Een transportbedrijf beginnen: vergunning, eisen en het mobiliteitspakket

Een transportbedrijf beginnen: vergunning, eisen en het mobiliteitspakket

Gepubliceerd op 6 april 2017 · Laatst bijgewerkt op 6 september 2026

Transportbedrijf nodig? Snelle en veilige oplossingen

Waar u op moet letten bij een transportbedrijf

Iedereen die een transportbedrijf wil beginnen, zal zich bewust moeten zijn van het feit dat dit niet zomaar kan. Voordat men een transportbedrijf kan starten, zal namelijk eerst het nodige papierwerk in orde gemaakt moeten worden. Zo heeft elk bedrijf dat actief is in het beroepsgoederenvervoer over de weg, dat wil zeggen elk bedrijf dat tegen betaling goederen (over de weg) vervoert in opdracht van derden, een Eurovergunning nodig op het moment dat dit vervoer plaatsvindt met voertuigen met een laadvermogen van meer dan 500 kg. Om deze Eurovergunning te krijgen, moet er flink wat werk verzet worden. Wat er moet gebeuren? Dat leest u hier.

Vergunning

Om een Eurovergunning te verkrijgen, zal deze aangevraagd moeten worden bij de NIWO (Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie). Zoals in de inleiding aangegeven geldt de vergunningsplicht voor nationaal en internationaal transport met voertuigen met een laadvermogen van meer dan 500 kg. Een transportbedrijf met een vergunning moet ten minste één voertuig hebben, waarvoor ook een vergunningsbewijs moet worden afgegeven.

Met een vergunningsbewijs aan boord mag het voertuig (met een enkele uitzondering) goederen vervoeren binnen de grenzen van de EU. Buiten de EU gelden andere vergunningen (bijvoorbeeld een CEMT-vergunning of aanvullende ritmachtigingen). De Eurovergunning is geldig voor een periode van 5 jaar. Na deze periode kan de vergunning worden verlengd. Afhankelijk van het type transport (bijvoorbeeld transport van gevaarlijke stoffen), is het mogelijk dat er ook nog andere vergunningen nodig zijn.

Voorwaarden

Er zijn vier hoofdvoorwaarden waaraan moet worden voldaan wil men een vergunning kunnen krijgen:

  • Het bedrijf moet in Nederland een reële vestiging hebben, betekenend een werkelijke en duurzame vestiging. Bovendien moet er zoals gezegd sprake zijn van minimaal één voertuig.

 

  • Het bedrijf moet kredietwaardig zijn, inhoudend dat het bedrijf een toereikende hoeveelheid financiële middelen ter beschikking moet hebben om haar opstart en continuïteit te waarborgen. Concreet houdt dit in dat het bedrijfskapitaal (in de vorm van risicodragend vermogen) minimaal 9.000 euro moet omvatten in geval gewerkt wordt met één voertuig. Hier komt een aanvullende 5.000 euro bij per extra voertuig. Als bewijs voor kredietwaardigheid moet er een (openings)balans worden overlegd, eventueel met vermogensopstelling, evenals een verklaring van een accountant (AA of RA), een lid van NOAB of een lid van het Register Belastingadviseurs. Voor deze verklaring gelden enkele specifieke vereisten.

 

  • Bovendien moet degene die de vervoerswerkzaamheden aanstuurt (de vervoersmanager) zijn vakbekwaamheid aantonen door het overleggen van een erkend vakdiploma ‘Ondernemer beroepsgoederenvervoer over de weg’. Voor dit diploma zal men de handen uit de mouwen moeten steken, nu dit diploma pas wordt verkregen door het afleggen en halen van zes examens, georganiseerd door een specifieke tak van het CBR. Niet elke leidinggevende hoeft dit diploma echter te behalen; er geldt een ondergrens van minimaal één leidinggevende. Er gelden bovendien een aantal aanvullende eisen. Zo moet de vervoersmanager woonachtig zijn in de EU. De transportmanager kan de directeur of eigenaar van het bedrijf zijn, maar de functie kan ook worden vervuld door een ‘extern’ persoon (bijvoorbeeld een procuratiehouder of bedrijfsleider), zolang de NIWO maar kan vaststellen dat de vervoersmanager permanent en daadwerkelijk leiding geeft aan de vervoerswerkzaamheden en dat er bovendien een reële band kan worden aangenomen met de onderneming. In geval van een ‘extern’ persoon is er een ‘verklaring inbreng vakbekwaamheid’ nodig.

 

  • De vierde voorwaarde is dat het bedrijf betrouwbaar dient te zijn. Dit kan worden aangetoond met een ‘Verklaring omtrent gedrag (VOG) voor NP en/of RP’. De VOG RP is nodig in het geval de onderneming is gegoten in de vorm van een B.V., V.o.f. of maatschap. De VOG NP is benodigd in het geval er sprake is van een eenmanszaak en/of een externe vervoersmanager. In geval van bestuurders die niet in Nederland woonachtig zijn en die niet in het bezit zijn van de Nederlandse nationaliteit moet er een aparte VOG NP worden aangevraagd in het land van woonplaats of nationaliteit.

(Overige) afwijzingsgronden

Een Eurovergunning kan worden geweigerd of ingetrokken op het moment dat dit wordt geadviseerd door het Bureau Bibob. Dit kan het geval zijn wanneer er een mogelijkheid bestaat dat de vergunning zal worden gebruikt voor bijvoorbeeld criminele activiteiten.

Aanvraag

De vergunning kan worden aangevraagd via het digitale loket van de NIWO. Het aanvragen van een vergunning kost € 235,-. Het aanvragen van een vergunningsbewijs kost € 28,35. Ook wordt er jaarlijks een bedrag van € 23,70 aan heffing per vergunningsbewijs in rekening gebracht.

