Gepubliceerd op 15 oktober 2025 · Laatst bijgewerkt op 8 oktober 2026
Met een stil pandrecht krijgt een schuldeiser, meestal een bank of andere financier, zekerheid op vorderingen van zijn klant, zonder dat de afnemers van die klant daar iets van merken. Het belangrijkste voorbehoud: zolang het pandrecht stil is, betalen die afnemers gewoon aan uw klant, en in een faillissement kan onder meer een afkoelingsperiode de uitoefening tijdelijk blokkeren.
Een stil pandrecht vestigt u met een authentieke akte of een geregistreerde onderhandse akte (artikel 3:239 Burgerlijk Wetboek). Hieronder leest u hoe dat werkt, op welke goederen het kan rusten, wat de pandhouder mag voordat en nadat het pandrecht openbaar wordt, en welke risico’s er zijn bij een faillissement en bij het bodemrecht van de Belastingdienst.
Voor de duidelijkheid over de begrippen: de pandgever is degene die zijn vordering verpandt, vaak een ondernemer die een krediet heeft. De pandhouder is de schuldeiser die het pandrecht krijgt. De debiteur is de afnemer die de verpande factuur moet betalen.
Inhoudsopgave
Wat is een stil pandrecht?
Een stil pandrecht is een zekerheidsrecht op een vordering, gevestigd zonder dat de debiteur van die vordering het weet. De pandhouder heeft direct zekerheid, terwijl de normale bedrijfsvoering van de pandgever gewoon doorgaat.
Het verschil met een openbaar pandrecht zit vooral in dat verborgen karakter en de praktische voordelen die daaruit volgen. Hieronder de kenmerken, het doel en het onderscheid met het openbare pandrecht.
Wat zijn de kenmerken?
Een stil pandrecht ontstaat door een akte, niet door een mededeling aan de debiteur. Die akte moet een authentieke akte zijn, opgemaakt door een notaris, of een onderhandse akte die is geregistreerd bij de Belastingdienst.
De belangrijkste kenmerken zijn:
- Er is geen mededeling aan de debiteur nodig.
- De verpande vordering blijft ongewijzigd bestaan.
- De pandgever mag de vordering zelf innen, zolang de pandhouder geen mededeling heeft gedaan.
- Een onderhandse pandakte moet worden geregistreerd bij de Belastingdienst; zonder registratie ontstaat er geen pandrecht.
Door het stille karakter blijft de debiteur gewoon betalen aan de oorspronkelijke schuldeiser, de pandgever. De pandhouder bemoeit zich niet met de normale betalingsstroom.
Waarom een pandrecht zonder mededeling?
Omdat het de pandhouder zekerheid geeft zonder de zakelijke relaties van de pandgever te verstoren. Afnemers hoeven niet te weten dat hun leverancier zijn vorderingen heeft verpand, en er ontstaat dus geen onrust over diens financiële positie.
De vertrouwensrelatie met klanten blijft zo ongestoord, omdat er geen externe partij tussenkomt. De pandhouder heeft zekerheid vanaf het moment dat het pandrecht is gevestigd. Bestaat de vordering al, dan rust het pandrecht er direct op; daar hoeft verder niets voor te gebeuren.
Gaat het mis, dan kan de pandhouder alsnog mededeling doen aan de debiteur. Het stille pandrecht wordt dan openbaar, en de pandhouder mag vanaf dat moment zelf innen.
Wat is het verschil met een openbaar pandrecht?
Het verschil zit in de zichtbaarheid en in wie de vordering mag innen. Bij een openbaar pandrecht is de debiteur op de hoogte en betaalt hij aan de pandhouder.
Stil pandrecht:
- Geen mededeling aan de debiteur.
- De pandgever int de vorderingen.
- Niet zichtbaar voor de debiteur en andere buitenstaanders.
- Vestiging door een authentieke of geregistreerde onderhandse akte.
Openbaar pandrecht:
- Mededeling aan de debiteur is een vereiste voor de vestiging.
- De pandhouder int de vorderingen zelf.
- De debiteur weet dat de vordering is verpand.
- De pandhouder heeft direct controle over de inning.
Bij een stil pandrecht blijft de pandgever dus bevoegd de vordering te innen tot de pandhouder mededeling doet. Bij een openbaar pandrecht verliest de pandgever die bevoegdheid meteen. Welke vorm past, hangt af van de balans tussen zekerheid en discretie. In de dagelijkse praktijk biedt het stille pandrecht meer flexibiliteit, en het is bij bancaire financiering de gebruikelijke vorm.
