Inleiding
Artikel 2:9 van het Burgerlijk Wetboek regelt de interne bestuurdersaansprakelijkheid: een bestuurder kan persoonlijk aansprakelijk worden gesteld tegenover de vennootschap zelf wanneer sprake is van onbehoorlijke taakvervulling én hem een ernstig verwijt treft. Deze bepaling vormt het fundament voor de verhouding tussen bestuurder en rechtspersoon in het Nederlandse ondernemingsrecht; daarvoor verwijst de wet naar de zorgvuldige taakvervulling die van een bestuurder mag worden verwacht.
Het begrip ‘behoorlijk bestuur’ is complex en kent verschillende juridische en organisatorische interpretaties. Dit begrip wordt gebruikt om de mate van zorgvuldigheid en verantwoordelijkheid te duiden die van bestuurders wordt verlangd bij het nemen van besluiten en het beheersen van risico’s.
Het onderscheid met externe aansprakelijkheid is wezenlijk. Interne aansprakelijkheid heeft betrekking op schade die de vennootschap lijdt door toedoen van haar eigen bestuurder, terwijl externe aansprakelijkheid ziet op benadeelde derden of schuldeisers. Externe aansprakelijkheid daarentegen betreft vorderingen van derden zoals schuldeisers, gebaseerd op artikelen 2:138/148 BW bij faillissement of artikel 6:162 BW inzake onrechtmatige daad.
Deze uitleg is primair bestemd voor bestuurders van BV’s, NV’s en andere rechtspersonen die inzicht willen krijgen in hun persoonlijke aansprakelijkheidsrisico’s. Ook commissarissen, aandeelhouders en juridisch adviseurs vinden hier praktische handvatten. Bestuurders hebben verplichtingen om hun wettelijke en contractuele taken zorgvuldig na te komen. Het ondernemen brengt verantwoordelijkheden met zich mee, waarbij bestuurders in het belang van de onderneming moeten handelen en onzorgvuldig gedrag dat de onderneming of haar schuldeisers kan schaden, moeten vermijden.
Kernvraag beantwoord: Een bestuurder is op grond van artikel 2:9 BW aansprakelijk wanneer hij zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld én hem daarvan een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt, waarbij de rechtspersoon als enige partij de vordering kan instellen. Bij de beoordeling van de drempel van ernstig verwijt spelen maatstaven van redelijkheid en billijkheid een belangrijke rol.
De belangrijkste inzichten uit dit artikel:
- De hoge drempel van het ernstig verwijt beschermt normale beleidsbeslissingen
- Collectieve aansprakelijkheid geldt bij meerhoofdig bestuur, met beperkte disculpatiemogelijkheden
- Concrete situaties zoals gebrekkige administratie of schending van statutaire bepalingen vormen risicogebieden
- Preventie via adequate governance-structuren is effectiever dan verweer achteraf
- Het op orde hebben van risicobeheersing en interne controle is essentieel om onbehoorlijk bestuur en aansprakelijkheid te voorkomen
- Er bestaat een nauwe betrekking tussen risicobeheer, interne systemen en beleidskeuzes van het bestuur
Grondbeginselen van Artikel 2:9 BW
Artikel 2:9 BW codificeert de zorgplicht en de verplichtingen die elke bestuurder heeft jegens de rechtspersoon. Lid 1 bepaalt dat iedere bestuurder tegenover de rechtspersoon gehouden is tot een behoorlijke taakvervulling. Lid 2 preciseert dat aansprakelijkheid van de bestuurder ontstaat bij onbehoorlijk bestuur gekoppeld aan een ernstig verwijt, met de vennootschap als exclusieve vorderingsgerechtigde.
Het begrip ‘behoorlijke taakvervulling’ wordt in juridische zin uitgelegd als het handelen van een bestuurder zoals van een redelijk bekwaam en zorgvuldig bestuurder mag worden verwacht. Dit begrip omvat de beoordeling van het gedrag van bestuurders aan de hand van de omstandigheden van het geval. Er bestaat een nauwe betrekking tussen de zorgplicht van bestuurders en de beleidskeuzes die zij maken; zorgvuldige en verantwoorde beleidskeuzes zijn essentieel om aan de wettelijke norm te voldoen.
