In civiele procedures draait alles om bewijs. Partijen moeten feiten aantonen die hun vordering of verweer ondersteunen.
Het soort bewijs en de manier waarop het wordt gepresenteerd bepaalt vaak de uitkomst van een juridische procedure.
Sommige bewijsstukken hebben meer waarde dan andere. Een schriftelijke overeenkomst weegt bijvoorbeeld zwaarder dan een mondelinge verklaring.
De rechter kijkt naar de betrouwbaarheid en relevantie van elk stuk bewijs. Dit artikel legt uit welke bewijsmiddelen het meeste gewicht hebben en hoe de nieuwe wetgeving het verzamelen van bewijs heeft veranderd.
De modernisering van het bewijsrecht brengt belangrijke veranderingen met zich mee. Het wordt eenvoudiger om vooraf informatie te verzamelen en de rechter krijgt een actievere rol in de procedure.
Voor partijen in een civiele procedure is het belangrijk om te weten hoe ze sterk bewijs kunnen verzamelen en presenteren.
Kern van het civiele bewijsrecht
Het civiele bewijsrecht vormt de basis voor hoe partijen in rechtszaken hun stellingen moeten onderbouwen. Ook bepaalt het hoe rechters deze bewijzen beoordelen.
De regels bepalen wie wat moet bewijzen, welke middelen gebruikt mogen worden, en hoe zwaar verschillende bewijzen wegen.
Wat is bewijsrecht in civiele procedures?
Het bewijsrecht bestaat uit wettelijke regels die bepalen hoe bewijs wordt geleverd in civiele procedures tussen burgers of bedrijven. Deze regels zijn vastgelegd in het procesrecht en geven aan wanneer en op welke manier partijen feiten moeten onderbouwen.
In een civiele procedure moet elke partij de feiten bewijzen die nodig zijn voor zijn claim of verweer. De rechter gebruikt deze regels om te beslissen welke feiten bewezen zijn.
Het bewijsrecht regelt ook welke procedures partijen moeten volgen om bewijs te verzamelen, zowel voor als tijdens een rechtszaak. Het civiele bewijsrecht geldt voor alle geschillen over rechtsbetrekkingen tussen partijen.
Dit kunnen contracten zijn, aansprakelijkheidskwesties, of andere juridische verhoudingen.
Essentiële begrippen: bewijslast en bewijskracht
Bewijslast bepaalt welke partij een feit moet bewijzen. Wie iets beweert, moet dat meestal ook bewijzen.
Als een partij claimt dat er een contract bestaat, moet die partij het bestaan van dat contract aantonen. De hoofdregel luidt dat wie zich beroept op rechtsgevolgen van door hem gestelde feiten, die feiten moet bewijzen.
Als bewijs niet geleverd wordt, gaat de rechter ervan uit dat het feit niet is bewezen. Bewijskracht geeft aan hoeveel waarde een bewijs heeft.
Sommige bewijsmiddelen leveren dwingend bewijs op, wat betekent dat de rechter ervan uit moet gaan dat het bewezen feit klopt. Andere bewijsmiddelen zijn vrijer in waardering.
De rechter bepaalt dan zelf hoe zwaar het bewijs weegt.
Vormen en middelen van bewijs
Het civiele bewijsrecht kent verschillende bewijsmiddelen die partijen kunnen inzetten:
- Schriftelijke stukken zoals contracten, brieven, e-mails en andere documenten
- Getuigenverklaringen van personen die relevante feiten hebben waargenomen
- Deskundigenberichten waarbij een expert onderzoek doet en een oordeel geeft
- Vermoedens die de rechter kan afleiden uit bekende feiten
- Bekentenis wanneer een partij een feit erkent
- Eigen waarneming door de rechter zelf
Elk bewijsmiddel heeft zijn eigen regels en beperkingen. Schriftelijke bewijsstukken worden vaak als sterk bewijs gezien, vooral bij ondertekende documenten.
Getuigenverklaringen kunnen nuttig zijn maar zijn ook afhankelijk van het geheugen en de eerlijkheid van de getuige. Moderne vormen van bewijs zoals computerbestanden en digitale communicatie vallen onder dezelfde regels als traditionele schriftelijke stukken.
