Gepubliceerd op 2 oktober 2019 · Laatst bijgewerkt op 8 oktober 2026
Als bestuurder van een bv of nv bent u persoonlijk aansprakelijk tegenover derden als het bestuur bij een faillissement zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld (artikelen 2:138 en 2:248 BW), of als u een schuldeiser buiten faillissement onrechtmatig benadeelt (artikel 6:162 BW). U ontloopt die aansprakelijkheid alleen als u aantoont dat het onbehoorlijk bestuur niet aan u te wijten is en dat u niet nalatig bent geweest in het afwenden van de gevolgen.
Steeds meer mensen starten een eigen onderneming. Dat heeft duidelijke voordelen: u bepaalt zelf uw koers, richt uw bedrijf naar eigen inzicht in en profiteert eventueel van fiscale regelingen voor ondernemers. Wat veel (toekomstige) ondernemers onderschatten, is dat ondernemen ook risico’s met zich meebrengt, waaronder het risico van persoonlijke aansprakelijkheid als bestuurder.
Veel ondernemers richten een rechtspersoon op juist om persoonlijke aansprakelijkheid te voorkomen. Dat werkt in de meeste gevallen goed, maar niet altijd: het risico van bestuurdersaansprakelijkheid is altijd aanwezig. In dit artikel leest u wanneer die aansprakelijkheid kan ontstaan, welke bewijslast daarbij geldt en wat u kunt doen om dit risico te beperken.
Inhoudsopgave
Waarom beschermt een rechtspersoon niet altijd tegen aansprakelijkheid?
Een rechtspersoon is een zelfstandige juridische entiteit met eigen rechtspersoonlijkheid. Volgens artikel 2:5 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat een rechtspersoon wat het vermogensrecht betreft gelijk aan een natuurlijk persoon.
Dat betekent dat de rechtspersoon zelf overeenkomsten aangaat, bezittingen en schulden heeft en een rechtszaak kan voeren. Een rechtspersoon bestaat echter alleen op papier. Zij kan niet zelf handelen en moet daarom vertegenwoordigd worden door een natuurlijk persoon.
Wie vertegenwoordigt de rechtspersoon en wat betekent dat voor u?
Het bestuur vertegenwoordigt de rechtspersoon, al kunnen ook andere organen zoals de algemene vergadering van aandeelhouders, een raad van commissarissen of een ondernemingsraad daarbij een rol spelen. Als bestuurder gaat u namens de rechtspersoon rechtshandelingen aan. In beginsel bindt u daarmee de rechtspersoon en niet uzelf.
Op deze hoofdregel bestaan uitzonderingen. Bent u ernstig tekortgeschoten in uw functioneren als bestuurder? Dan kunt u ook persoonlijk aansprakelijk zijn, eventueel naast de rechtspersoon. De wet onderscheidt twee vormen: interne en externe bestuurdersaansprakelijkheid.
Bij interne aansprakelijkheid spreekt de rechtspersoon zelf u aan. Bij externe aansprakelijkheid spreekt een derde u aan, bijvoorbeeld een leverancier, een klant of, na een faillissement, de curator. Hieronder bespreken wij beide vormen en de belangrijkste uitzonderingen.
Wanneer bent u extern aansprakelijk tegenover derden?
Bij externe bestuurdersaansprakelijkheid bent u niet aansprakelijk tegenover de rechtspersoon, maar tegenover derden. De rechtspersoon biedt in dat geval geen bescherming meer: de aansprakelijkheid dringt als het ware door de rechtspersoon heen.
Externe aansprakelijkheid kan ontstaan binnen een faillissement en daarbuiten. De grondslagen zijn onbehoorlijk bestuur op grond van artikel 2:138 BW (N.V.) en artikel 2:248 BW (B.V.) binnen faillissement, en onrechtmatige daad op grond van artikel 6:162 BW buiten faillissement.
Wanneer bent u aansprakelijk na een faillissement van uw onderneming?
Deze vorm van aansprakelijkheid geldt voor de N.V. en de B.V. en vloeit voort uit artikel 2:138 BW respectievelijk artikel 2:248 BW. Zij is aan de orde wanneer de vennootschap failliet is gegaan en schuldeisers met een onbetaalde vordering blijven zitten.