De Eurovergunning als voorwaarde

Om in Nederland een transportbedrijf te starten is een Eurovergunning nodig. Deze vergunning kan worden verleend op het moment dat er aan vier voorwaarden is voldaan: er moet sprake zijn van een reële vestiging, het bedrijf moet kredietwaardig zijn, de vervoersmanager moet in het bezit zijn van een diploma ‘Ondernemer beroepsgoederenvervoer over de weg’ en het bedrijf moet betrouwbaar zijn. Een vergunningsaanvraag kan, naast de gevallen waarin er niet wordt voldaan aan bovengenoemde voorwaarden, ook worden afgewezen op het moment dat het risico bestaat dat de vergunning zal worden misbruikt. De kosten voor de aanvraag bedragen € 235,-. Een vergunningsbewijs kost € 28,35.

Bron: www.niwo.nl

Contact

Mocht u na het lezen van dit artikel nog vragen of opmerkingen hebben, voelt u zich dan vrij om contact op te nemen met mr. Ruby van Kersbergen, advocaat bij Law & More via ruby.van.kersbergen@lawandmore.nl of mr. Tom Meevis, advocaat bij Law & More via tom.meevis@lawandmore.nl of bel ons op +31 (0)40-3690680.

 

Wat u in 2026 nodig heeft om te mogen rijden

Voor beroepsgoederenvervoer over de weg heeft u een Eurovergunning nodig, die wordt verleend door de NIWO. De Wet wegvervoer goederen wijst de NIWO daarvoor aan als bevoegde instantie; artikel 2.5 van die wet bevat het kernverbod om zonder geldige communautaire vergunning beroepsvervoer te verrichten. De vergunning geldt maximaal vijf jaar.

De drempel is verlaagd — let hierop met bestelbussen

Sinds 1 januari 2024 is de vergunningplicht in Nederland verruimd: zij geldt voor voertuigen met een toegestane maximummassa van meer dan 2.500 kg, ongeacht laadvermogen (daarnaast blijft de grens van 500 kg laadvermogen bestaan). De grondslag ligt in Verordening (EU) 2020/1055, onderdeel van het Europese mobiliteitspakket.

Dat betekent dat veel zwaardere bestelbussen die vroeger vergunningvrij reden, dat nu niet meer zijn. Voor wie met één busje begint, is dit meestal de belangrijkste ontdekking.

De vier eisen

  1. Vakbekwaamheid: u wijst een vervoersmanager aan met het getuigschrift Vakbekwaamheid Ondernemer beroepsgoederenvervoer over de weg.
  2. Reële vestiging: daadwerkelijke en duurzame economische activiteit vanuit een feitelijke vestiging in Nederland, met inschrijving bij de Kamer van Koophandel op een Nederlands adres. Een postbus volstaat niet.
  3. Kredietwaardigheid: zie hieronder.
  4. Betrouwbaarheid: aangetoond met een verklaring omtrent het gedrag. Artikel 2.8 van de Wet wegvervoer goederen werkt deze eis uit, onder meer met het vereiste van een VOG van niet ouder dan twee maanden.

Het risicodragend vermogen

De NIWO hanteert in 2026 een risicodragend vermogen van € 9.000 voor het eerste voertuig en € 5.000 voor elk volgend voertuig. Met drie voertuigen komt u dus op € 19.000. Dit is een van de eerste dingen om door te rekenen: het gaat om vermogen, niet om omzet of liquiditeit, en het moet blijken uit een door de NIWO geaccepteerde onderbouwing.

Het mobiliteitspakket: vier regels die uw planning raken

  • Terugkeerplicht van het voertuig. Sinds 21 februari 2022 moet elk voertuig ten minste eens per acht weken terugkeren naar de lidstaat van vestiging. Dit hangt samen met de vestigingseis en is geen vrijblijvende richtlijn.
  • Cabotage en cooling-off. Ten hoogste drie cabotageritten binnen zeven dagen, gevolgd door een cooling-off-periode van vier dagen waarin in datzelfde land geen cabotage mag worden verricht. Wie een vaste klant in het buitenland bedient, moet dit in de planning verwerken.
  • Detachering van chauffeurs. Chauffeurs hebben recht op het minimumloon en de arbeidsvoorwaarden van het land waar zij werken. Dat verhoogt de kostprijs van internationale ritten en vraagt om een deugdelijke urenadministratie.
  • Rij- en rusttijden. Sinds 2020 gelden aangescherpte regels over cabinerust en over het thuis kunnen doorbrengen van de wekelijkse rust.

De slimme tachograaf: nieuw sinds juli 2026

Dit is het meest actuele punt en het raakt precies de startende ondernemer met bestelbussen. De slimme tachograaf van de tweede generatie is sinds 21 augustus 2023 verplicht voor alle nieuw op kenteken gezette voertuigen die een tachograaf nodig hebben.

Sinds 1 juli 2026 geldt die verplichting bovendien voor bedrijfsvoertuigen met een toegestane maximummassa van meer dan 2.500 kg — aanhangwagen of oplegger meegerekend — voor zover die internationaal goederenvervoer of cabotage verrichten. Rijdt u met een busje net boven de 2,5 ton de grens over, dan is dit sinds kort een harde eis en geen aanbeveling.

Reken deze investering mee in uw startbegroting, naast de vergunning, het vakdiploma en het risicodragend vermogen. Het zijn juist deze stapelende verplichtingen die een transportonderneming duurder maken om te starten dan de aanschaf van het eerste voertuig doet vermoeden.

Juridische hulp nodig?

Neem contact op met Law & More voor deskundig advies over uw juridische zaken. Ons meertalige team staat klaar om u te helpen.