Recente wijzigingen
Op 1 januari 2025 is de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht in werking getreden. Deze wet brengt belangrijke veranderingen voor civiele procedures.
Vooral de informatievergaring vooraf en tijdens procedures wordt verbeterd.
Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht
De nieuwe wet voegt meerdere bestaande regelingen samen tot één systeem. Waar eerst aparte regels golden voor het voorlopig getuigenverhoor, voorlopig deskundigenbericht, voorlopige plaatsopneming en inzagerecht, bestaat nu één gestroomlijnde regeling voor voorlopige bewijsverrichtingen.
Het inzagerecht is versoepeld. De eis dat een partij eerst aannemelijk moet maken dat zij een vorderingsrecht heeft, vervalt.
Een partij bij een rechtsbetrekking met voldoende belang kan nu inzage krijgen in bepaalde gegevens. De terminologie verschuift van ‘rechtmatig belang’ naar ‘voldoende belang’, wat duidt op een lichtere toets.
Belangrijke aanpassingen:
- Partijgetuigenverklaringen kunnen nu wel bewijs in het eigen voordeel opleveren
- De rechter bepaalt zelf de waarde van verklaringen, ook als een partij afwezig was
- Het verschoningsrecht geldt niet alleen voor echtgenoten, maar ook voor (ex-)levenspartners
- De rechter krijgt een actievere rol en mag vragen stellen en suggesties doen
Toepassing: vanaf wanneer geldt het nieuwe bewijsrecht?
Het nieuwe bewijsrecht geldt uitsluitend voor procedures die vanaf 1 januari 2025 aanhangig worden gemaakt. De datum waarop de procedure start bij de rechter bepaalt welke regels van toepassing zijn.
Dit betekent dat een zaak die op 31 december 2024 wordt ingediend nog onder het oude bewijsrecht valt. Een zaak die op 2 januari 2025 wordt gestart, valt onder de nieuwe regels.
Voor voorlopige bewijsverrichtingen die voorafgaand aan een procedure worden aangevraagd, geldt hetzelfde principe. Tijdens een lopende procedure kunnen geen aparte verzoeken om voorlopige bewijsverrichtingen meer worden ingediend.
Deze verzoeken moeten rechtstreeks aan de behandelend rechter in de lopende zaak worden voorgelegd.
Overgang en gevolgen voor lopende en nieuwe zaken
Bij lopende procedures blijven de oude regels volledig van kracht totdat de procedure bij die instantie is geëindigd. Dit geldt voor alle instanties afzonderlijk.
Een zaak die in eerste aanleg loopt onder het oude recht, blijft dat ook in hoger beroep onder de oude regels.
Welke stukken wegen het zwaarst als bewijs?
In civiele procedures hebben verschillende soorten bewijs niet allemaal dezelfde waarde. Sommige bewijsmiddelen krijgen automatisch meer gewicht.
De rechter mag andere bewijs vrij waarderen op basis van betrouwbaarheid en relevantie.
Proces-verbaal van constatering en dwingend bewijs
Een proces-verbaal van constatering door een gerechtsdeurwaarder heeft een bijzondere positie in het bewijsrecht. Dit document geldt als dwingend bewijs voor wat de gerechtsdeurwaarder zelf heeft waargenomen.
De rechter moet de vaststellingen in het proces-verbaal als waar aannemen, tenzij het tegendeel wordt bewezen. Dit maakt het een krachtig bewijsmiddel.
Een gerechtsdeurwaarder mag alleen opnemen wat hij daadwerkelijk ziet, hoort of meemaakt tijdens de constatering. De bewijskracht strekt zich niet uit tot conclusies of interpretaties.
Een proces-verbaal kan bijvoorbeeld vaststellen dat een machine op een bepaald moment stilstond, maar niet waarom dat gebeurde. Het tegenbewijs leveren tegen een proces-verbaal is mogelijk maar lastig, omdat het een officieel document van een onafhankelijke ambtenaar betreft.
Getuigenverklaringen en partijgetuigen
Getuigenverklaringen vormen een veelgebruikt bewijsmiddel, maar de rechter beoordeelt deze vrij. De betrouwbaarheid hangt af van factoren zoals de betrokkenheid van de getuige en de consistentie van het verhaal.