Normaal gesproken is dat een risico dat schuldeisers accepteren wanneer zij een bedrijf krediet geven. Dat ligt anders wanneer het faillissement is veroorzaakt door mismanagement en fouten van het bestuur. Bij een faillietverklaring benoemt de rechtbank altijd een curator.
De curator vertegenwoordigt na het faillissement alle schuldeisers gezamenlijk en moet onderzoeken of er sprake is van bestuurdersaansprakelijkheid. Is dat het geval, dan kan hij de onbetaalde schulden op grond van artikel 2:138 BW of artikel 2:248 BW op u en de andere bestuurders verhalen.
Wat is “kennelijk onbehoorlijk bestuur”?
U bent op grond van artikel 2:138 BW of artikel 2:248 BW aansprakelijk wanneer het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld én het aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak van het faillissement is. In dat geval is elke bestuurder tegenover de boedel hoofdelijk aansprakelijk voor de schulden.
De curator moet dit bewijzen. Hij moet aannemelijk maken dat een redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden niet zo gehandeld zou hebben. De volgende handelingen leveren in beginsel kennelijk onbehoorlijk bestuur op:
- medewerking verlenen aan transacties die schuldeisers benadelen (paulianeuze transacties);
- onrechtmatig vermogen aan de rechtspersoon onttrekken;
- dividend uitkeren in strijd met de statuten, of terwijl dat gezien de toestand van de vennootschap onverantwoord is;
- transacties aangaan zonder daarbij voldoende zekerheid van de wederpartij te vragen en te krijgen;
- verplichtingen aangaan terwijl u redelijkerwijs wist dat de vennootschap deze niet kon nakomen.
In al deze gevallen worden schuldeisers benadeeld door het handelen van het bestuur. De rode draad in de rechtspraak is dat misbruik door bestuurders wordt tegengegaan.
“Hoofdelijk aansprakelijk” betekent dat de curator het volledige tekort van de boedel op elke afzonderlijke bestuurder kan verhalen, niet slechts een evenredig deel. Heeft u meerdere medebestuurders, dan kan de curator er dus voor kiezen om alleen u aan te spreken voor het geheel. Onderling kunt u vervolgens regres nemen op uw medebestuurders voor hun aandeel.
Wat zijn de bewijsvermoedens en waarom zijn die belangrijk?
De wetgever heeft de curator in artikel 2:138 lid 2 BW en artikel 2:248 lid 2 BW enkele hulpmiddelen gegeven om kennelijk onbehoorlijk bestuur aan te tonen: de bewijsvermoedens. Op grond van artikel 2:10 BW moet het bestuur een behoorlijke administratie voeren en op grond van artikel 2:394 BW tijdig een jaarrekening deponeren. Houdt het bestuur zich niet aan deze verplichtingen, dan ontstaat een bewijsvermoeden.
In dat geval wordt vermoed dat het onbehoorlijke bestuur een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest. Het bewijsrisico verschuift dan naar u als bestuurder.
U kunt dit vermoeden weerleggen door aannemelijk te maken dat het faillissement niet aan een onbehoorlijke taakvervulling te wijten is, maar aan andere feiten en omstandigheden. Daaraan worden hoge eisen gesteld. Onbehoorlijk bestuur kan overigens ook bestaan uit nalaten: is het faillissement (mede) van buitenaf veroorzaakt, dan moet u alsnog aantonen dat uw nalaten geen onbehoorlijke taakvervulling oplevert.
Of een verweer slaagt, hangt steeds af van de feiten en omstandigheden van het geval. Let op de termijn: een vordering van de curator wegens kennelijk onbehoorlijke taakvervulling kan op grond van artikel 2:138 lid 6 BW en artikel 2:248 lid 6 BW alleen worden ingesteld voor handelen in de periode van drie jaar voorafgaand aan het faillissement.
Kunt u aansprakelijkheid na een faillissement voorkomen?
Op grond van artikel 2:138 lid 1 BW en artikel 2:248 lid 1 BW is elke bestuurder bij kennelijk onbehoorlijk bestuur hoofdelijk aansprakelijk voor de schulden van de vennootschap. U kunt aan deze hoofdelijke aansprakelijkheid ontsnappen door u te disculperen, net als bij interne aansprakelijkheid. Op grond van artikel 2:138 lid 3 BW en artikel 2:248 lid 3 BW bent u niet aansprakelijk als u bewijst dat de onbehoorlijke taakvervulling niet aan u te wijten is en dat u niet nalatig bent geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden.
