Bureau met stapels financiele stukken en een gesloten laptop

Advocaat fraude en witwassen

Bureau met stapels financiele stukken en een gesloten laptop

Een advocaat die optreedt bij een verdenking van fraude of witwassen beoordeelt de tenlastelegging en de bewijsconstructie van het Openbaar Ministerie, adviseert over het verhoor en het zwijgrecht, en bewaakt dat opsporingsbevoegdheden zoals doorzoeking, vordering van gegevens en beslag op de juiste grondslag zijn toegepast. Inschakelen is verstandig zodra er een uitnodiging voor verhoor bij de FIOD of de politie komt, een doorzoeking plaatsvindt of beslag wordt gelegd, en bij voorkeur al voordat het eerste verhoor begint.

Wat valt onder fraude

Fraude is geen zelfstandig wetsartikel, maar een verzamelbegrip voor uiteenlopende vermogensdelicten. In de praktijk komen bij een verdenking van fraude met name de volgende delicten uit het Wetboek van Strafrecht terug.

  • Oplichting (art. 326 Sr): iemand door een valse naam, een valse hoedanigheid, listige kunstgrepen of een samenweefsel van verdichtsels bewegen tot afgifte van een goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld of het tenietdoen van een inschuld, met het oogmerk zichzelf of een ander wederrechtelijk te bevoordelen.
  • Valsheid in geschrifte (art. 225 Sr): het vals opmaken of vervalsen van een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, met het oogmerk dit als echt en onvervalst te gebruiken, en ook het opzettelijk gebruikmaken van zo’n vals of vervalst geschrift.
  • Verduistering (art. 321 en 322 Sr): het zich wederrechtelijk toe-eigenen van een goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort en dat de verdachte anders dan door misdrijf onder zich heeft. Artikel 322 Sr verzwaart dit wanneer het goed uit hoofde van een persoonlijke dienstbetrekking, een beroep of tegen geldelijke vergoeding onder de verdachte berust.
  • Faillissementsfraude (art. 341-344 Sr): onder meer het onttrekken van goederen aan de boedel of het wederrechtelijk bevoordelen van een schuldeiser, voorafgaand aan of tijdens een faillissement, terwijl de betrokkene weet dat schuldeisers daardoor in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld. Artikel 341 Sr richt zich tot de gefailleerde natuurlijke persoon, de artikelen 342 en 343 Sr tot de bestuurder of commissaris van een rechtspersoon, en artikel 344 Sr tot de derde die van dergelijke handelingen profiteert.

Witwassen en de bewijsconstructie

Witwassen is geregeld in de artikelen 420bis tot en met 420quater.1 Sr. Artikel 420bis Sr stelt strafbaar het verbergen of verhullen van de werkelijke aard, herkomst, vindplaats, vervreemding of verplaatsing van een voorwerp, of het verbergen of verhullen wie de rechthebbende op dat voorwerp is of wie het voorhanden heeft, terwijl de betrokkene weet dat het voorwerp, onmiddellijk of middellijk, afkomstig is uit enig misdrijf. Ook het verwerven, voorhanden hebben, overdragen, omzetten of gebruikmaken van zo’n voorwerp valt hieronder. Artikel 420bis.1 Sr kent een lichtere variant, eenvoudig witwassen, voor wie een voorwerp dat rechtstreeks uit een eigen misdrijf afkomstig is enkel verwerft of voorhanden heeft. Artikel 420ter Sr ziet op gewoontewitwassen. De artikelen 420quater en 420quater.1 Sr bevatten vrijwel dezelfde delictsomschrijvingen, maar dan voor de situatie waarin de betrokkene redelijkerwijs moet vermoeden dat het voorwerp uit misdrijf afkomstig is, in plaats van dat hij dit weet: schuldwitwassen en eenvoudig schuldwitwassen.

De bewijsconstructie bij witwassen draait doorgaans niet om het bewijzen van het precieze gronddelict, maar om de vraag of voor de herkomst van vermogen of voorwerpen een aannemelijke legale verklaring bestaat. Een advocaat beoordeelt op welke feiten en omstandigheden het Openbaar Ministerie deze redenering baseert, welk kennisniveau, weten, redelijkerwijs moeten vermoeden, of gewoonte, aan de verdachte wordt verweten, en of het onderscheid tussen de verschillende witwasvarianten in de tenlastelegging juist is gemaakt.