Behoorlijke Taakvervulling
De wet legt aan elke bestuurder de verplichting op om zijn taak behoorlijk te vervullen. Deze norm vloeit voort uit de fiduciaire verhouding tussen bestuurder en rechtspersoon. Het gaat om een zorgvuldigheidsnorm die de bestuurder verplicht het vennootschapsbelang voorop te stellen.
Onbehoorlijk bestuur is het niet voldoen aan de vereiste zorgvuldigheid zoals een redelijk en ervaren bestuurder in dezelfde situatie zou doen.
De toets is die van de redelijk handelend bestuurder. Dit criterium vraagt wat een bekwaam en zorgvuldig bestuurder in vergelijkbare omstandigheden zou hebben gedaan. Het begrip ‘behoorlijke taakvervulling’ houdt in dat bestuurders hun taken uitvoeren met de zorgvuldigheid en verantwoordelijkheid die van hen mag worden verwacht. Daarbij wordt van bestuurders verwacht dat zij bij het ondernemen steeds handelen in het belang van de onderneming en haar schuldeisers, en hun wettelijke en contractuele verplichtingen nakomen. Daarbij weegt de rechter de beschikbare informatie, de aard van de onderneming en de concrete situatie waarin de beslissing is genomen.
Ernstig Verwijt als Drempel
Niet elke fout leidt tot aansprakelijkheid. De Hoge Raad heeft in het arrest Staleman/Van de Ven (ECLI:NL:HR:1997:ZC2243) vastgesteld dat slechts een ernstig verwijt tot aansprakelijkheid kan leiden. Deze hoge drempel respecteert de beleidsvrijheid van bestuurders en voorkomt dat achteraf elk ongunstig resultaat tot aansprakelijkheid leidt. De rechtspraak heeft het begrip ‘behoorlijk’ verder ingevuld: van een bestuurder wordt verwacht dat hij handelt als een redelijk handelend en ervaren bestuurder die in dezelfde omstandigheden van diezelfde beslissing had afgezien.
Bij de beoordeling of een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt, weegt de rechter alle omstandigheden van het geval. Daarbij speelt de maatstaf van redelijkheid een belangrijke rol bij het bepalen of het handelen van de bestuurder als ernstig verwijtbaar kan worden aangemerkt. Het begrip ‘ernstig verwijt’ houdt in dat het handelen of nalaten van de bestuurder zodanig onzorgvuldig is, dat dit niet door een redelijk handelend bestuurder zou zijn begaan. Relevante factoren zijn de aard van de door de rechtspersoon uitgeoefende activiteiten, de in het algemeen daaruit voortvloeiende risico’s, de taakverdeling binnen het bestuur, eventuele richtlijnen, de gegevens waarover de bestuurder beschikte of behoorde te beschikken, en de wijze waarop het bestuur in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs tot zijn besluit kon komen.
Collectieve Aansprakelijkheid
Bij meerhoofdig bestuur geldt het beginsel van collectieve verantwoordelijkheid. Onbehoorlijk bestuur door één bestuurder maakt in beginsel alle medebestuurders hoofdelijk aansprakelijk voor de volledige schade. Dit vloeit voort uit de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het totale beleid van de onderneming. Het is daarbij van groot belang dat de interne controle en risicobeheersing binnen de organisatie op orde zijn om onbehoorlijk bestuur en aansprakelijkheid te voorkomen.
Een individuele bestuurder kan zich disculperen door aan te tonen dat hem persoonlijk geen ernstig verwijt treft én dat hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen van het onbehoorlijk bestuur af te wenden. Deze disculpatiemogelijkheid is echter beperkt bij taken die inherent collegiaal zijn, zoals financieel toezicht of risicobeheer. De collectieve verantwoordelijkheid van het bestuur heeft direct betrekking op het functioneren van interne systemen en procedures. Een bestuursreglement dat taken verdeelt, ontslaat medebestuurders niet van hun collectieve verantwoordelijkheid voor dergelijke kernverplichtingen, zoals het naleven van wettelijke en contractuele verplichtingen.
De collectieve aansprakelijkheid vormt een belangrijk aandachtspunt: rechtspraak toont dat in circa 40% van interne claims de collegiale aansprakelijkheid doorslaggevend is voor de uitkomst van de procedure.