De bewijslast van deze disculpatie ligt bij u als bestuurder. Dat blijkt uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad: in een zaak waarin het faillissement volgens het hof was veroorzaakt door te hoge managementvergoedingen die al bestonden toen de bestuurder aantrad, oordeelde het hof dat de curator aannemelijk had moeten maken dat de bestuurder verwijtbaar had gefaald.
De Hoge Raad volgde dat niet: uit artikel 2:248 lid 3 BW blijkt juist dat de bestuurder moet bewijzen dat de onbehoorlijke taakvervulling niet aan hem te wijten is, niet andersom. De bewijslast bij disculpatie binnen faillissement ligt dus duidelijk bij de aangesproken bestuurder.
Kunt u ook aansprakelijk zijn zonder faillissement?
Ja. Naast de interne aansprakelijkheid op grond van artikel 2:9 BW en de externe aansprakelijkheid op grond van artikel 2:138 BW en artikel 2:248 BW, kunt u ook aansprakelijk zijn op grond van onrechtmatige daad. De laatstgenoemde artikelen bieden een specifieke grondslag voor bestuurdersaansprakelijkheid.
Artikel 6:162 BW geeft een algemene grondslag voor bestuurdersaansprakelijkheid: de onrechtmatige daad. Een belangrijk verschil met aansprakelijkheid wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur: die laatste kan alleen door de curator worden ingeroepen, terwijl aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad ook door een individuele schuldeiser kan worden ingeroepen.
De Hoge Raad onderscheidt hierbij twee maatstaven. De eerste is de zogenoemde Beklamelnorm: u bent aansprakelijk als u namens de vennootschap een overeenkomst bent aangegaan met een derde, terwijl u wist of redelijkerwijs behoorde te begrijpen dat de vennootschap haar verplichtingen niet zou kunnen nakomen en geen verhaal zou bieden (Hoge Raad, arrest Beklamel, ECLI:NL:HR:1989:AB9521).
De tweede maatstaf is frustratie van verhaal: u bent aansprakelijk als u zelf heeft veroorzaakt dat de vennootschap een schuldeiser niet betaalt en ook geen verhaal biedt. De vennootschap komt door uw handelen haar betalingsverplichting niet na.
Bij frustratie van verhaal moet uw handelen of nalaten tegenover de schuldeiser zo onzorgvuldig zijn geweest dat u daarvan persoonlijk een verwijt kan worden gemaakt (Hoge Raad, arrest Ontvanger/Roelofsen, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758). De bewijslast ligt bij de schuldeiser: hij moet aantonen dat u wist of redelijkerwijs behoorde te begrijpen dat uw handelen tot gevolg zou hebben dat de vennootschap haar verplichtingen niet zou nakomen. Vanwege deze zware bewijslast slaagt een beroep op deze norm niet snel.
Wanneer bent u intern aansprakelijk tegenover uw eigen onderneming?
Interne aansprakelijkheid vloeit voort uit artikel 2:9 BW. Op grond van dit artikel moet u uw taak als bestuurder op behoorlijke wijze vervullen. Vervult u uw taak onbehoorlijk, dan kan de rechtspersoon zelf u daarvoor persoonlijk aanspreken.
Artikel 2:9 BW geeft geen scherpe omschrijving van “behoorlijke taakvervulling”. Volgens de Hoge Raad is sprake van onbehoorlijk bestuur wanneer u een ernstig verwijt kan worden gemaakt; dit criterium is inmiddels ook in de tekst van artikel 2:9 BW zelf opgenomen. U bent aansprakelijk voor onbehoorlijk bestuur, tenzij u geen ernstig verwijt treft en u niet nalatig bent geweest in het nemen van maatregelen om onbehoorlijk bestuur te voorkomen.
