Na een staandehouding op verdenking van rijden onder invloed volgt doorgaans meteen een ademonderzoek, kan het rijbewijs ter plekke worden ingevorderd en ontvangt u een proces-verbaal voor het Openbaar Ministerie. Ook kan de politie de zaak melden aan het CBR, wat een apart traject over uw rijgeschiktheid in gang zet. Een advocaat verkeersstrafrecht beoordeelt vanaf het eerste contact of het onderzoek en de invordering volgens de wettelijke waarborgen zijn verlopen, licht toe welke stappen in het strafdossier en bij het CBR te verwachten zijn en behartigt uw belangen richting politie, Openbaar Ministerie, rechter en CBR.
Wat de wet verbiedt en welke grenswaarden gelden
Het uitgangspunt staat in artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994). Het eerste lid verbiedt in algemene zin het besturen van een voertuig onder invloed van een stof die de rijvaardigheid zodanig kan verminderen dat behoorlijk besturen niet meer mogelijk is. Voor alcohol is dit geconcretiseerd in het tweede lid: rijden is verboden wanneer het ademalcoholgehalte hoger is dan 220 microgram per liter uitgeademde lucht, of het bloedalcoholgehalte hoger is dan 0,5 milligram per milliliter bloed.
Voor beginnende bestuurders gelden lagere grenzen. Artikel 8 lid 3 WVW 1994 stelt de grens op 88 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht, respectievelijk 0,2 milligram alcohol per milliliter bloed, voor wie nog geen zeven jaar een rijbewijs categorie AM of T heeft (behaald vóór de achttiende verjaardag), of nog geen vijf jaar enig ander rijbewijs. Lid 4 verklaart deze lagere grens ook van toepassing op wie zonder geldig rijbewijs een motorrijtuig bestuurt waarvoor een rijbewijs vereist is.
Artikel 8 WVW 1994 beperkt zich niet tot alcohol. Lid 5 verbiedt rijden na gebruik van bij algemene maatregel van bestuur aangewezen stoffen, zoals bepaalde drugs, wanneer het gemeten gehalte in het bloed boven de daarvoor vastgestelde grenswaarde uitkomt; bij combinatie van meerdere aangewezen stoffen, of van een aangewezen stof met alcohol, gelden aangepaste, lagere grenswaarden. Lid 6 maakt het bovendien strafbaar iemand te laten rijden terwijl u weet of redelijkerwijs moet weten dat die persoon in zo’n toestand verkeert.
Het ademonderzoek en het bloedonderzoek
Artikel 163 WVW 1994 regelt hoe het onderzoek naar het alcoholgehalte verloopt. Bij verdenking van een overtreding van artikel 8 kan een opsporingsambtenaar bevelen mee te werken aan een ademonderzoek; de bestuurder moet dan in het testapparaat blazen en de aanwijzingen van de ambtenaar opvolgen. Deze verplichting geldt niet voor wie aannemelijk maakt dat meewerken om bijzondere medische redenen onwenselijk is, en evenmin wanneer het ademonderzoek om andere redenen niet mogelijk blijkt.
In die situaties, en bij een vermoeden van drugsgebruik, kan aan de bestuurder worden gevraagd toestemming te geven voor een bloedonderzoek. Wordt die toestemming niet gegeven, dan kan de officier van justitie, een hulpofficier van justitie of een daartoe aangewezen politieambtenaar bevelen dat de bestuurder zich aan een bloedonderzoek onderwerpt; een arts of verpleegkundige neemt dan het bloed af. De wet biedt hierbij een uitdrukkelijke waarborg: recht op een tegenonderzoek. Dezelfde regels gelden op grond van artikel 163 lid 9 WVW 1994 voor de begeleider bij begeleid rijden. Een advocaat controleert of het bevel op de juiste grond en door de bevoegde functionaris is gegeven en of de onderzoeksprocedure is gevolgd zoals de wet voorschrijft.
