De enquêteprocedure bij de Ondernemingskamer: drempels, kosten en voorzieningen

Enquêteprocedure Ondernemingskamer: Uw opties

Gepubliceerd op 13 november 2020 · Laatst bijgewerkt op 7 september 2026

Indien er geschillen zijn ontstaan binnen uw onderneming die niet intern kunnen worden opgelost is een procedure bij de Ondernemingskamer wellicht een geschikt middel om deze op te lossen. Een dergelijke procedure wordt een enquêteprocedure genoemd. Hierin wordt de Ondernemingskamer verzocht om een onderzoek in te stellen naar het beleid en de gang van zaken binnen een rechtspersoon. Dit artikel zal kort ingaan op de enquêteprocedure en wat u hiervan kunt verwachten.

Wie mag een enquête verzoeken, en wat kost het

De enquêteprocedure is een van de scherpste instrumenten van het ondernemingsrecht, maar niet iedereen komt erin. De ontvankelijkheidsdrempels van artikel 2:346 van het Burgerlijk Wetboek bepalen wie een verzoek kan indienen, en die drempels zijn per 1 januari 2025 gewijzigd.

De kapitaaldrempels

VennootschapVereist belang
Geplaatst kapitaal van ten hoogste € 22,5 miljoenten minste een tiende van het geplaatste kapitaal, óf aandelen of certificaten met een nominale waarde van € 225.000
Geplaatst kapitaal van meer dan € 22,5 miljoenten minste een honderdste van het geplaatste kapitaal
Beursgenoteerde vennootschap, ongeacht de omvang van het kapitaalten minste een honderdste van het geplaatste kapitaal, óf een beurswaarde van ten minste € 20 miljoen op de laatste handelsdag vóór indiening

De statuten kunnen een lagere drempel bepalen. Voor verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen geldt een eigen norm: driehonderd leden, of een tiende van het ledental, of leden die samen een tiende van de stemmen kunnen uitbrengen.

Wat er in 2025 veranderde

Tot en met 2024 stond het criterium van € 20 miljoen beurswaarde uitsluitend in de categorie voor vennootschappen met een geplaatst kapitaal boven € 22,5 miljoen. Een beursvennootschap met een klein geplaatst kapitaal viel daardoor onder de zware toets van tien procent of € 225.000 — een uitkomst die de Ondernemingskamer zelf al als knelpunt had gesignaleerd. Sinds 1 januari 2025 vormen beursgenoteerde vennootschappen een eigen categorie, losgekoppeld van de kapitaalgrens. De bedragen en percentages zelf zijn niet gewijzigd; die dateren uit 2013.

Wie nog meer bevoegd zijn

Naast aandeelhouders en certificaathouders kunnen ook de rechtspersoon zelf een verzoek doen — namens hem ook de raad van commissarissen of, bij een monistisch bestuur, de niet-uitvoerende bestuurders — en de curator bij faillissement. Voor de curator geldt de eis van artikel 2:349 van het Burgerlijk Wetboek niet: hij hoeft zijn bezwaren niet eerst schriftelijk kenbaar te maken.

Artikel 2:347 van het Burgerlijk Wetboek geeft de bevoegdheid aan een vakbond die leden in de onderneming heeft, ten minste twee jaar volledige rechtsbevoegdheid bezit en blijkens haar statuten de belangen van haar leden als werknemers behartigt. Een vakbond moet wel eerst de ondernemingsraad in de gelegenheid stellen zijn oordeel te geven. En op grond van artikel 2:345 kan de advocaat-generaal bij het ressortsparket om redenen van openbaar belang een enquête verzoeken; hij kan daarbij vooraf deskundigen inlichtingen laten inwinnen, waaraan de rechtspersoon moet meewerken.

De griffierechten in 2026

De Ondernemingskamer maakt deel uit van het gerechtshof Amsterdam, dus gelden de hoftarieven. Een enquêteverzoek is een verzoek van onbepaalde waarde. Voor verzoekschriften die op of na 1 januari 2026 worden ingediend, betekent dat € 851 voor rechtspersonen en € 373 voor natuurlijke personen. Ter vergelijking: in 2025 was dat € 827 respectievelijk € 362.