Partijgetuigen zijn mensen die een band hebben met een van de partijen in de procedure, zoals familieleden of werknemers. Sinds 1 januari 2025 mag de rechter partijgetuigenverklaringen volledig vrij waarderen.
De oude regel dat partijgetuigenverklaringen geen bewijs in het voordeel van de partij konden opleveren, is vervallen. De rechter houdt bij partijgetuigenverklaringen wel rekening met de relatie tot de partij.
Een onafhankelijke getuige weegt daarom vaak zwaarder. De rechter beoordeelt ook of verklaringen elkaar tegenspreken en of ze logisch aansluiten bij ander bewijs in de zaak.
Deskundigenbericht en deskundigenonderzoek
Een deskundigenbericht heeft doorgaans veel gewicht in procedures met technische of specialistische vragen. De rechter is niet verplicht om het oordeel van de deskundige te volgen, maar wijkt daar zelden zonder goede reden van af.
De waarde van een deskundigenbericht hangt samen met de expertise van de deskundige en de zorgvuldigheid van het onderzoek. Een deskundige moet onafhankelijk en onpartijdig zijn.
Het deskundigenbericht moet duidelijk aangeven welke methoden gebruikt zijn en waarop de conclusies zijn gebaseerd. Partijen kunnen een eigen deskundigenonderzoek laten uitvoeren en dit inbrengen.
De rechter weegt dan beide rapporten tegen elkaar af. Bij tegenstrijdige deskundigenberichten kan de rechter een nieuwe deskundige benoemen of aanvullende vragen stellen aan de deskundigen.
Schriftelijke en digitale stukken
Schriftelijke stukken zoals contracten, facturen en e-mails vormen vaak de basis van het bewijs. De rechter waardeert deze stukken vrij en kijkt naar de authenticiteit en volledigheid.
Digitale gegevens en computerbestanden hebben dezelfde bewijskracht als papieren documenten. De wet erkent sinds 2025 expliciet dat moderne informatie zoals digitale bestanden volledig meetellen als bewijs.
Screenshots, chat-berichten en digitale administratie kunnen allemaal dienen als bewijsmateriaal. De betrouwbaarheid van digitale bestanden hangt af van hoe goed aangetoond kan worden dat ze niet zijn aangepast.
Metadata en digitale handtekeningen kunnen helpen om de echtheid te bewijzen. De rechter beoordeelt per geval of digitale gegevens voldoende betrouwbaar zijn om als bewijs te dienen.
Verzamelen en veiligstellen van bewijs
Partijen kunnen bewijs op verschillende manieren verzamelen en veiligstellen, zowel voor als tijdens een civiele procedure. Nieuwe regelgeving vanaf 2025 maakt het eenvoudiger om meerdere bewijsverrichtingen te combineren en om cruciale informatie tijdig vast te leggen.
Voorlopige bewijsverrichtingen combineren
De nieuwe wet bundelt verschillende voorlopige bewijsverrichtingen in één uniforme regeling. Voorheen moest een partij aparte verzoeken indienen voor een getuigenverhoor, een deskundigenbericht of inzage in documenten.
Nu kan iemand in één verzoekschrift meerdere vormen van bewijsvergaring aanvragen. Dit bespaart tijd en kosten.
Een partij kan bijvoorbeeld tegelijk vragen om inzage in e-mails en om een voorlopig getuigenverhoor. Zodra een bodemprocedure loopt, moeten nieuwe verzoeken bij de behandelende rechter worden ingediend.
Dit zorgt voor een efficiëntere aanpak. De rechter die de zaak behandelt heeft dan volledig zicht op alle bewijsverrichtingen.
Bewijsbeslag en conservatoir bewijsbeslag
Conservatoir bewijsbeslag biedt bescherming tegen het verdwijnen van bewijsmateriaal. Deze maatregel wordt nu wettelijk erkend na jaren van toepassing in de rechtspraak.
Een partij kan voorafgaand aan een procedure bewijs veiligstellen door beslag te leggen op documenten of digitale gegevens. Dit voorkomt dat cruciale informatie wordt gewist of vernietigd.
Na het beslag kan de partij een inzageverzoek indienen om de informatie daadwerkelijk in te zien. Het verzoek moet worden ingediend bij de voorzieningenrechter.