Praktische Toepassingsgebieden
Interne bestuurdersaansprakelijkheid manifesteert zich in concrete situaties die elk bestuur kan treffen. Het is van groot belang dat de orde binnen de onderneming op het gebied van risicobeheersing en interne controle goed is gewaarborgd, zodat onbehoorlijk bestuur en aansprakelijkheid worden voorkomen. Bestuurders hebben bij het ondernemen de verantwoordelijkheid om zorgvuldig te handelen in het belang van de onderneming en haar schuldeisers. Besluiten over risicobeheer en eventuele afwijkingen van interne richtlijnen hebben direct betrekking op de zorgvuldigheid en verantwoorde beleidskeuzes binnen de organisatie. De praktijk leert dat bepaalde gedragingen en nalatigheden structureel tot aansprakelijkheidsclaims leiden. Hieronder worden de meest voorkomende risicogebieden besproken.
Risicobeheersing en Interne Controle
Een bestuurder is verplicht adequate systemen voor risicobeheersing en interne controle in te richten. Deze verplichtingen houden in dat bestuurders moeten zorgen dat de systemen en procedures op orde zijn om onbehoorlijk bestuur en aansprakelijkheid te voorkomen. Het belang van orde in risicobeheersing en interne controle is groot, omdat het ontbreken of niet correct functioneren van deze systemen kan leiden tot wanbeleid en persoonlijke aansprakelijkheid. De aard en omvang van deze systemen hangen af van de grootte en complexiteit van de onderneming, maar het volledig ontbreken ervan levert vrijwel zeker een ernstig verwijt op.
Structurele nalatigheid in de financiële administratie vormt een klassiek voorbeeld van kennelijk onbehoorlijk bestuur. Wanneer de administratie zodanig gebrekkig is dat het bestuur geen adequaat zicht heeft op de financiële positie van de vennootschap, kan de aangesproken bestuurder zich moeilijk verweren. Niet alleen de vennootschap, maar ook derden of crediteuren kunnen hierdoor benadeeld worden. De rechter zal aannemen dat een redelijk handelend bestuurder minimaal zou hebben gezorgd voor betrouwbare cijfers.
Voorbeelden van onbehoorlijk bestuur zijn:
- Fraude
- Gebruik van middelen voor privédoeleinden
- Onverantwoorde risico’s
- Nalatigheid bij essentiële verzekeringen
Besluiten zonder Voldoende Onderzoek
Bestuursbeslissingen vereisen adequate voorbereiding. De bestuurder moet zich voorafgaand aan belangrijke beslissingen laten informeren over de relevante feiten en risico’s. Bestuurders hebben de verplichting om zorgvuldig onderzoek te doen voordat zij besluiten nemen. Een beslissing die zonder enig onderzoek tot stand komt, kan bij ongunstige uitkomsten een ernstig verwijt opleveren. Een ondoordachte overeenkomst met grote financiële impact zonder marktonderzoek kan leiden tot een ernstig verwijt.
Een ander voorbeeld betreft investeringsbeslissingen waarbij elementaire due diligence is nagelaten. Hoewel de rechter terughoudend is bij het beoordelen van zakelijke beslissingen achteraf, geldt dat de wijze waarop een bestuurder tot zijn besluit komt wel degelijk wordt getoetst. Bij dergelijke besluiten kunnen niet alleen de vennootschap, maar ook derden of crediteuren benadeeld worden. Het negeren van duidelijke waarschuwingssignalen of het nalaten van voor de hand liggend onderzoek doorbreekt de bescherming die de hoge drempel normaal biedt.
Schending van Interne Regels
Overtreding van statutaire bepalingen en interne richtlijnen kan tot aansprakelijkheid leiden. Het is van groot belang dat de orde in interne regels en procedures binnen de onderneming wordt bewaakt om onbehoorlijk bestuur en aansprakelijkheid te voorkomen. Bestuurders hebben de verplichting om statutaire bepalingen en andere contractuele verplichtingen na te leven. Een situatie waarin een bestuurder statutaire goedkeuringsvereisten van de algemene vergadering voor belangrijke besluiten negeert, vormt hier een pregnant voorbeeld. De statuten bevatten immers de spelregels waarbinnen het bestuur moet opereren.