Invordering en inhouding van het rijbewijs
Artikel 164 WVW 1994 geeft de bevoegdheid tot invordering van het rijbewijs. Bij een proces-verbaal wegens overtreding van artikel 8, waarbij het onderzoek een overschrijding van de grenswaarde laat zien of, bij het ontbreken van een onderzoek, een ernstig vermoeden daarvan bestaat, is de bestuurder verplicht het rijbewijs op eerste vordering af te geven. De ingevorderde bewijzen gaan onverwijld naar de officier van justitie, die in de door de wet aangewezen gevallen bevoegd is het rijbewijs onder zich te houden totdat de strafzaak is afgerond of, bij een opgelegde ontzegging van de rijbevoegdheid, tot het moment waarop die ontzegging ingaat.
Daar staat een waarborg tegenover: het rijbewijs wordt teruggegeven als het onderzoek op de zitting niet binnen zes maanden na de invordering is begonnen, of als binnen die termijn geen strafbeschikking is uitgevaardigd, tenzij op het rijbewijs op grond van een ander artikel al een inleveringsplicht rust, zoals bij een vordering van het CBR op grond van artikel 130 lid 2 WVW 1994. Bent u uw rijbewijs kwijtgeraakt na een invordering, dan leest u op de pagina over een ingevorderd rijbewijs meer over de te volgen stappen. Een advocaat beoordeelt of de invordering op de juiste grond is gebeurd en of het rijbewijs terecht onder de officier van justitie blijft, en kan namens u om teruggave verzoeken.
Twee gescheiden trajecten: de strafzaak en het onderzoek van het CBR
Rijden onder invloed kan tot twee onafhankelijke procedures leiden die naast elkaar lopen. Enerzijds is er de strafzaak bij het Openbaar Ministerie en, als de zaak voorkomt, de strafrechter. Anderzijds kan de politie op grond van artikel 130 WVW 1994 een schriftelijke mededeling aan het CBR doen wanneer het vermoeden bestaat dat u niet langer over de vereiste rijvaardigheid of geschiktheid beschikt. Dit CBR-traject staat los van de strafzaak en kent een eigen procedure en eigen termijnen.
Na een mededeling van de politie beslist het CBR op grond van artikel 131 WVW 1994, in de gevallen die de regelgeving aanwijst, binnen vier weken tot het opleggen van een educatieve maatregel ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid, of tot een onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid; in bepaalde gevallen wordt de geldigheid van het rijbewijs bij dat besluit geschorst. Artikel 132 WVW 1994 verplicht tot medewerking aan de opgelegde maatregel; blijft die medewerking uit, dan besluit het CBR zonder verder uitstel tot ongeldigverklaring van het rijbewijs. Meer over dit traject leest u op de pagina over het CBR-onderzoek.
In de strafzaak zelf kan de rechter bij een veroordeling wegens onder meer overtreding van artikel 8 of artikel 163 WVW 1994, op grond van artikel 179 WVW 1994, de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen ontzeggen. Dit is een bevoegdheid van de rechter, te beoordelen aan de hand van de omstandigheden van de zaak.
Wat een advocaat per fase doet
Het strafrechtelijke traject, de invordering van het rijbewijs en het CBR-onderzoek lopen vaak gelijktijdig, elk met eigen regels en termijnen. Een advocaat verkeersstrafrecht ondersteunt in elke fase:
- Direct na de aanhouding: beoordeling of het ademonderzoek of bloedonderzoek en het bevel daartoe volgens artikel 163 WVW 1994 zijn verlopen.
- Bij de invordering: toetsing of het rijbewijs op de juiste grondslag is ingevorderd en, waar mogelijk, een verzoek tot teruggave.
- In het opsporingsonderzoek: inzage en beoordeling van het dossier, waaronder het proces-verbaal.
- Bij het CBR-traject: advies over de mededeling en de opgelegde maatregel, naast en los van de strafzaak.
- Bij de zitting: voorbereiding en bijstand tijdens de behandeling van de strafzaak.
Voor een toelichting op de aanpak van verkeersstrafzaken in bredere zin verwijzen wij naar de pagina van onze advocaat verkeersstrafrecht.
Contact
Bent u aangehouden voor rijden onder invloed, is uw rijbewijs ingevorderd of heeft u een mededeling van het CBR ontvangen, dan denken wij graag met u mee. Law & More B.V. is gevestigd in Eindhoven, met een bezoeklocatie in Amsterdam. Neem contact op via 040 – 369 06 80 of info@lawandmore.nl.