De rechter beoordeelt of er voldoende belang bestaat en of het gevaar dreigt dat bewijs verloren gaat. Dit instrument is vooral waardevol bij digitale gegevens die gemakkelijk te verwijderen zijn.
Bewijsvergaring voorafgaand aan de procedure
Partijen worden gestimuleerd om al vóór de start van een procedure bewijsmateriaal te verzamelen. De waarheidsplicht verplicht hen nu gegevens te verzamelen en over te leggen waarover zij redelijkerwijs kunnen beschikken.
Het inzagerecht is ruimer geworden. Een partij hoeft niet meer aannemelijk te maken dat zij een vorderingsrecht heeft.
Een voldoende belang bij de rechtsbetrekking volstaat. Het begrip “bescheiden” is vervangen door “bepaalde gegevens”.
Dit betekent dat digitale informatie zoals e-mails en computerbestanden expliciet onder het inzagerecht vallen. Ook derden die niet direct partij zijn kunnen worden verplicht relevante gegevens te verstrekken.
Een deurwaarder kan met toestemming van de rechter een proces-verbaal van constateringen opstellen. Dit document legt een feitelijke situatie objectief vast.
De rechter kan niet om deze vastgestelde feiten heen.
Het vernieuwde inzagerecht en exhibitievordering
Vanaf 1 januari 2025 gelden nieuwe regels voor het verkrijgen van informatie in civiele procedures. Partijen kunnen nu makkelijker toegang krijgen tot stukken en digitale gegevens, zowel bij hun wederpartij als bij derden.
Uitbreiding van inzage in stukken en digitale gegevens
Het inzagerecht is uitgebreid naar moderne vormen van informatie. Waar voorheen alleen sprake was van “bepaalde bescheiden”, kunnen partijen nu ook computerbestanden en andere digitale gegevens opvragen.
Dit betekent dat e-mails, databases, digitale administraties en elektronische bestanden onder het inzagerecht vallen. Een partij bij een rechtsbetrekking heeft recht op inzage, afschrift of uittreksel van relevante gegevens wanneer zij daar voldoende belang bij heeft.
De term “voldoende belang” vervangt het oude “rechtmatig belang” uit artikel 843a Rv. De voorwaarden blijven gericht op het voorkomen van fishing expeditions, waarbij partijen op zoek gaan naar informatie zonder duidelijk doel.
Het nieuwe systeem werkt volgens een “ja, tenzij”-principe in plaats van “ja, mits”. De rechter wijst een inzageverzoek toe, tenzij de informatie onvoldoende bepaald is, de verzoeker onvoldoende belang heeft, of er sprake is van misbruik van bevoegdheid.
Deze omdraaing van de bewijslast maakt het verkrijgen van inzage in stukken laagdrempeliger.
Inzagerecht tegenover derden
Het inzagerecht geldt niet alleen tussen partijen onderling. Ook derden die beschikken over relevante informatie kunnen verplicht worden tot het verstrekken van inzage.
Dit hoeft dus niet de wederpartij te zijn. Wel bestaan er verschoningsrechten die de informatieverstrekking beperken.
Het professionele verschoningsrecht blijft bestaan voor advocaten en andere beroepsgroepen. Nieuw is het familiaal verschoningsrecht.
Echtgenoten, geregistreerde partners en levensgezellen zijn niet verplicht inzage te geven. Ook bloed- of aanverwanten tot de tweede graad kunnen zich beroepen op dit verschoningsrecht.
Het begrip “levensgezel” is toegevoegd om beter aan te sluiten bij de huidige samenleving. Dit creëert wel onduidelijkheid, omdat dit geen zwart-wit juridische status is zoals een huwelijk of geregistreerd partnerschap.
Exhibitievordering: procedure en praktijk
Een exhibitievordering kan worden ingediend wanneer een partij weigert vrijwillig inzage te geven. De verzoekende partij wendt zich dan tot de rechter met een verzoek tot voorlopige bewijsverrichting.