Handelen met een tegenstrijdig belang zonder disclosure aan medebestuurders of de aandeelhouder creëert eveneens aansprakelijkheidsrisico. Schending van interne regels kan ertoe leiden dat de vennootschap of derden worden benadeeld, bijvoorbeeld doordat zij schade lijden als gevolg van onbehoorlijk bestuur. De bestuurder die eigen belangen laat prevaleren boven het vennootschapsbelang, maakt zichzelf kwetsbaar voor een vordering op grond van artikel 2:9 BW. Dit betreft ook situaties van onttrekking van vennootschapsvermogen ten eigen bate.
Wanneer Ontstaat Aansprakelijkheid
De vaststelling van aansprakelijkheid onder artikel 2:9 BW vergt een zorgvuldige toets van meerdere voorwaarden. Niet elke tekortkoming leidt tot een succesvolle claim. De vennootschap die haar bestuurder wenst aan te spreken, moet aan een aanzienlijke bewijslast voldoen. Daarbij moet worden aangetoond dat de vennootschap of derden daadwerkelijk benadeeld zijn door het handelen of nalaten van de bestuurder. Bestuurders hebben de verplichtingen om hun taken zorgvuldig en in het belang van de vennootschap te vervullen; het niet nakomen van deze verplichtingen kan tot aansprakelijkheid leiden. Voor aansprakelijkheid moet bovendien worden vastgesteld dat aan de wettelijke vereisten daarvoor is voldaan.
Beoordeling van Onbehoorlijk Bestuur
De rechter beoordeelt of sprake is van onbehoorlijke taakvervulling door het handelen van de bestuurder te toetsen aan wat van een redelijk handelend bestuurder in vergelijkbare omstandigheden mocht worden verwacht. Bij deze beoordeling speelt het criterium van redelijkheid een belangrijke rol, waarbij wordt gekeken of het handelen ernstig verwijtbaar is. Het begrip ‘onbehoorlijk bestuur’ ziet op handelen of nalaten dat niet voldoet aan de zorgvuldigheid die van een bestuurder mag worden verwacht. Daarbij geldt geen wettelijk vermoeden van onbehoorlijk bestuur; de vennootschap moet de normschending aantonen.
Excessieve risico’s zonder mitigerende maatregelen kunnen tot aansprakelijkheid leiden. Ondernemerschap impliceert risico, maar de grond waarvan die risico’s worden aanvaard moet verdedigbaar zijn. Onbehoorlijk bestuur kan ertoe leiden dat de vennootschap of derden benadeeld worden door het handelen of nalaten van de bestuurder. Een bestuurder die zonder enige risicospreiding of exit-strategie de gehele onderneming op één kaart zet, handelt mogelijk onbehoorlijk.
Stappen in Aansprakelijkheidsprocedure
De aansprakelijkheidsprocedure verloopt volgens een vaste systematiek. Wanneer het om een zaak gaat waarin interne bestuurdersaansprakelijkheid ex 2:9 BW wordt ingeroepen, moeten partijen hun verplichtingen tot het leveren van bewijs serieus nemen om hun standpunten te onderbouwen:
- Vaststelling schade — De vennootschap moet concreet aantonen dat zij schade heeft geleden en deze schade kwantificeren. Hierbij kan het gaan om situaties waarin de vennootschap of derden benadeeld zijn door het handelen of nalaten van de bestuurder. Schadebedragen variëren in de praktijk van tienduizenden tot miljoenen euro’s, afhankelijk van de omvang van de vennootschap en de aard van het verwijt.
- Causaal verband — Er moet een voldoende verband bestaan tussen het handelen van de bestuurder en de geleden schade. De bewijslast hiervoor rust op de vennootschap.
- Ernstig verwijt — De vennootschap moet onderbouwen dat de bestuurder een ernstig verwijt treft. Dit is het zwaartepunt van veel procedures en vereist een analyse van alle relevante omstandigheden.
- Disculpatie — De aangesproken bestuurder krijgt gelegenheid aan te tonen dat hem persoonlijk geen verwijt treft of dat hij adequate maatregelen heeft genomen. Bij collectieve taken is deze mogelijkheid beperkt.
Deskundigenonderzoek speelt regelmatig een rol, met name bij complexe financiële kwesties of wanneer specifieke branchekennis vereist is. De proceskosten kunnen aanzienlijk oplopen, wat partijen soms beweegt tot schikking. Praktijkervaring leert dat succesvolle claims in gecontesteerde zaken zeldzaam zijn—naar schatting minder dan 20-30%—hoewel curatoren bij faillissement frequent procederen.