Hoe vestigt u een stil pandrecht?
U legt het pandrecht vast in een authentieke akte of in een onderhandse akte die u laat registreren. Artikel 3:239 lid 1 BW is de wettelijke basis voor het stille pandrecht op vorderingen op naam.
Aan welke vereisten moet u voldoen?
Het stille pandrecht uit artikel 3:239 BW kan worden gevestigd op een vordering op naam. Die vordering moet op het moment van vestiging al bestaan, of rechtstreeks voortkomen uit een rechtsverhouding die dan al bestaat.
Een vordering uit een contract dat al is gesloten, kan dus stil worden verpand, ook als de factuur pas later wordt verstuurd. Een vordering op een klant met wie u nog geen enkele relatie heeft, kan niet vooraf stil worden verpand. Daarom werken banken vaak met periodieke pandlijsten: de ondernemer verpandt regelmatig opnieuw zijn nieuwe vorderingen.
De pandgever moet bevoegd zijn om te verpanden, en hij moet in de akte verklaren dat hij dat is. Ook moet hij verklaren dat er geen beperkte rechten op de vordering rusten, of anders welke rechten dat zijn (artikel 3:239 lid 2 BW).
De belangrijke voorwaarden op een rij:
- De vordering op naam bestaat al of vloeit rechtstreeks voort uit een bestaande rechtsverhouding.
- De pandgever is bevoegd om over de vordering te beschikken.
- De pandgever verklaart in de akte of er beperkte rechten op de vordering rusten.
- Er is geen mededeling aan de debiteur nodig.
Daarnaast moet er een geldige grondslag zijn, meestal een krediet- of financieringsovereenkomst waarin staat dat de pandgever zekerheid geeft.
Welke rol spelen de pandakte en de registratie?
Zonder schriftelijke akte is er geen stil pandrecht. De akte legt vast welke vorderingen worden verpand en tot zekerheid waarvan.
Een onderhandse akte volstaat, maar alleen als die is geregistreerd bij de Belastingdienst. Door de registratie krijgt de akte een vaste datum. Die datum is belangrijk, omdat bij meerdere pandrechten op dezelfde vordering de volgorde van vestiging de rangorde bepaalt.
In de pandakte staan in de praktijk ten minste de identiteit van de partijen, een omschrijving van de verpande vorderingen en de vordering waarvoor de zekerheid geldt. De verklaring van de pandgever over zijn bevoegdheid hoort er ook in.
Wordt de akte namens de pandgever getekend op basis van een volmacht, zorg dan voor een schriftelijke volmacht. De pandgever blijft zelf verantwoordelijk voor de juistheid van de verklaringen in de pandakte.
Authentieke akte of onderhandse akte?
Beide vormen zijn geldig. Een authentieke akte wordt opgemaakt door een notaris; een onderhandse akte stellen partijen zelf op en laten zij registreren.
Een authentieke akte heeft bijzondere bewijskracht en een vaste datum. Voor een onderhandse akte zorgt pas de registratie bij de Belastingdienst voor die vaste datum.
Voordelen van een authentieke akte:
- Sterkere bewijskracht.
- Automatisch een vaste datum.
- Juridische begeleiding door een notaris.
Kenmerken van een geregistreerde onderhandse akte:
- Lagere kosten.
- Meer vrijheid in de opstelling.
- Registratie is verplicht; zonder registratie ontstaat er geen pandrecht.
Voor het vestigen van een stil pandrecht zijn beide vormen gelijkwaardig. De keuze hangt meestal af van de kosten en de mate van zekerheid die u zoekt. Banken gebruiken in de praktijk vaak geregistreerde onderhandse akten, bijvoorbeeld voor hun periodieke verpanding van debiteuren.
Op welke goederen kan een stil pandrecht rusten?
Het bekendste voorbeeld is het stille pandrecht op vorderingen. Daarnaast kunnen roerende zaken, zoals voorraden en machines, en rechten aan toonder zonder bezitsoverdracht worden verpand; aandelen op naam hebben eigen regels.
Kunt u vorderingen stil verpanden?
Ja, vorderingen zijn het meest gebruikte onderpand bij een stil pandrecht. Het gaat om geldbedragen die derden aan de pandgever verschuldigd zijn.