Dit verzoek kan vanaf 2025 worden gecombineerd met andere verzoeken zoals een getuigenverhoor of deskundigenbericht. De rechter beoordeelt of aan de volgende voorwaarden is voldaan:
- De verlangde informatie is voldoende bepaald
- De verzoeker heeft voldoende belang bij de verrichting
- Het verzoek is niet in strijd met de goede procesorde
- Er is geen sprake van misbruik van bevoegdheid
- Er zijn geen andere gewichtige redenen die zich tegen de verrichting verzetten
De kosten van het inzageverzoek komen voor rekening van de verzoekende partij. Inzage geldt als een relatief eenvoudige en snelle bewijsverrichting vergeleken met een getuigenverhoor of deskundigenbericht.
Rechters kunnen daarom eerder geneigd zijn een exhibitievordering toe te wijzen wanneer deze samen met andere verzoeken wordt ingediend.
Rol van de rechter: van passief naar actiever
Sinds 1 januari 2025 heeft de rechter in civiele procedures meer mogelijkheden om actief bij te dragen aan het vinden van de waarheid. De rechter krijgt meer ruimte om zelf vragen te stellen en partijen te vragen hun standpunten te verduidelijken, terwijl hij ook vrijer wordt in het waarderen van bewijs.
Actieve rechter en materiële waarheidsvinding
De rechter blijft gebonden aan de grenzen van de rechtsstrijd en beslist alleen over wat partijen aandragen. Toch krijgt hij nu wettelijk de ruimte om meer te doen dan alleen afwachten.
Hij mag zelf vragen stellen, inlichtingen inwinnen en suggesties doen aan partijen. Dit helpt bij de materiële waarheidsvinding.
De rechter kan aangeven wanneer een partij haar vordering of verweer moet verduidelijken. Hij mag ook wijzen op onduidelijkheden in de zaak.
In de praktijk werkten rechters vaak al op deze manier. De nieuwe wet maakt deze werkwijze nu officieel.
De actievere rol betekent niet dat de rechter partij kiest, maar dat hij beter kan zorgen voor een eerlijk proces met alle relevante informatie op tafel.
Vrije bewijswaardering
De rechter heeft vanaf 2025 volledige vrijheid in het waarderen van alle bewijsmiddelen. Een belangrijke verandering is dat verklaringen van partijgetuigen nu op dezelfde manier gewogen kunnen worden als andere bewijsmiddelen.
Voorheen gold dat een verklaring van een partijgetuige niet zelfstandig kon dienen als bewijs in haar eigen voordeel. Deze beperking is afgeschaft.
De rechter kan nu zelf bepalen hoeveel waarde hij aan een partijverklaring toekent. Hij weegt dit af tegen ander bewijs in de zaak.
Vrije bewijswaardering geldt voor alle soorten bewijs: documenten, getuigenverklaringen, deskundigenrapporten en verklaringen van partijen zelf. De rechter bepaalt welk bewijs hij het meest overtuigend vindt.
Weigering tot verstrekken van stukken en verschoningsrecht
Niet iedereen hoeft altijd informatie te verstrekken of te getuigen. Het verschoningsrecht beschermt bepaalde personen en relaties.
Advocaten mogen bijvoorbeeld niet vertellen wat hun cliënt hen in vertrouwen heeft verteld. Artsen hebben beroepsgeheim over hun patiënten.
Sinds 2025 is het verschoningsrecht uitgebreid. Niet alleen echtgenoten en geregistreerde partners, maar ook levensgezellen en ex-levensgezellen kunnen zich verschonen van de verplichting om te getuigen.
Dit sluit beter aan bij moderne samenlevingsvormen. Partijen kunnen ook weigeren stukken te overleggen als deze onder een wettelijke geheimhoudingsplicht vallen.
De rechter beoordeelt of een beroep op verschoningsrecht terecht is. Wie onterecht weigert bewijs te leveren, kan nadelige gevolgen ondervinden in de bewijswaardering.
Veelgestelde vragen
De bewijslast en het gewicht van bewijsstukken worden bepaald door vaste juridische regels en criteria. Het nieuwe bewijsrecht dat per 1 januari 2025 is ingevoerd maakt het verzamelen en presenteren van bewijs eenvoudiger, maar verandert niet wie welk bewijs moet leveren.
Hoe wordt de bewijslast in civiele zaken verdeeld?
