Een bestuurder verkoopt een divisie, tekent een intentieverklaring voor een joint venture of neemt een belang in een ander bedrijf. Mag dat zonder de aandeelhouders erin te kennen? Voor de naamloze vennootschap geeft artikel 2:107a van het Burgerlijk Wetboek het antwoord — en dat antwoord is preciezer, en op onderdelen anders, dan vaak wordt aangenomen.
Waar het artikel over gaat: een open norm, niet drie vakjes
De kern van artikel 2:107a is één zin: aan de goedkeuring van de algemene vergadering zijn onderworpen bestuursbesluiten omtrent een belangrijke verandering van de identiteit of het karakter van de vennootschap of de onderneming.
Daarna volgt een opsomming van drie gevallen, ingeleid met de woorden waaronder in ieder geval. Dat is geen detail. Het betekent dat de opsomming niet limitatief is: ook een besluit dat er niet onder valt, kan goedkeuringsplichtig zijn als het de identiteit of het karakter belangrijk verandert. Wie het artikel leest als drie vakjes waar een transactie wel of niet in past, leest het verkeerd.
De drie genoemde gevallen
- Overdracht van de onderneming, of vrijwel de gehele onderneming, aan een derde.
- Het aangaan of verbreken van duurzame samenwerking van de vennootschap of een dochtermaatschappij met een andere rechtspersoon of vennootschap, dan wel als volledig aansprakelijk vennoot in een commanditaire vennootschap of vennootschap onder firma, indien die samenwerking of verbreking van ingrijpende betekenis is.
- Het nemen of afstoten van een deelneming door de vennootschap of een dochtermaatschappij, ter waarde van ten minste een derde van het bedrag van de activa.
Drie dingen die bij dat derde geval structureel misgaan. Ten eerste: de maatstaf is het balanstotaal, niet het eigen vermogen en niet de omzet. Ten tweede: stelt de vennootschap een geconsolideerde balans op, dan wordt geconsolideerd gerekend. Ten derde: het gaat om de laatst vastgestelde jaarrekening — niet om een tussentijdse balans en niet om de actuele waarde.
En bij het tweede geval: de samenwerking hoeft niet door de NV zelf te worden aangegaan. Een dochtermaatschappij die een ingrijpende samenwerking aangaat, kan het goedkeuringsvereiste bij de moeder oproepen.
Het spreekrecht van de ondernemingsraad
Is er een wettelijk verplichte ondernemingsraad, dan mag het goedkeuringsverzoek pas aan de algemene vergadering worden voorgelegd nadat de raad in de gelegenheid is gesteld een standpunt te bepalen. Dat standpunt gaat gelijktijdig met het voorstel mee, en de voorzitter kan het ter vergadering toelichten. Ontbreekt het standpunt, dan tast dat de besluitvorming overigens niet aan — maar het overslaan van deze stap is wel een zelfstandig verwijt.
Wat er gebeurt als de goedkeuring ontbreekt
Hier zit de bepaling die het hele artikel zijn karakter geeft: het ontbreken van goedkeuring tast de vertegenwoordigingsbevoegdheid van het bestuur niet aan. De transactie met de wederpartij blijft dus gewoon geldig. Een koper hoeft niet te controleren of de aandeelhouders hebben ingestemd, en een aandeelhouder kan een verkoop niet terugdraaien met een beroep op dit artikel.
Het verzuim werkt uitsluitend intern door — maar daar wel stevig, langs drie lijnen:
- Bestuurdersaansprakelijkheid op grond van artikel 2:9 van het Burgerlijk Wetboek. De wetgever heeft dat bij de invoering uitdrukkelijk als het sluitstuk benoemd. De drempel blijft het ernstig verwijt, maar het passeren van een wettelijk goedkeuringsvereiste is een stevig aanknopingspunt.
- Ontslag van de bestuurder door de algemene vergadering, op grond van artikel 2:134 van het Burgerlijk Wetboek.
- De enquêteprocedure bij de Ondernemingskamer: gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen, met onmiddellijke voorzieningen.
Eerlijk is eerlijk: ik ken geen gepubliceerde uitspraak waarin het enkele niet-vragen van goedkeuring als zelfstandige gegronde reden voor een enquête is aangemerkt. Wat de Ondernemingskamer wél heeft gedaan, staat hieronder.