Twee praktische punten. Worden een enquêteverzoek, een verzoek om onmiddellijke voorzieningen en bijvoorbeeld een uittredings- of uitstotingsverzoek in één verzoekschrift gecombineerd, dan wordt eenmaal griffierecht geheven. En ook de verweerder die een verweerschrift indient, betaalt griffierecht. Een vennootschap onder firma, maatschap of commanditaire vennootschap valt onder het tarief voor niet-natuurlijke personen.

Onmiddellijke voorzieningen

De praktische waarde van de enquêteprocedure zit vaak niet in het onderzoek zelf, maar in wat de Ondernemingskamer hangende de procedure kan bevelen. Artikel 2:349a van het Burgerlijk Wetboek geeft haar de bevoegdheid om in elke stand van het geding een onmiddellijke voorziening te treffen voor ten hoogste de duur van het geding, wanneer dat vereist is in verband met de toestand van de rechtspersoon of in het belang van het onderzoek.

Is nog geen onderzoek gelast, dan geldt een drempel: er moeten naar het voorlopig oordeel van de Ondernemingskamer gegronde redenen zijn om aan een juist beleid te twijfelen. Zij beslist daarna binnen een redelijke termijn op het enquêteverzoek zelf.

Welke voorzieningen mogelijk zijn, staat niet in artikel 2:349a maar volgt uit de catalogus van artikel 2:356: schorsing of vernietiging van een besluit, schorsing of ontslag van bestuurders of commissarissen, tijdelijke aanstelling van bestuurders of commissarissen, tijdelijke afwijking van statutaire bepalingen, tijdelijke overdracht van aandelen ten titel van beheer, en ontbinding van de rechtspersoon.

Cruciaal is echter dat die opsomming voor onmiddellijke voorzieningen niet limitatief is. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat artikel 2:349a een ruimere bevoegdheid geeft dan artikel 2:356, omdat die voorzieningen het karakter van een ordemaatregel hebben. De Ondernemingskamer mag daarbij zo nodig afwijken van wettelijke en statutaire bepalingen, mits dat noodzakelijk is en na een billijke afweging van belangen. Dat maakt het instrument bij een acuut conflict zeer effectief.

Artikel 2:357 vult dat aan: de Ondernemingskamer bepaalt de geldingsduur van een tijdelijke voorziening en kan die verlengen of verkorten, en een door haar getroffen voorziening kan de rechtspersoon niet zelf ongedaan maken — een besluit daartoe is nietig.

Ontvankelijkheid in de enquêteprocedure

Een enquêteverzoek kan niet door iedereen worden ingediend. Het belang van de verzoeker moet groot genoeg zijn dat de toegang tot de enquêteprocedure en daarmee het ingrijpen van de Ondernemingskamer gerechtvaardigd is. Daarom zijn degenen die hiertoe bevoegd zijn met de daarvoor relevante vereisten limitatief opgesomd in de wet:

  • Aandeelhouders en certificaathouders van de N.V. en B.V. De wet maakt hierin een onderscheid tussen N.V.’s en B.V.’s met een kapitaal van maximaal €22,5 miljoen of meer. In het eerste geval geldt dat de aandeelhouders en certificaathouders 10% van het geplaatste kapitaal houden. Bij N.V.’s en B.V.’s met een hoger geplaatst kapitaal geldt een drempel van 1% van het geplaatst kapitaal, of indien de aandelen en certificaten zijn toegelaten tot een gereglementeerde markt een minimale koerswaarde van €20 miljoen euro. Een lagere drempel kan overigens ook statutair worden vastgesteld.
  • De rechtspersoon zelf, via het bestuur of de raad van commissarissen, of de curator in het faillissement van de rechtspersoon.
  • Leden van een vereniging, coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij indien zij minimaal 10% van de leden of de stemgerechtigden in de algemene vergadering vertegenwoordigen. Hierbij geldt een maximum van 300 personen.
  • Verenigingen van werknemers, indien de leden van de vereniging werkzaam zijn in de onderneming en de vereniging minimaal twee jaar volledige rechtsbevoegdheid bezit.
  • Andere contractuele of statutaire bevoegden. Hierbij valt te denken aan de ondernemingsraad.