De partij die zich beroept op een rechtsgevolg moet de feiten bewijzen die tot dat rechtsgevolg leiden. Dit betekent dat degene die iets vordert of beweert moet aantonen dat zijn stelling klopt.
De bewijslastverdeling blijft ook onder het nieuwe bewijsrecht dat sinds 1 januari 2025 geldt ongewijzigd. De wet heeft alleen de manier waarop partijen bewijs kunnen verzamelen aangepast.
In sommige gevallen kan de bewijslast verschuiven naar de andere partij. Dit gebeurt bijvoorbeeld wanneer een partij voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zijn stelling juist is.
Welke criteria worden gebruikt om de relevantie en het gewicht van bewijsstukken te bepalen?
De rechter beoordeelt of een bewijsstuk relevant is voor het geschil. Een bewijsstuk moet direct of indirect betrekking hebben op de feiten die moeten worden bewezen.
Het gewicht van een bewijsstuk hangt af van verschillende factoren. De betrouwbaarheid van de bron, de manier waarop het bewijs is verkregen en of het bewijs consistent is met andere informatie spelen allemaal een rol.
Schriftelijk bewijs weegt over het algemeen zwaarder dan mondelinge verklaringen. Dit komt doordat geschreven documenten minder vatbaar zijn voor geheugenfouten of interpretaties.
Op welke manier kan een partij zijn bewijspositie in civiele procedures versterken?
Een partij kan via de rechter met één verzoek vragen om verschillende bewijsverrichtingen. Het is mogelijk om tegelijkertijd te vragen om een getuigenverhoor, een deskundigenonderzoek en inzage in documenten.
Het inzagerecht is sinds 1 januari 2025 uitgebreid. Partijen kunnen nu ook inzage krijgen in digitale gegevens en in relevante informatie die bij derden in beheer is.
Een gerechtsdeurwaarder kan een proces-verbaal van constatering opmaken. Dit document legt een bepaalde feitelijke situatie vast en levert dwingend bewijs op in een procedure.
Bewijsbeslag door de deurwaarder is nu wettelijk geregeld. Deze maatregel maakt het mogelijk om bewijsmateriaal veilig te stellen voordat het verloren gaat of wordt vernietigd.
Hoe wordt omgegaan met digitaal bewijs in civiele rechtbanken?
De regels voor het inzagerecht zijn sinds 1 januari 2025 uitgebreid naar digitale gegevens. Computerbestanden en andere digitale informatie kunnen nu op dezelfde manier worden opgevraagd als papieren documenten.
Partijen moeten meewerken door de verzochte digitale gegevens te verstrekken. Dit geldt voor e-mails, databases, bestanden en andere elektronisch opgeslagen informatie.
De rechter kan digitaal bewijs op dezelfde manier beoordelen als traditioneel bewijs. De betrouwbaarheid en echtheid van digitale bestanden moeten wel worden vastgesteld.
Wat is de rol van getuigenverklaringen in het bewijsrecht binnen civiele procedures?
Getuigenverklaringen kunnen helpen om feiten vast te stellen die niet met documenten zijn te bewijzen. Een getuige verklaart onder ede over wat hij zelf heeft gezien, gehoord of meegemaakt.
De rechter bepaalt hoeveel waarde hij aan een getuigenverklaring toekent. Hij beoordeelt of de getuige geloofwaardig is en of zijn verklaring consistent is met ander bewijs.
Schriftelijk bewijs heeft in de praktijk vaak meer gewicht dan getuigenverklaringen. Getuigen kunnen immers een beperkt geheugen hebben of beïnvloed zijn door hun betrokkenheid bij het geschil.
Hoe wordt er gehandeld als er sprake is van tegenstrijdig bewijs in een civiele zaak?
De rechter weegt alle bewijsstukken tegen elkaar af wanneer er tegenstrijdigheden zijn. Hij beoordeelt welk bewijs het meest betrouwbaar en overtuigend is.
Sinds 1 januari 2025 heeft de rechter een actievere rol gekregen. Hij kan tijdens de procedure actief meedenken over de feiten en deze met beide partijen bespreken.
De rechter kan partijen vragen om verduidelijking te geven of aanvullend bewijs aan te leveren. Hij kan ook zelf een deskundige benoemen om onduidelijkheden op te helderen.