Drie uitspraken die het beeld bepalen
2007: geen analogie, en geen ongeschreven goedkeuringsrecht
Het leidende arrest is dat van de Hoge Raad van 13 juli 2007 over de verkoop van LaSalle door ABN AMRO. Twee dingen liggen daarin vast. Er is geen ruimte voor analoge uitleg van artikel 2:107a. En buiten een wettelijke of statutaire regeling bestaat er geen goedkeuringsrecht of consultatieplicht op grond van ongeschreven recht — niet via de redelijkheid en billijkheid, en niet via de behoorlijke taakvervulling. De Hoge Raad wijst daarbij uitdrukkelijk op de rechtszekerheid die het handelsverkeer verlangt.
Dat is een principiële keuze met een praktisch gevolg: wie meer zeggenschap wil dan de wet geeft, moet dat in de statuten zetten. Achteraf een beroep doen op wat “eigenlijk had gemoeten” werkt niet.
2009: hoe klein moet wat overblijft zijn?
Na de verkopen bij Fortis in oktober 2008 betoogden aandeelhouders dat nog ongeveer vijf procent van de activiteiten resteerde en dat de vennootschap een volledige metamorfose had ondergaan. De Ondernemingskamer besliste het niet: zij achtte zich onvoldoende voorgelicht om buiten redelijke twijfel vast te stellen dat de transacties onder artikel 2:107a vielen.
Neem daar geen norm uit mee. Wat de uitspraak wél leert, is dat de vraag “is dit vrijwel de gehele onderneming” feitelijk en bewerkelijk is, en dat een enquêteprocedure zich er slecht voor leent. De Ondernemingskamer merkte daarbij op dat een schending hooguit tot een geldvordering zou leiden, niet tot het terugdraaien van de transacties.
2017: niet de goedkeuring zelf, maar de informatie eromheen
De belangrijkste moderne zaak is die rond Fortuna Entertainment Group. Dat de transactie goedkeuringsplichtig was, stond niet ter discussie. Waar het misging was de informatievoorziening: de grootaandeelhouder was tegelijk verkoper, de belangen liepen uiteen, en de Ondernemingskamer oordeelde dat de vennootschap ernstig tekort was geschoten in haar informatieplicht jegens de minderheidsaandeelhouders.
De voorzieningen waren ingrijpend: een verbod om het agendapunt in stemming te brengen, en benoeming van een onafhankelijk commissaris met exclusieve bevoegdheid. De les voor de praktijk is scherp. Goedkeuring vragen is niet genoeg — de vergadering moet in staat zijn zich een oordeel te vormen. Bij een transactie met een verbonden partij ligt de lat daar aanzienlijk hoger.
En de BV? Daar bestaat dit artikel niet
Dit is het punt dat in de praktijk het vaakst verkeerd wordt aangenomen. Boek 2 kent geen equivalent van artikel 2:107a voor de besloten vennootschap. Het gerechtshof Amsterdam heeft dat in 2021 nog eens bevestigd: het artikel geldt slechts voor de naamloze vennootschap, en de in het handelsverkeer vereiste rechtszekerheid verzet zich ertegen dat besluiten zonder wettelijke of statutaire grondslag aan goedkeuring worden onderworpen.
Aandeelhouders van een BV die ervan uitgaan dat zij van rechtswege moeten worden geraadpleegd bij een grote transactie, hebben dus niets in handen. Wie dat wil, moet het regelen.
Twee statutaire routes, en het verschil ertussen
De eerste is een goedkeuringsvereiste in de statuten, meestal geschreven naar het model van artikel 2:107a. Dat is de gebruikelijke route; de Ondernemingskamer heeft zo’n bepaling zelfs als voorziening opgelegd toen de verhoudingen in een vennootschap waren vastgelopen.
De tweede is de instructiebevoegdheid van artikel 2:239 van het Burgerlijk Wetboek: de statuten kunnen bepalen dat het bestuur zich moet gedragen naar de aanwijzingen van een ander orgaan.
Het verschil is wezenlijk en wordt zelden benoemd. Een goedkeuringsvereiste is negatief: de vergadering kan tegenhouden, meer niet. Een instructiebevoegdheid is positief: de vergadering kan opdragen wat er moet gebeuren. Ze zijn niet uitwisselbaar, en wie zeggenschap wil over wat er wél gebeurt, heeft aan een goedkeuringsclausule niet genoeg.
Aan beide zit dezelfde grens. Bestuurders moeten zich bij hun taakvervulling richten naar het belang van de vennootschap en de daarmee verbonden onderneming. Een instructie die daarmee in strijd is, hoeft het bestuur niet op te volgen — de Hoge Raad heeft dat in het Cancun-arrest bevestigd.