Het is belangrijk dat een enquêtegerechtigde zijn bezwaren over het beleid en de gang van zaken binnen de vennootschap eerst bij het bestuur en de raad van commissarissen kenbaar heeft gemaakt. Wanneer dit niet is gedaan zal de Ondernemingskamer het enquêteverzoek niet in behandeling nemen. De betrokkenen binnen de vennootschap moeten namelijk eerst de gelegenheid hebben gehad om op de bezwaren te reageren alvorens de procedure wordt gestart.

De procedure: twee fases

De procedure vangt aan met het indienen van het verzoekschrift en de gelegenheid voor de betrokken partijen in de vennootschap (bijvoorbeeld de aandeelhouders en het bestuur) hierop te reageren. De Ondernemingskamer zal het enquêteverzoek toewijzen indien voldaan is aan de wettelijke vereisten en er blijkt van ‘gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen’. Hierna gaan de twee fases van de enquêteprocedure van start. In de eerste fase wordt het beleid en de gang van zaken binnen de vennootschap onderzocht. Dit onderzoek wordt verricht door een of meerdere door de Ondernemingskamer aangewezen personen.

De vennootschap, haar bestuurders, commissarissen en (ex-)werknemers dienen mee te werken en moeten toegang verlenen tot de volledige administratie. De kosten van het onderzoek zijn in beginsel voor de vennootschap (of de verzoeker indien de vennootschap deze niet kan dragen). Deze kunnen afhankelijk van de uitslag van het onderzoek op de verzoeker of het bestuur worden verhaald. Op basis van het verslag van het onderzoek kan de Ondernemingskamer in de tweede fase vaststellen dat er sprake is van wanbeleid. In dat geval kan de Ondernemingskamer een aantal verregaande maatregelen nemen.

(Voorlopige) voorzieningen

Gedurende de procedure en (zelfs al voordat de eerste onderzoekende fase van de procedure gestart is) kan de Ondernemingskamer op verzoek van de enquêtegerechtigde voorlopige voorzieningen treffen. Hierin heeft de Ondernemingskamer en grote mate van vrijheid, zolang de voorziening in verband met de toestand van de rechtspersoon of in het belang van het onderzoek gerechtvaardigd is. Indien wanbeleid is vastgesteld kan de Ondernemingskamer ook definitieve voorzieningen treffen. Deze zijn wettelijk vastgelegd en beperken zich tot:

  • schorsing of vernietiging van een besluit van de bestuurders, van commissarissen, van de algemene vergadering of van enig ander orgaan van de rechtspersoon;
  • schorsing of ontslag van een of meer bestuurders of commissarissen;
  • tijdelijke aanstelling van een of meer bestuurders of commissarissen;
  • tijdelijke afwijking van de door de Ondernemingskamer aangegeven bepalingen van de statuten;
  • tijdelijke overdracht van aandelen ten titel van beheer;
  • ontbinding van de rechtspersoon.

Rechtsmiddelen

Tegen een beschikking van de Ondernemingskamer kan slechts een cassatieberoep worden ingesteld. Bevoegd hiertoe zijn degene die bij de Ondernemingskamer zijn verschenen in de procedure, en tevens door de rechtspersoon indien deze niet is verschenen. De termijn voor cassatie is drie maanden. Cassatie heeft geen schorsende werking. Dit heeft tot gevolg dat de beschikking van de Ondernemingskamer in kracht blijft totdat anders wordt beslist door de Hoge Raad. Dit kan tot gevolg hebben dat de beslissing van de Hoge Raad te laat kan zijn doordat de Ondernemingskamer reeds voorzieningen heeft getroffen. Wel kan cassatie nut hebben in verband met aansprakelijkheid van de bestuurders en commissarissen in verband met het door de Ondernemingskamer vastgestelde wanbeleid.

Heeft u te maken met geschillen in een vennootschap en denkt u erover om een enquêteprocedure te starten? Het team van Law & More heeft veel kennis van het ondernemingsrecht. Samen met u kunnen wij de situatie en de mogelijkheden beoordelen. Aan de hand van deze analyse kunnen wij u adviseren met betrekking tot de juiste vervolgstappen. Verder voorzien wij u graag van advies en bijstand tijdens een eventuele procedure (bij de Ondernemingskamer).

Juridische hulp nodig?

Neem contact op met Law & More voor deskundig advies over uw juridische zaken. Ons meertalige team staat klaar om u te helpen.