Het onderzoek door de FIOD of de politie

Verdenkingen van fraude en witwassen worden vaak onderzocht door de FIOD, de opsporingsdienst die onder het gezag van het Openbaar Ministerie optreedt bij fiscale, financiele en economische delicten, of door de politie. Bij dit onderzoek kunnen bijzondere opsporingsbevoegdheden uit titel IVA van het Wetboek van Strafvordering worden ingezet, waaronder het vorderen van gegevens bij derden. Artikel 126nd Sv geeft de officier van justitie de bevoegdheid om van degene van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij toegang heeft tot bepaalde opgeslagen of vastgelegde gegevens, bijvoorbeeld een bank of een andere financiele instelling, te vorderen die gegevens te verstrekken. Zo’n vordering kan niet worden gericht tot de verdachte zelf. Een advocaat beoordeelt of dergelijke vorderingen en andere opsporingshandelingen op de juiste grondslag en binnen de daarvoor geldende voorwaarden zijn uitgevoerd.

Inbeslagname en beslag ter ontneming

Tijdens het onderzoek kunnen voorwerpen, bankrekeningen of onroerend goed in beslag worden genomen. Artikel 94a Sv maakt conservatoir beslag al mogelijk bij verdenking van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, ter bewaring van het recht van verhaal voor een op te leggen geldboete of voor een ontnemingsmaatregel. Die ontnemingsmaatregel is geregeld in artikel 36e Sr: op vordering van het Openbaar Ministerie kan de rechter, bij een afzonderlijke beslissing, aan een veroordeelde de verplichting opleggen een geldbedrag aan de staat te betalen ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Een advocaat toetst de onderbouwing van het beslag en van een eventuele ontnemingsvordering, en kan namens de verdachte verzoeken indienen over de omvang en de instandhouding van het beslag.

Het verhoor en het zwijgrecht

Artikel 29 Sv bepaalt dat een verdachte niet verplicht is te antwoorden en dat hem dit voorafgaand aan het verhoor wordt medegedeeld. Een advocaat bereidt de verdachte voor op het verhoor, is daarbij aanwezig en adviseert per vraag of het verstandig is een antwoord te geven, te zwijgen of een verklaring pas in een later stadium af te leggen. In fraude- en witwaszaken, waarin de bewijsconstructie vaak leunt op de vraag of de verdachte iets wist of redelijkerwijs moest vermoeden, is wat er tijdens een verhoor wordt verklaard doorgaans van directe invloed op het verdere verloop van het onderzoek.

Samenloop met een fiscaal of bestuursrechtelijk traject

Een strafrechtelijke verdenking van fraude of witwassen loopt regelmatig samen met een fiscaal of bestuursrechtelijk traject, bijvoorbeeld een boekenonderzoek of een naheffing van de Belastingdienst, of toezicht door een andere toezichthouder. Zulke trajecten kennen eigen procedures, termijnen en bevoegdheden, die naast het strafrechtelijk onderzoek kunnen lopen. Een advocaat brengt in kaart welke trajecten spelen, hoe informatie die in het ene traject wordt verstrekt kan doorwerken in het andere, en stemt de aanpak in het strafrechtelijk traject af op wat er in het fiscale of bestuursrechtelijke spoor gebeurt.

Wat een advocaat per fase doet

In de fase van het opsporingsonderzoek beoordeelt de advocaat de grondslag van de verdenking, de gehanteerde opsporingsbevoegdheden en het beslag, en begeleidt hij bij het verhoor. Wanneer de zaak bij het Openbaar Ministerie ligt, kan de advocaat inzage in het dossier opvragen, verzoeken doen tot aanvullend onderzoek en overleggen over het verdere verloop van de zaak. Zodra een zaak op zitting komt, bereidt de advocaat de verdediging voor, toetst hij de tenlastelegging en de bewijsmiddelen, en voert hij het woord namens de verdachte. Ook na een uitspraak kan de advocaat, indien van toepassing, adviseren over een rechtsmiddel of over een ontnemingsprocedure die volgt op de hoofdzaak.

Law & More is gevestigd in Eindhoven en heeft een bezoeklocatie in Amsterdam. Voor vragen over een verdenking van fraude of witwassen is het kantoor bereikbaar via 040 – 369 06 80 of info@lawandmore.nl.