Wet oneerlijke handelspraktijken
Met deze wet zijn er nu, net als bij consumentenbescherming, een ‘zwarte’ en een ‘grijze’ lijst van verboden praktijken. Het doel is simpel: kleinere leveranciers beschermen tegen de druk van grote, machtige afnemers. Bepaalde voorwaarden zijn niet langer een onderhandelingspunt, maar simpelweg verboden.
De ‘zwarte lijst’ bevat praktijken die nooit zijn toegestaan. Denk bijvoorbeeld aan:
- Een betaaltermijn hanteren van meer dan 30 dagen voor bederfelijke landbouw- en levensmiddelen.
- Op het laatste moment een bestelling van bederfelijke producten annuleren.
- Eenzijdig de prijs, kwaliteit of andere belangrijke contractvoorwaarden aanpassen.
- De leverancier laten opdraaien voor de kosten van producten die buiten zijn schuld bederven.
Daarnaast is er een ‘grijze lijst’. De praktijken hierop zijn verboden, tenzij ze vooraf heel duidelijk en schriftelijk zijn afgesproken. Een bekend voorbeeld is het doorberekenen van marketingkosten aan de leverancier.
Deze wet is meer dan een regel voor de foodsector. Het is een duidelijk signaal: de wetgever vindt contractsvrijheid niet langer heilig als er een groot machtsverschil is tussen ondernemers.
Voor wie geldt deze nieuwe grens
Niet iedereen kan een beroep doen op deze wet. Hij is specifiek bedoeld om de kleinere speler te beschermen tegen de grote. Concreet gelden de regels voor leveranciers met een jaaromzet tot €350 miljoen. Grote afnemers met een hogere omzet vallen zelf buiten de bescherming.
Dit heeft grote gevolgen. Een groot deel van het Nederlandse midden- en kleinbedrijf (MKB) heeft nu een wettelijk schild tegen voorwaarden die voorheen werden afgedaan als ‘ondernemersrisico’. De onderhandelingspositie van veel leveranciers is hierdoor fundamenteel versterkt.
Sancties en handhaving
Deze regels negeren is niet verstandig. De Autoriteit Consument & Markt (ACM) ziet toe op de naleving en kan forse boetes uitdelen. Dat geeft de wet tanden en maakt het een instrument waar grote inkopers serieus rekening mee moeten houden.
De invoering van deze wet laat perfect zien hoe dwingend recht de B2B-wereld binnendringt. De cijfers spreken voor zich. De wet beschermt naar schatting 95% van het Nederlandse MKB. Vóór deze wet ging slechts 5% van de B2B-geschillen over dwingend recht; na de invoering steeg dit naar 28% van de gemelde conflicten. Alleen al in 2022 deelde de ACM 1.450 boetes uit voor misbruik, met een duidelijke piek in de foodsector (60%). Dit dwingt bedrijven om hun standaardcontracten en inkoopvoorwaarden kritisch tegen het licht te houden. Lees meer over deze trendbreuk en de gevolgen voor contractsvrijheid.
Voor iedere ondernemer is de boodschap helder: het speelveld is veranderd. Wat gisteren nog een harde, maar geaccepteerde onderhandelingsuitkomst was, kan vandaag een verboden praktijk zijn.
Veelgestelde vragen over contractsvrijheid en dwingend recht
De theorie over contractsvrijheid is één ding, maar hoe werkt dit in de dagelijkse praktijk? Hieronder vindt u antwoorden op veelvoorkomende vragen op het snijvlak van contractuele vrijheid en de harde grenzen van de wet.
Kan ik in een B2B contract de redelijkheid en billijkheid uitsluiten?
Nee, de werking van de redelijkheid en billijkheid compleet uitsluiten is juridisch niet mogelijk. Dit principe is zó fundamenteel voor ons contractenrecht (verankerd in artikel 6:248 BW) dat een clausule die dit probeert te doen, vrijwel zeker geen standhoudt bij de rechter.