Voorbeelden van verpandbare vorderingen:
- facturen aan klanten;
- banktegoeden;
- huurvorderingen;
- uitkeringen uit verzekeringen.
Kunt u voorraden en machines verpanden zonder ze af te geven?
Roerende zaken, zoals voorraden, auto’s, machines en inventaris, kunnen worden verpand zonder dat ze uit handen worden gegeven. Dat heet een bezitloos pandrecht (artikel 3:237 BW). In de praktijk wordt ook dit vaak een ‘stil’ pandrecht genoemd.
De pandgever blijft eigenaar en blijft de zaken gebruiken voor zijn bedrijf. Voorwaarden voor een bezitloos pandrecht op roerende zaken:
- een authentieke akte of een geregistreerde onderhandse akte;
- een duidelijke omschrijving van de verpande zaken;
- de zaken blijven bij de pandgever.
Kunt u rechten aan toonder stil verpanden?
Ook op een recht aan toonder kan een bezitloos pandrecht worden gevestigd, zonder dat het toonderpapier aan de pandhouder wordt afgegeven (artikel 3:237 lid 1 BW). Daarvoor is ook een authentieke of geregistreerde onderhandse akte nodig.
Hoe verpandt u aandelen op naam?
Voor aandelen in een bv of nv gelden eigen regels. Het pandrecht moet worden gevestigd bij notariële akte (artikel 2:198 BW). Het kan zonder mededeling aan de vennootschap worden gevestigd, maar kan dan pas tegenover de vennootschap worden uitgeoefend na mededeling. De aandeelhouder behoudt in beginsel het stemrecht; een overgang van het stemrecht naar de pandhouder is alleen mogelijk als de statuten en de afspraken dat toelaten.
Wat betekent bezitloos voor het onderpand?
Bij een bezitloos pandrecht blijft het onderpand bij de pandgever. Dat is praktisch voor de bedrijfsvoering, maar de waarde van het onderpand moet de lening wel voldoende dekken.
De pandhouder krijgt voorrang boven andere schuldeisers op de opbrengst van het onderpand. Schiet de pandgever tekort, dan kan de pandhouder vorderen dat de verpande zaken in zijn macht worden gebracht (artikel 3:237 lid 3 BW), en ze daarna verkopen.
Welke bescherming geeft het stille pandrecht?
De pandhouder heeft vanaf de vestiging een voorrangspositie op de verpande vorderingen. Schiet de pandgever tekort, of is er goede grond om dat te vrezen, dan mag de pandhouder mededeling doen aan de debiteuren en zelf innen, zonder tussenkomst van de rechter.
Wat mag de pandhouder zolang het pandrecht stil is?
Zolang er geen mededeling is gedaan, blijft de pandgever bevoegd de vorderingen te innen. De pandhouder heeft wel al direct de zekerheid en de voorrang die het pandrecht geeft, ook al weet de debiteur niet dat zijn schuld is verpand.
De rechten van de pandhouder vóór openbaarmaking:
- zekerheid voor zijn eigen vordering op de pandgever;
- voorrang op de opbrengst van de verpande vorderingen boven andere schuldeisers;
- het recht om mededeling te doen als de pandgever tekortschiet of goede grond geeft te vrezen dat hij zal tekortschieten.
Zolang de pandgever zich aan de afspraken houdt, blijft het pandrecht meestal stil. Financieringsovereenkomsten bevatten vaak ook afspraken over informatie, zoals periodieke debiteurenlijsten, zodat de pandhouder tijdig ziet of het risico toeneemt.
Wanneer mag de pandhouder zelf innen?
Volgens artikel 3:239 lid 3 BW mag de pandhouder mededeling doen aan de debiteur als de pandgever tekortschiet in de nakoming van zijn verplichtingen, of hem goede grond geeft te vrezen dat hij zal tekortschieten. Daarna mag de pandhouder de vorderingen zelf innen (artikel 3:246 BW).
Voorwaarden om over te gaan tot mededeling en inning:
- de pandgever schiet tekort in zijn betalingsverplichtingen, of
- er is goede grond om te vrezen dat hij zal tekortschieten, en
- het stille pandrecht is correct gevestigd.
De pandhouder heeft daarvoor geen toestemming nodig van de pandgever of de rechter. Dat maakt het stille pandrecht een krachtig zekerheidsrecht: de schuldeiser kan snel en zonder procedure verhaal halen. Wat hij meer int dan zijn vordering, moet hij aan de pandgever afdragen.