Wanneer is sprake van een ernstig verwijt? Dat wordt beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval. In elk geval spelen de volgende omstandigheden een rol:
- de aard van de uitgeoefende activiteiten;
- de daaruit voortvloeiende risico’s;
- de taakverdeling binnen het bestuur;
- de eventueel voor het bestuur geldende richtlijnen;
- de gegevens waarover u beschikte of behoorde te beschikken bij uw beslissingen of gedragingen;
- het inzicht en de zorgvuldigheid die van een bestuurder mogen worden verwacht (Hoge Raad, arrest Staleman/Van de Ven, ECLI:NL:HR:1997:ZC2243).
Handelen in strijd met de statuten van de rechtspersoon geldt als een zwaarwegende omstandigheid: in dat geval wordt bestuurdersaansprakelijkheid in beginsel aangenomen (Hoge Raad, arrest Berghuizer Papierfabriek, ECLI:NL:HR:2002:AE7011). U kunt dit weerleggen met feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat het handelen in strijd met de statuten in uw geval geen ernstig verwijt oplevert; de rechter moet die feiten en omstandigheden dan uitdrukkelijk meewegen. Ook de volgende handelingen leveren doorgaans onbehoorlijke taakvervulling op:
- middelen aan de rechtspersoon onttrekken alsof het uw privévermogen is;
- privézaken vermengen met de zaken van de rechtspersoon, de vennootschap concurrentie aandoen, of het belang van de vennootschap ondergeschikt maken aan privébelangen of belangen van anderen;
- de rechtspersoon onbevoegd aan derden verbinden;
- onnodig grote financiële risico’s nemen, beslissingen met verstrekkende financiële gevolgen nemen zonder behoorlijke voorbereiding, of transacties aangaan die de financiële draagkracht van de rechtspersoon duidelijk te boven gaan, bijvoorbeeld door onverantwoorde hoofdelijke aansprakelijkheidsstellingen;
- onderkapitalisatie of een slechte verhouding tussen eigen en vreemd vermogen niet voorkomen of tegengaan, en kredietbewaking verwaarlozen;
- de gebruikelijke verzekeringen niet afsluiten.
Zijn alle bestuurders samen aansprakelijk, of alleen degene die de fout maakte?
Bij onbehoorlijk bestuur op grond van artikel 2:9 BW zijn in beginsel alle bestuurders hoofdelijk aansprakelijk, ongeacht wie binnen het bestuur welke rol had. De wet spreekt van hoofdelijke aansprakelijkheid voor onbehoorlijk bestuur; ernstige verwijtbaarheid wordt het hele bestuur dus collectief aangerekend.
Op deze regel bestaat een uitzondering: disculpatie, oftewel verontschuldiging. Uit artikel 2:9 lid 2 BW blijkt dat interne disculpatie uit twee onderdelen bestaat. U moet aantonen dat de tekortkoming niet aan u te wijten is, én dat u niet nalatig bent geweest in het treffen van maatregelen om het onbehoorlijke bestuur te voorkomen.
Hoe onderbouwt u een succesvol beroep op disculpatie?
Een succesvol beroep op disculpatie is niet eenvoudig, vanwege het beginsel van collegiaal bestuur. Heeft u alleen geprotesteerd tegen het gevoerde beleid? Dan wordt disculpatie doorgaans niet aangenomen. Van bestuurders wordt verwacht dat zij geen besluiten nemen waar zij niet achter staan, en dat zij alles doen om de gevolgen van onbehoorlijk bestuur zoveel mogelijk te beperken. De bewijslast hiervan ligt bij u.
Leg daarom schriftelijk vast dat u heeft gewaarschuwd voor mogelijke negatieve gevolgen, en welke maatregelen u heeft genomen om die gevolgen te voorkomen. Wordt u door uw medebestuurders niet gehoord, dan kan het nemen van ontslag noodzakelijk zijn om aansprakelijkheid te voorkomen.
Beschermt een eigen taakverdeling binnen het bestuur u tegen aansprakelijkheid?
Niet automatisch. Een taakverdeling binnen het bestuur kan relevant zijn voor de vraag of u persoonlijk aansprakelijk bent, maar u kunt zich niet zomaar disculperen enkel omdat u toevallig andere taken had dan de taken die onbehoorlijk werden uitgevoerd. Van u wordt verwacht dat u op de hoogte bent van alle feiten en omstandigheden die van belang zijn voor besluiten over de kerntaken van de organisatie.