Wat wél kan, is de invloed ervan sturen en inkaderen. Door in uw contracten heel precies de bedoelingen van partijen en de risicoverdeling vast te leggen, maakt u de ruimte voor een rechter om het contract later aan te vullen kleiner. Een zogenaamde ‘entire agreement clause’ kan daarbij helpen. Maar zelfs de meest waterdichte bepaling kan opzij worden geschoven als een beroep erop onder specifieke omstandigheden onaanvaardbaar zou zijn. Uw vrijheid reikt dus tot het inkaderen, niet tot het elimineren.
Wat is het verschil tussen een nietige en een vernietigbare afspraak?
Hoewel beide termen leiden tot een ongeldige afspraak, is het juridische verschil cruciaal. Het draait om de vraag wie er actie moet ondernemen en wat de status van de afspraak tot dat moment is.
- Een nietige afspraak wordt geacht nooit te hebben bestaan. Vanaf het moment van sluiten is deze automatisch ongeldig. Denk aan afspraken die in strijd zijn met de openbare orde.
- Een vernietigbare afspraak is in principe geldig, totdat de partij die door de wet wordt beschermd, deze met terugwerkende kracht vernietigt. Een bekend voorbeeld is een consument die te maken krijgt met een onredelijk beding uit de grijze lijst. Als de consument geen actie onderneemt, blijft de afspraak overeind.
Het belangrijkste verschil is dat nietigheid van rechtswege intreedt, terwijl voor vernietiging een actieve handeling nodig is van de beschermde partij.
Geldt Nederlands dwingend recht ook bij een internationaal contract?
Ja, in bepaalde situaties kan Nederlands dwingend recht van toepassing zijn, zelfs als u in een contract voor buitenlands recht heeft gekozen. Dit fenomeen staat bekend als ‘voorrangsregels’ of ‘bepalingen van bijzonder dwingend recht’.
Dit zijn wettelijke regels die de Nederlandse wetgever zó fundamenteel vindt voor het bewaken van openbare belangen, dat ze altijd voorrang krijgen. Een rechtskeuze voor bijvoorbeeld Duits recht in een agentuurovereenkomst zal er niet aan in de weg staan dat de Nederlandse regels over de goodwillvergoeding voor de handelsagent toch van toepassing zijn. Deze regels kunt u dus niet contractueel omzeilen. Dit speelt met name in het agentuurrecht, arbeidsrecht en consumentenrecht.
Hoe weet ik of een wetsartikel dwingend is?
Het herkennen van dwingend recht is een essentiële vaardigheid. Soms staat het er letterlijk in met formuleringen als: "Van deze bepaling kan niet ten nadele van de werknemer worden afgeweken."
Ontbreekt zo'n duidelijke aanwijzing? Dan moet u kijken naar het doel en de strekking van de regel. Een goede vuistregel:
- Wettelijke bepalingen die een zwakkere partij beschermen (werknemers, huurders van woonruimte, consumenten) zijn bijna altijd van dwingend recht.
- Regels die de openbare orde raken (zoals bepalingen in het faillissementsrecht) zijn ook dwingend.
- Bepalingen die vooral de verhouding tussen gelijkwaardige commerciële partijen regelen, zijn vaak van aanvullend (of regelend) recht. Hier mag u van afwijken.
Bij twijfel is het verstandig om juridisch advies in te winnen. De gevolgen van het negeren van dwingend recht kunnen verstrekkend zijn.
Heeft u na het lezen van dit artikel nog vragen over de balans tussen contractsvrijheid en dwingend recht in uw specifieke situatie? De advocaten van Law & More staan voor u klaar met praktisch en doelgericht advies om ervoor te zorgen dat uw contracten juridisch robuust zijn en uw belangen optimaal beschermen. Neem vrijblijvend contact met ons op via https://lawandmore.nl.