Hoe wordt een stil pandrecht openbaar?
Door de mededeling aan de debiteur van de verpande vordering. Vanaf dat moment kan de debiteur alleen nog bevrijdend betalen aan de pandhouder.
Situaties waarin een pandhouder tot mededeling overgaat:
- de pandgever komt zijn betalingsafspraken niet na;
- er is goede grond om te vrezen dat hij dat niet zal doen, bijvoorbeeld bij ernstige liquiditeitsproblemen;
- de pandgever gaat failliet of vraagt surseance van betaling aan.
Na de mededeling int de pandhouder rechtstreeks bij de debiteuren. Dat geeft hem meer controle over de verpande vorderingen en daarmee over zijn zekerheid.
Wat gebeurt er bij faillissement en wie gaat voor?
In een faillissement is de pandhouder een ‘separatist’: hij mag zijn pandrecht uitoefenen alsof er geen faillissement is (artikel 57 Faillissementswet). De curator kan die uitoefening wel tijdelijk beperken, en voor bepaalde belastingschulden kan de Belastingdienst voorgaan.
Welke rol speelt de curator?
De curator heeft een beperkte invloed op separatisten, maar geen invloed is het niet. Hij kan de pandhouder een redelijke termijn stellen om het pandrecht uit te oefenen (artikel 58 Faillissementswet). Laat de pandhouder die termijn ongebruikt, dan mag de curator de goederen zelf verkopen, met behoud van de voorrang van de pandhouder.
Ook kan de rechter-commissaris op verzoek een afkoelingsperiode afkondigen van ten hoogste twee maanden, die één keer met ten hoogste twee maanden kan worden verlengd (artikel 63a Faillissementswet). Tijdens die periode mag de pandhouder zonder machtiging geen verhaal nemen.
De curator houdt zich onder meer bezig met:
- de verkoop van onbezwaarde bezittingen;
- het opstellen van de uitdelingslijst voor de andere schuldeisers;
- overleg met separatisten, bijvoorbeeld over een gezamenlijke verkoop van het bedrijf.
Het pandrecht blijft na het faillissement gewoon geldig. De pandhouder kan ook dan nog mededeling doen aan de debiteuren en zelf innen. De separatist krijgt eerst de opbrengst van zijn onderpand; alleen een eventueel overschot valt in de boedel. Er blijft daardoor vaak minder over voor andere schuldeisers.
Wat is het bodemrecht van de Belastingdienst?
Het bodemrecht geeft de Belastingdienst de mogelijkheid om zich voor bepaalde belastingschulden, zoals loonheffing en omzetbelasting, te verhalen op zaken die zich op de ‘bodem’ van de belastingschuldige bevinden (artikel 22 Invorderingswet 1990). Voor stil of bezitloos verpande roerende zaken gaat de Belastingdienst dan vóór de pandhouder.
Het bodemrecht geldt voor roerende zaken die dienen tot stoffering van een huis of land of tot bebouwing of bewerking van land, zoals inventaris en machines, en in beginsel niet voor verpande vorderingen. Voor een pandrecht op debiteuren speelt het dus meestal geen rol.
Gevolgen voor pandhouders met een pandrecht op roerende zaken:
- een lagere opbrengst bij executie;
- het risico dat bij hoge belastingschulden weinig overblijft;
- een verplichting om de Belastingdienst te informeren voordat zij het pandrecht op een bodemzaak uitoefenen (artikel 22bis Invorderingswet 1990).
Hoe groot het effect is, hangt af van de openstaande belastingschulden van de pandgever. Dat risico is vooraf lastig in te schatten, en financiers houden er daarom rekening mee bij het bepalen van de waarde van hun zekerheid.
Hoe ziet de rangorde tussen schuldeisers eruit?
Een pandhouder gaat voor op de opbrengst van zijn onderpand, met uitzondering van onder meer het bodemrecht. Voor de rest van de boedel geldt de gewone rangorde van het faillissement.
Vereenvoudigde volgorde in een faillissement, naast de separatisten:
- boedelvorderingen, zoals het salaris van de curator;
- preferente vorderingen, zoals die van de Belastingdienst;
- concurrente vorderingen;
- achtergestelde vorderingen.