Sommige taken, zoals de financiën, worden gezien als taken die het hele bestuur aangaan. Een onderlinge taakverdeling verandert daar niets aan. Bent u voor bepaalde informatie afhankelijk van uw medebestuurders? Stel u dan kritisch op en vraag actief om details over de feiten en omstandigheden. Onkunde is in beginsel geen disculpatiegrond.
Van bestuurders wordt verwacht dat zij zich goed laten voorlichten en doorvragen naar informatie. In uitzonderlijke gevallen kan dat niet van een bestuurder worden verlangd; dan kan disculpatie wel worden aangenomen. Of een beroep op disculpatie slaagt, hangt dus grotendeels af van de feiten en omstandigheden van uw geval.
Bent u ook aansprakelijk als een rechtspersoon uw medebestuurder is?
In Nederland kan zowel een natuurlijke persoon als een rechtspersoon bestuurder van een rechtspersoon zijn. Dat betekent niet dat u persoonlijke aansprakelijkheid kunt omzeilen door een rechtspersoon tot bestuurder te maken: artikel 2:11 BW maakt dat onmogelijk. Is een rechtspersoon-bestuurder aansprakelijk, dan rust die aansprakelijkheid ook op de natuurlijke personen die op dat moment bestuurder van die rechtspersoon-bestuurder waren.
Het gaat daarbij om de personen die bestuurder van de rechtspersoon-bestuurder waren op het moment dat de aansprakelijkheid ontstond. Aansprakelijkheid van de rechtspersoon-bestuurder is op grond van artikel 2:11 BW een voorwaarde voor aansprakelijkheid van de natuurlijke bestuurders daarachter.
Geldt dit ook als de grondslag onrechtmatige daad is?
Artikel 2:11 BW is zonder discussie van toepassing wanneer bestuurdersaansprakelijkheid wordt aangenomen op grond van artikel 2:9 BW, artikel 2:138 BW of artikel 2:248 BW: dit zijn specifieke aansprakelijkheidsgrondslagen. Aansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW is een algemene grondslag. Lange tijd bestond discussie of artikel 2:11 BW ook van toepassing is bij bestuurdersaansprakelijkheid uit onrechtmatige daad.
De Hoge Raad heeft in 2017 beslist dat dit inderdaad het geval is, onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis (Hoge Raad, ECLI:NL:HR:2017:275). Artikel 2:11 BW moet voorkomen dat een natuurlijk persoon zich achter een rechtspersoon-bestuurder verschuilt om aansprakelijkheid te ontlopen. Het artikel is daarom van toepassing op alle gevallen waarin een rechtspersoon-bestuurder wettelijk aansprakelijk is.
Dat geldt dus ook bij bestuurdersaansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad. Daarbij geldt niet de aanvullende eis dat de natuurlijke bestuurder van de rechtspersoon-bestuurder ook persoonlijk een ernstig verwijt treft: aansprakelijkheid van de rechtspersoon-bestuurder is daarvoor voldoende grondslag.
U kunt aansprakelijkheid wel afwenden door te stellen, en zo nodig te bewijzen, dat u persoonlijk geen ernstig verwijt treft van de gedragingen waarop de aansprakelijkheid van de rechtspersoon-bestuurder is gebaseerd. In feite disculpeert u zich dan als bestuurder van de rechtspersoon-bestuurder. Bestuurdersaansprakelijkheid voor natuurlijke bestuurders achter een rechtspersoon-bestuurder kan dus worden aangenomen bij alle wettelijke vormen van bestuurdersaansprakelijkheid.
Beschermt décharge u tegen aansprakelijkheid?
Gedeeltelijk. Décharge houdt in dat de vennootschap het door u gevoerde beleid tot op het moment van décharge goedkeurt: een ontheffing van (interne) aansprakelijkheid. Décharge is geen wettelijk begrip, maar staat wel in vrijwel alle statuten. Binnen een vennootschap verleent de algemene vergadering van aandeelhouders décharge.
Bij een vereniging doet de algemene ledenvergadering dat. Décharge is een intern ontslag van aansprakelijkheid en heeft dus alleen betrekking op de interne aansprakelijkheid van bestuurders. Derden kunnen u nog steeds op de eerdergenoemde gronden aansprakelijk stellen: artikel 2:138 lid 6 BW en artikel 2:248 lid 6 BW bepalen uitdrukkelijk dat een verleende décharge het instellen van een vordering niet in de weg staat.