Vergelijking Interne vs Externe Aansprakelijkheid
| Criterium | Interne Aansprakelijkheid (art. 2:9 BW) | Externe Aansprakelijkheid (art. 2:138/148 BW, 6:162 BW) |
|---|---|---|
| Eisende partij | Vennootschap (of curator namens boedel) | Schuldeisers, derden |
| Rechtsgrond | Onbehoorlijke taakvervulling + ernstig verwijt | Kennelijk onbehoorlijk bestuur + belangrijke oorzaak faillissement / onrechtmatige daad |
| Schade | Schade aan de vennootschap zelf | Schade aan schuldeisers of derden |
| Vermoeden | Geen wettelijk vermoeden | Bij faillissement: wettelijk vermoeden bij schending administratie- of publicatieplicht |
| Toepassing | Ook buiten faillissement | Art. 2:138/148 alleen bij faillissement |
Het onderscheid is praktisch relevant: de vennootschap die haar bestuurder aansprakelijk wil stellen voor schade aan haarzelf procedeert op basis van artikel 2:9 BW. Hierbij is sprake van benadeling van de vennootschap zelf, terwijl bij externe aansprakelijkheid juist derden of schuldeisers worden benadeeld door het handelen of nalaten van de bestuurder. Schuldeisers die de bestuurder aansprakelijk stellen wegens benadeling van hun verhaal, baseren zich op externe gronden. In faillissement kan de curator beide routes bewandelen, afhankelijk van de aard van de schade.
Bij externe aansprakelijkheid speelt de bestuurder vaak ook een rol als schuldenaar van de vennootschap, waarbij hij verantwoordelijk is voor het voldoen aan de verplichtingen tegenover schuldeisers. Het niet nakomen van deze verplichtingen, zoals het niet tijdig betalen van schulden of het niet correct informeren van schuldeisers, kan leiden tot persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder.
Veelvoorkomende Problemen en Oplossingen
De praktijk laat terugkerende patronen zien in situaties die tot interne bestuurdersaansprakelijkheid leiden. Het is van groot belang dat procedures en interne controle op orde zijn om onbehoorlijk bestuur te voorkomen. Bestuurders dienen hun wettelijke en contractuele verplichtingen zorgvuldig na te komen. Gebrekkige informatievoorziening kan ertoe leiden dat de vennootschap of derden benadeeld worden. Onderkenning van deze valkuilen stelt bestuurders in staat preventieve maatregelen te treffen.
Onvoldoende Informatievoorziening aan Mede-bestuurders
Wanneer één bestuurder relevante informatie achterhoudt voor zijn medebestuurders, kunnen allen aansprakelijk zijn voor daaruit voortvloeiende schade. Het achterhouden van informatie kan ertoe leiden dat de vennootschap of derden worden benadeeld, bijvoorbeeld doordat zij niet tijdig kunnen inspelen op risico’s of verplichtingen niet worden nagekomen. Bestuurders hebben de verplichting om hun medebestuurders volledig en tijdig te informeren over alle relevante feiten en ontwikkelingen. De medebestuurders kunnen zich moeilijk disculperen als zij geen actieve houding hebben aangenomen ten aanzien van informatievergaring.
Oplossing: Implementeer formele rapportageverplichtingen waarbij elke bestuurder periodiek schriftelijk verslag doet over zijn portefeuille. Documenteer bestuursvergaderingen zorgvuldig en leg vast welke informatie wanneer is gedeeld. Een bestuursreglement dat minimumvereisten voor informatiedeling bevat, verhaal biedt bij latere discussies over wie wat wist.
Gebrekkige Opvolging van Incidenten
Het nalaten van adequate opvolging wanneer problemen aan het licht komen, kan een zelfstandig ernstig verwijt opleveren. Het is van groot belang dat de orde binnen de organisatie op orde is, zodat incidenten gestructureerd en effectief worden opgevolgd. Bestuurders hebben de verplichtingen om incidenten tijdig en correct op te volgen en hun wettelijke en contractuele verplichtingen na te komen. Dit betreft met name situaties waarin material weaknesses in de bedrijfsvoering worden geconstateerd maar niet worden geadresseerd.