Rusten er meerdere pandrechten op dezelfde vordering of zaak, dan geldt in beginsel dat het oudste pandrecht voorgaat. De datum van vestiging bepaalt dus de rangorde, en daarom is de vaste datum van de akte zo belangrijk.
Concurrente schuldeisers krijgen in veel faillissementen weinig of niets terug, juist doordat separatisten en preferente schuldeisers eerst worden voldaan. Voor leveranciers en andere schuldeisers zonder zekerheid is dat een reëel risico. Omdat een stil pandrecht niet zichtbaar is, is dat risico vooraf moeilijk in te schatten.
Waar let u op in de praktijk?
Het stille pandrecht is voor financiers een sterk en discreet zekerheidsrecht, maar het werkt alleen als de akte en de registratie in orde zijn. Een fout in de vestiging kan de zekerheid waardeloos maken.
Wat zijn de voordelen voor financiering?
Banken en andere financiers kiezen vaak voor een stil pandrecht omdat het zekerheid biedt zonder dat de afnemers van de pandgever er iets van merken. De ondernemer kan zijn bedrijf gewoon voortzetten.
Een stil pandrecht op vorderingen verstoort de bedrijfsvoering niet: klanten betalen gewoon aan hun leverancier. De pandhouder hoeft geen goederen op te slaan of te beheren.
De belangrijke voordelen op een rij:
- geen verstoring van klantrelaties;
- de pandgever blijft zelf verantwoordelijk voor de dagelijkse gang van zaken;
- geen administratie van de pandhouder bij elke betaling;
- snel te regelen met een geregistreerde onderhandse akte.
Het stille karakter verdwijnt pas als de pandhouder de debiteuren informeert, en dat gebeurt meestal pas als het misgaat.
Hoe verloopt de uitwinning?
Betaalt de pandgever niet, dan doet de pandhouder mededeling aan de debiteuren en int hij de vorderingen. Voor verpande roerende zaken volgt in beginsel een openbare verkoop, of een onderhandse verkoop met toestemming van de rechter (artikel 3:248 en 3:251 BW).
Uitwinning van vorderingen verloopt anders dan bij zaken. Meestal int de pandhouder de vorderingen gewoon bij de debiteuren. Een veiling is daarvoor niet nodig.
De stappen bij uitwinning van verpande vorderingen:
- mededeling aan de debiteuren van de verpande vorderingen;
- inning van de openstaande bedragen, zo nodig via een incassoprocedure;
- verrekening van de opbrengst met de vordering op de pandgever;
- afdracht van een eventueel overschot aan de pandgever of de curator.
Bij verpande roerende zaken moet de pandhouder rekening houden met het bodemrecht van de Belastingdienst en met de verplichting uit artikel 22bis Invorderingswet 1990 om de Belastingdienst vooraf te informeren.
Waarom is juridisch advies over de akte belangrijk?
Een stil pandrecht vraagt om een zorgvuldige vastlegging. Een fout in de akte of in de registratie kan het hele zekerheidsrecht onderuithalen.
Belangrijke aandachtspunten:
- een goede omschrijving van de verpande vorderingen of zaken;
- juiste handtekeningen en een tijdige registratie;
- controle of de pandgever echt bevoegd is om te verpanden;
- controle op eerdere pandrechten en andere beperkte rechten.
Een advocaat kan ook controleren of de verpande vorderingen al bestaan of voortkomen uit bestaande rechtsverhoudingen. Dat voorkomt discussie op het moment dat het pandrecht moet worden uitgeoefend, bijvoorbeeld met een curator die de geldigheid betwist.
Waar let u als pandhouder op?
- Laat een onderhandse pandakte direct registreren bij de Belastingdienst; zonder registratie ontstaat geen pandrecht.
- Controleer of de verpande vorderingen al bestaan of rechtstreeks voortkomen uit een bestaande rechtsverhouding (artikel 3:239 lid 1 BW).
- Spreek af dat de pandgever periodiek pandlijsten met nieuwe vorderingen aanlevert.
- Informeer de Belastingdienst voordat u een pandrecht op bodemzaken uitoefent (artikel 22bis Invorderingswet 1990).
Waar let u als pandgever op?
- Controleer welke vorderingen en zaken u verpandt; u verklaart in de akte dat u daartoe bevoegd bent (artikel 3:239 lid 2 BW).
- Lees in de financieringsovereenkomst wanneer de financier mededeling aan uw afnemers mag doen.
