Het dwangakkoord: Instemmen of niet?

Een schuldenaar die zijn openstaande vorderingen niet meer kan betalen, heeft een aantal mogelijkheden. Hij kan zijn eigen faillissement aanvragen of verzoeken om toelating tot de wettelijke schuldsanering. Ook een schuldeiser kan het faillissement van zijn schuldenaar aanvragen. Voordat een schuldenaar tot de WSNP (Wet schuldsanering natuurlijke personen) kan worden toegelaten, zal hij een minnelijk traject moeten doorlopen. In dit traject wordt geprobeerd een minnelijke regeling te treffen met alle schuldeisers. Wanneer een of meer schuldeisers niet akkoord gaan, kan de schuldenaar aan de rechter vragen om de weigerende schuldeisers te dwingen alsnog in te stemmen met de regeling.

Het dwangakkoord: Instemmen of niet?

Dwangakkoord

Het dwangakkoord is geregeld in artikel 287a Faillissementswet (Fw). De schuldeiser moet het verzoek om een dwangakkoord tegelijkertijd met het verzoek om toelating tot de WSNP indienen bij de rechtbank. Vervolgens worden alle weigerende schuldeisers opgeroepen voor de zitting. U mag dan een schriftelijk verweerschrift indienen of u kunt uw verweer tijdens de zitting voeren. De rechter zal beoordelen of u redelijkerwijze tot de weigering van de minnelijke regeling heeft mogen komen. Daarbij wordt de onevenredigheid tussen het belang dat u heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van de schuldenaar of van de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad, in aanmerking genomen. Indien de rechter van oordeel is dat u in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, dan wordt het verzoek tot het opleggen van een dwangakkoord toegewezen. U dient dan akkoord te gaan met de aangeboden regeling en zult dan genoegen moeten nemen met een gedeeltelijke afbetaling van de vordering. Daarnaast wordt u als weigerende schuldeiser in de kosten van het geding veroordeeld. Als het dwangakkoord niet opgelegd wordt, zal beoordeeld worden of uw schuldenaar tot de schuldsanering kan worden toegelaten, althans zolang de schuldenaar het verzoek handhaaft.

Moet u als schuldeiser akkoord gaan?

Het uitgangspunt is dat u recht heeft op volledige betaling van uw vordering. U hoeft in beginsel dan ook niet akkoord te gaan met een gedeeltelijke betaling of een (minnelijke) betalingsregeling.

De rechter zal bij de beoordeling van het verzoek met verschillende feiten en omstandigheden rekening houden. De rechter zal vaak toetsen aan de volgende aspecten:

  • is er sprake van een goed en betrouwbaar gedocumenteerd voorstel;
  • is het saneringsvoorstel getoetst door een onafhankelijke en deskundige partij (bijvoorbeeld door een gemeentelijke kredietbank);
  • is voldoende duidelijk gemaakt dat het aanbod het uiterste is waartoe de schuldenaar financieel in staat moet worden geacht;
  • biedt het alternatief van faillissement of schuldsanering enig uitzicht voor de schuldenaar;
  • biedt het alternatief van faillissement of schuldsanering enig uitzicht voor de schuldeiser: hoe groot is de kans dat de weigerende schuldeiser dan evenveel of meer zal ontvangen;
  • is aannemelijk dat gedwongen medewerking aan een schuldregeling voor de schuldeiser concurrentieverstorend werkt;
  • bestaat er precedentwerking voor vergelijkbare gevallen;
  • wat is de zwaarte van het financiële belang dat de schuldeiser heeft bij volledige nakoming;
  • hoe groot is het aandeel van de weigerende schuldeiser in de totale schuldenlast;
  • staat de weigerende schuldeiser alleen naast de overige met de schuldregeling instemmende schuldeisers;
  • is er eerder een minnelijke of een gedwongen schuldregeling geweest die niet naar behoren is nagekomen. [1]

Om te verduidelijken hoe de rechter een afweging maakt, wordt hier een voorbeeld gegeven. In de zaak, die speelde bij het Gerechtshof in Den Bosch [2], werd er geoordeeld dat het aanbod zoals dat door de schuldenaar in het kader van een minnelijke regeling aan haar schuldeisers was gedaan, niet kon worden beschouwd als het uiterste waartoe hij financieel redelijkerwijs in staat moest worden geacht. Daarbij was van belang dat de schuldenaar nog relatief jong was (25 jaar) en mede vanwege die leeftijd beschikte over een in beginsel grote potentiële verdiencapaciteit. Zij zou ook op korte termijn een werkstage vervullen. In die situatie lag het in de lijn der verwachting dat de schuldenaar een betaalde baan zou kunnen vinden. De reële arbeidsverwachtingen waren in de aangeboden regeling niet meegenomen. Daardoor kon tevens niet goed vastgesteld worden wat de weg van de wettelijke schuldsanering voor uitkomsten zou bieden. Verder betrof de schuld van de weigerende schuldeiser, DUO, een groot aandeel van de totale schuldenlast. Het gerechtshof was van oordeel dat DUO in redelijkheid mocht weigeren in te stemmen met de minnelijke regeling.

Dit voorbeeld is slechts ter illustratie. Er waren nog andere omstandigheden die meespeelden. Of een schuldeiser mag weigeren akkoord te gaan met de minnelijke regeling verschilt per zaak. Het is afhankelijk van de specifieke feiten en omstandigheden. Wordt u geconfronteerd met een dwangakkoord? Neem dan contact op met een van de advocaten van Law & More. Zij kunnen voor u een verweerschrift opstellen en u bijstaan tijdens een zitting.

 

[1] Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 9 juli 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:2101.

[2] Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 12 april 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:1583.

Share