Biedt décharge volledige zekerheid?
Nee. Décharge heeft alleen betrekking op feiten en omstandigheden die op het moment van de déchargeverlening bekend waren bij de aandeelhouders, bijvoorbeeld uit de jaarstukken of via een expliciete mededeling aan de vergadering (Hoge Raad, arrest Staleman/Van de Ven, ECLI:NL:HR:1997:ZC2243). Komen achteraf onbekende feiten aan het licht, dan geldt daarvoor geen décharge.
Décharge moet bovendien als apart agendapunt op de algemene vergadering worden behandeld en expliciet worden verleend; dit blijkt uit artikel 2:49 lid 3 BW, artikel 2:101 lid 3 BW en artikel 2:211 lid 3 BW. Décharge biedt dus geen volledige garantie: zij wendt externe bestuurdersaansprakelijkheid niet af, en geldt alleen voor feiten die bekend waren bij het orgaan dat haar heeft verleend.
Wat kunt u doen om bestuurdersaansprakelijkheid te voorkomen?
U kunt het risico op bestuurdersaansprakelijkheid niet volledig uitsluiten, maar wel aanzienlijk beperken. De belangrijkste maatregelen volgen rechtstreeks uit de hierboven besproken regels.
Houd uw administratie en jaarrekening op orde
Voer een behoorlijke administratie (artikel 2:10 BW) en deponeer de jaarrekening tijdig (artikel 2:394 BW). Doet u dit niet, dan ontstaat het wettelijke bewijsvermoeden dat onbehoorlijk bestuur een belangrijke oorzaak van een eventueel faillissement is geweest, en verschuift de bewijslast naar u.
Leg belangrijke beslissingen en waarschuwingen schriftelijk vast
Twijfelt u aan een voorgenomen besluit, of ziet u financiële risico’s? Leg uw bezwaren en de maatregelen die u voorstelt schriftelijk vast, bijvoorbeeld in de notulen van een bestuursvergadering. Dit is vaak doorslaggevend bij een succesvol beroep op disculpatie.
Vraag actief door bij een taakverdeling
Heeft u binnen het bestuur een eigen taakgebied? Blijf u toch informeren over kerntaken zoals de financiën, en vraag uw medebestuurders om onderbouwing van hun beslissingen. Onkunde of onwetendheid is in beginsel geen geldige disculpatiegrond.
Ga zorgvuldig om met verplichtingen die de vennootschap mogelijk niet kan nakomen
Ga geen verplichtingen aan namens de vennootschap als u weet, of redelijkerwijs behoort te weten, dat de vennootschap deze niet kan nakomen. Dit is de kern van de Beklamelnorm en kan ook los van een faillissement tot persoonlijke aansprakelijkheid leiden.
Waar let u als bestuurder op?
Als bestuurder beperkt u uw risico vooral met tijdige stukken en een goede vastlegging.
- Deponeer de jaarrekening uiterlijk twaalf maanden na afloop van het boekjaar (artikel 2:394 BW).
- Leg uw bezwaren tegen bestuursbesluiten vast in de notulen van de bestuursvergadering.
- Ga geen nieuwe verplichtingen aan als u weet of behoort te weten dat de vennootschap die niet kan nakomen.
- Controleer of uw D&O-verzekering de kosten van verweer dekt.
Waar let u als schuldeiser op?
Als schuldeiser bepaalt u eerst of de vennootschap failliet is, want dat bepaalt wie de bestuurder kan aanspreken.
- Controleer in het handelsregister wie bestuurder is, ook als dat een rechtspersoon is (artikel 2:11 BW).
- Bewaar de stukken waaruit blijkt wat de bestuurder wist toen hij de overeenkomst sloot.
- Is de vennootschap failliet, dien uw vordering dan in bij de curator; alleen de curator kan een vordering op grond van artikel 2:138 of 2:248 BW instellen.
- Ga buiten faillissement na of de bestuurder andere schuldeisers liet betalen terwijl hij wist dat u onbetaald zou blijven.
Wat kunnen wij voor u doen bij externe bestuurdersaansprakelijkheid?