Oplossing: Stel escalatieprocedures vast die bepalen hoe incidenten worden onderzocht, gerapporteerd en opgelost. Leg onderzoeksplichten vast en monitor de uitvoering daarvan. Wanneer gebleken is dat een probleem bestaat, documenteer de genomen maatregelen om de rechtspersoon te beschermen tegen toekomstige claims.
Misleidende Risico-communicatie
Onjuiste of onvolledige communicatie over risico’s aan aandeelhouders, commissarissen of andere stakeholders kan eveneens tot aansprakelijkheid leiden. Dit geldt in het bijzonder wanneer risico’s worden gebagatelliseerd of verzwegen. Misleidende communicatie kan ertoe leiden dat de vennootschap of derden benadeeld worden, bijvoorbeeld doordat zij verkeerde beslissingen nemen op basis van onjuiste informatie. Bestuurders hebben de verplichtingen om correcte en volledige informatie te verstrekken en transparant te zijn over relevante risico’s.
Oplossing: Zorg voor correcte risk disclosure in alle relevante documenten en presentaties. Vermijd het rooskleuriger voorstellen van de situatie dan gerechtvaardigd is. Bij twijfel over de materialiteit van een risico, consulteer gespecialiseerd juridisch advies. Transparantie voorkomt latere verwijten over misleiding.
Conclusie en Vervolgstappen
Interne bestuurdersaansprakelijkheid onder artikel 2:9 BW berust op twee pijlers: onbehoorlijke taakvervulling én een ernstig verwijt. Het is van groot belang dat de orde binnen de onderneming op het gebied van systemen en procedures op orde is, zodat risico’s tijdig worden gesignaleerd en beheerst. Bestuurders dienen hun wettelijke en contractuele verplichtingen zorgvuldig na te komen. Onbehoorlijk bestuur kan ertoe leiden dat de vennootschap of derden worden benadeeld, wat kan resulteren in aansprakelijkheid voor de bestuurder. De hoge drempel beschermt bestuurders tegen aansprakelijkheid voor normale zakelijke beslissingen die ongunstig uitpakken, maar biedt geen immuniteit voor evident nalatig of laakbaar handelen.
Collectieve verantwoordelijkheid maakt dat medebestuurders hoofdelijk aansprakelijk kunnen zijn, ook wanneer zij niet direct betrokken waren bij de schadeveroorzakende gedraging. De Hoge Raad heeft bovendien geoordeeld dat de norm voor interne aansprakelijkheid ook geldt wanneer een individuele aandeelhouder een bestuurder aansprakelijk stelt. Disculpatie is mogelijk maar beperkt, vooral bij inherent collegiale taken zoals financieel toezicht.
Concrete actiepunten voor bestuurders:
- Zorg voor adequate administratieve systemen die tijdig betrouwbare informatie genereren
- Documenteer besluitvorming en de informatie waarop beslissingen zijn gebaseerd
- Respecteer statutaire bepalingen en interne goedkeuringsvereisten strikt
- Implementeer formele rapportage- en escalatieprocedures binnen het bestuur
- Overweeg een D&O-verzekering als aanvullende bescherming
Voor verdere verdieping zijn de onderwerpen externe bestuurdersaansprakelijkheid bij faillissement (art. 2:138/248 BW) en aansprakelijkheid op basis van onrechtmatige daad (art. 6:162 BW) relevant. Deze grondslagen kunnen parallel lopen met interne aansprakelijkheid en vereisen elk een eigen analyse.
Aanvullende Bronnen
Relevante rechtspraak:
- HR 10 januari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2243 (Staleman/Van de Ven) — grondleggend arrest over ernstig verwijt-maatstaf; in deze zaak gaat het om de vraag wanneer een bestuurder intern aansprakelijk kan worden gehouden wegens onbehoorlijk bestuur.
- Ondernemingskamer-uitspraken over enquêteprocedures die feitelijke basis kunnen vormen voor artikel 2:9-claims
Corporate Governance Code:
- Bepalingen over risicobeheersing en interne controlesystemen (best practice bepalingen over taak en werkwijze bestuur)
- Aanbevelingen over informatievoorziening tussen bestuur en raad van commissarissen
Praktische hulpmiddelen:
- Checklist bestuursverantwoordelijkheden per vergadering
- Template bestuursreglement met taakverdeling en rapportageverplichtingen
- Procedure voor vastlegging van tegenstrijdig belang-situaties