- Houd u aan de informatieplichten, zoals het tijdig aanleveren van debiteurenlijsten.
- Controleer na inning door de pandhouder of hij een eventueel overschot aan u afdraagt.
Wat kunnen wij voor u doen bij een stil pandrecht?
Wij adviseren financiers en ondernemers over het vestigen en uitoefenen van een stil pandrecht, ook in een faillissement.
- Wij stellen de pandakte op of controleren die op de omschrijving van de vorderingen, de bevoegdheidsverklaring en de registratie.
- Wij beoordelen of een pandrecht geldig is gevestigd en welke rang het heeft ten opzichte van andere pandrechten.
- Wij begeleiden de mededeling aan debiteuren en de inning van verpande vorderingen (artikelen 3:239 lid 3 en 3:246 BW).
- Wij treden op tegenover de curator, onder meer bij een termijnstelling (artikel 58 Faillissementswet) of een afkoelingsperiode (artikel 63a Faillissementswet).
- Wij beoordelen de gevolgen van het bodemrecht van de Belastingdienst voor uw zekerheid op roerende zaken.
Samengevat
- Een stil pandrecht is een pandrecht op vorderingen zonder mededeling aan de debiteur, gevestigd bij authentieke of geregistreerde onderhandse akte (artikel 3:239 BW).
- De vordering moet al bestaan of rechtstreeks voortkomen uit een bestaande rechtsverhouding.
- Tot de mededeling int de pandgever zelf; bij (dreigende) tekortkoming mag de pandhouder mededeling doen en zelf innen.
- In een faillissement is de pandhouder separatist, maar een afkoelingsperiode kan hem tijdelijk tegenhouden.
- Op stil verpande roerende zaken kan het bodemrecht van de Belastingdienst voorgaan; op verpande vorderingen in beginsel niet.
Veelgestelde vragen
Wat zijn de kenmerken van een stil pandrecht?
Bij een stil pandrecht weet de debiteur van de verpande vordering niet dat die is verpand. Hij blijft betalen aan zijn oorspronkelijke schuldeiser, de pandgever. Voor buitenstaanders is het pandrecht niet zichtbaar. Naast vorderingen kunnen ook roerende zaken zonder bezitsoverdracht worden verpand; die blijven bij de pandgever, die ze gewoon kan blijven gebruiken.
Hoe beschermt een stil pandrecht de schuldeiser?
De pandhouder krijgt voorrang op de opbrengst van de verpande vorderingen of zaken. Schiet de pandgever tekort, dan kan de pandhouder zich daarop verhalen voordat andere schuldeisers aan bod komen, met uitzondering van onder meer het bodemrecht bij roerende zaken.
Wat zijn de vereisten voor een stil pandrecht?
U heeft een authentieke akte of een geregistreerde onderhandse akte nodig; zonder die formaliteit ontstaat geen pandrecht. Er moet een geldige grondslag zijn, meestal een financieringsovereenkomst. De pandgever moet bevoegd zijn om over de vordering of zaak te beschikken, en moet dat in de akte verklaren.
Welke rechten en plichten heeft de pandhouder?
De pandhouder mag zich bij wanbetaling verhalen op het onderpand: vorderingen innen of verpande zaken laten verkopen. Hij kan het stille pandrecht openbaar maken als de pandgever tekortschiet of als er goede grond is om dat te vrezen. Wat hij meer ontvangt dan zijn vordering, moet hij afdragen. Het onderpand dient alleen als zekerheid; de pandhouder mag het niet voor zichzelf gebruiken.
Wat gebeurt er bij faillissement van de pandgever?
De pandhouder kan zijn pandrecht ook na het faillissement uitoefenen; hij is separatist. Hij mag de debiteuren aanschrijven en de betalingen innen. De curator kan hem wel een termijn stellen, en de rechter-commissaris kan een afkoelingsperiode afkondigen waarin de pandhouder tijdelijk geen verhaal mag nemen.
Hoe verhoudt het stille pandrecht zich tot de reputatie van de pandgever?
Het stille karakter voorkomt dat afnemers merken dat hun leverancier zijn vorderingen heeft verpand. De ondernemer kan zijn bedrijf voortzetten zonder dat zijn handelsrelaties worden verstoord. Pas als de pandhouder mededeling doet, weten de debiteuren ervan.
Meer over hoe Law & More u hierbij helpt, leest u op de pagina civiel recht advocaat.