Artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht bevat de delictsomschrijving van oplichting.
Wettelijke basis
Strafbaar is hij die, met het oogmerk zichzelf of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid, door listige kunstgrepen of door een samenweefsel van verdichtsels, iemand beweegt tot de afgifte van een goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld of het tenietdoen van een inschuld.
Waarom dit telt
De vier bedrieglijke middelen zijn limitatief: niet elke misleiding levert oplichting op. Zie fraude en witwassen.