Wij staan bestuurders bij die worden aangesproken, en schuldeisers die een bestuurder willen aanspreken.
- Wij toetsen een aansprakelijkstelling door een curator of schuldeiser aan de artikelen 2:138, 2:248 en 6:162 BW.
- Wij bouwen het verweer op tegen het bewijsvermoeden van artikel 2:248 lid 2 BW, bijvoorbeeld met een andere oorzaak van het faillissement.
- Wij onderbouwen een beroep op disculpatie met notulen, e-mails en andere vastlegging.
- Wij controleren of het verweten handelen binnen de periode van drie jaar vóór het faillissement valt.
- Wij stellen namens een schuldeiser een bestuurder aansprakelijk op grond van onrechtmatige daad.
Samengevat
- Een rechtspersoon beschermt u niet onvoorwaardelijk: bij kennelijk onbehoorlijk bestuur (artikel 2:138 en 2:248 BW) of onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW) kunt u persoonlijk aansprakelijk zijn tegenover derden.
- Bij aansprakelijkheid na faillissement ligt de bewijslast in beginsel bij de curator, maar bij bewijsvermoedens (ontbrekende administratie of jaarrekening) verschuift die naar u.
- Vervult u uw taak als bestuurder onbehoorlijk, dan kan de rechtspersoon zelf u aanspreken op grond van artikel 2:9 BW.
- Een rechtspersoon-bestuurder biedt geen schild: artikel 2:11 BW legt aansprakelijkheid door tot de natuurlijke bestuurders erachter.
- Disculpatie en décharge kunnen aansprakelijkheid beperken, maar bieden geen garantie en vragen goede onderbouwing en vastlegging.
Veelgestelde vragen over bestuurdersaansprakelijkheid
Kan ik als bestuurder ontslag nemen om aansprakelijkheid te voorkomen?
Ontslag voorkomt geen aansprakelijkheid voor gedragingen van vóór uw vertrek. Heeft u gewaarschuwd voor een beleid en wordt u niet gehoord, dan kan aftreden wel bijdragen aan een succesvol beroep op disculpatie voor het vervolg.
Kan ik aansprakelijk zijn als ik nooit heb ingestemd met het beleid?
Alleen protesteren is meestal niet genoeg. Legt u schriftelijk vast dat u heeft gewaarschuwd en welke maatregelen u heeft genomen, dan staat u sterker bij een beroep op disculpatie.
Beschermt een taakverdeling binnen het bestuur mij automatisch?
Nee. Voor kerntaken zoals de financiën wordt van elke bestuurder verwacht dat hij zich laat voorlichten en doorvraagt, ook als hij daar zelf niet primair verantwoordelijk voor is.
Ben ik ook aansprakelijk voor besluiten van vóór mijn aantreden als bestuurder?
In beginsel bent u alleen aansprakelijk voor uw eigen taakvervulling vanaf het moment dat u bestuurder werd. Nam u een lopend beleid ongewijzigd over terwijl u wist of behoorde te weten dat dit tot problemen zou leiden, dan kan dat wel meewegen bij de beoordeling of u zelf onbehoorlijk heeft bestuurd.
Kan ik mij verzekeren tegen bestuurdersaansprakelijkheid?
Ja, hiervoor bestaat de bestuurdersaansprakelijkheidsverzekering (D&O-verzekering). Deze verzekering dekt in veel gevallen de kosten van verweer en een eventuele schadevergoeding, maar meestal niet bij opzet of ernstige roekeloosheid. Laat de polisvoorwaarden voor uw specifieke situatie beoordelen.
Speelt het uit maken of ik statutair bestuurder of feitelijk beleidsbepaler ben?
Ja. De hierboven besproken regels zijn geschreven voor de statutair bestuurder, dat wil zeggen de bestuurder die als zodanig bij de Kamer van Koophandel staat ingeschreven. Voor kennelijk onbehoorlijk bestuur op grond van artikel 2:138 en 2:248 BW geldt de aansprakelijkheid volgens de wet mede voor degene die het beleid van de vennootschap heeft bepaald of mede heeft bepaald als ware hij bestuurder, ook zonder formele benoeming.
Meer over hoe Law & More u hierbij helpt, leest u op de pagina ondernemingsrecht advocaat.