Ook statutair: geen externe werking
Schendt het bestuur van een BV een statutair goedkeuringsvereiste, dan is de transactie met de derde evengoed geldig. De vertegenwoordigingsbevoegdheid is op grond van artikel 2:240 van het Burgerlijk Wetboek onbeperkt en onvoorwaardelijk voor zover uit de wet niet anders voortvloeit, en een statutair goedkeuringsvereiste is geen wettelijk toegelaten beperking.
De uitkomst is voor NV en BV dus dezelfde — extern niets, intern alles — maar de route ernaartoe verschilt: bij de NV omdat artikel 2:107a het zelf bepaalt, bij de BV omdat de statuten de vertegenwoordigingsbevoegdheid op dit punt niet kunnen inperken.
Bij de beursvennootschap loopt er meer naast
Artikel 2:107a geldt onverkort voor de beurs-NV; de gepubliceerde toepassingsgevallen zijn juist beursvennootschappen. Daarnaast gelden er regimes die er los van staan en die soms door elkaar worden gehaald:
- de goedkeuringsregeling voor materiële transacties met verbonden partijen in de artikelen 2:167 tot en met 2:170 van het Burgerlijk Wetboek — een apart regime, met een andere goedkeurder, dat naast artikel 2:107a bestaat;
- het agenderingsrecht van artikel 2:114a, dat aandeelhouders niet de bevoegdheid geeft een onderwerp dat tot het bestuursdomein behoort ter stemming af te dwingen;
- de wettelijke bedenktijd van artikel 2:114b, sinds 2021, met een maximum van 250 dagen. Uit de tussentijdse evaluatie van begin 2025 blijkt dat die in de onderzochte periode niet formeel is ingeroepen.
Wat nog niet vaststaat
Eén vraag is onbeslist en het is een praktische: geldt de drempel van een derde per transactie of cumulatief bij een reeks samenhangende transacties? De wetsgeschiedenis laat dat open en rechtspraak erover heb ik niet gevonden. Wie een verkoop in tranches opknipt, moet zich realiseren dat de vraag ooit gesteld kan worden — en dat het antwoord dan niet uit een gepubliceerde uitspraak komt.
Artikel 2:107a zelf is de afgelopen jaren niet gewijzigd. De Wet digitale algemene vergadering, in 2026 gepubliceerd, raakt een reeks bepalingen over de vergadering maar laat artikel 2:107 en 2:107a ongemoeid. Wel adviseert de Expertgroep modernisering NV-recht sinds 2022 over de wettelijke regeling van de beursvennootschap; of daar een voorstel over dit artikel uit voortkomt, is nog niet te zeggen.
Een korte checklist voor de praktijk
- Bepaal eerst de rechtsvorm. NV: artikel 2:107a geldt. BV: kijk in de statuten, want de wet zegt niets.
- Reken de drempel goed uit. Balanstotaal, geconsolideerd als er een geconsolideerde balans is, volgens de laatst vastgestelde jaarrekening.
- Kijk verder dan de drie voorbeelden. De norm is de belangrijke verandering van identiteit of karakter; de opsomming is niet uitputtend.
- Betrek de ondernemingsraad tijdig. Het spreekrecht gaat vooraf aan de vergadering, niet erna.
- Twijfelt u? Vraag de goedkeuring. Er is geen sanctie op het overbodig vragen van goedkeuring, en wel op het ten onrechte achterwege laten ervan.
- Bij een verbonden partij: investeer in de informatievoorziening. De Fortuna-zaak liep niet stuk op het ontbreken van goedkeuring, maar op wat de aandeelhouders wel en niet te horen kregen.
Tot slot
Artikel 2:107a is een smalle bepaling met een groot bereik. Smal, omdat zij alleen voor de NV geldt, alleen bij besluiten van een bepaald gewicht, en extern niets afdoet aan wat er is getekend. Groot, omdat het passeren ervan de bestuurder persoonlijk raakt en de weg naar de Ondernemingskamer opent.
Voor de BV geldt: wat niet in de statuten staat, bestaat niet. Dat is bij de oprichting een saaie discussie en bij de eerste grote transactie een dure.
Heeft u een transactie in voorbereiding waarbij deze vraag speelt, of wilt u de zeggenschapsverhoudingen in uw statuten tegen het licht houden? De ondernemingsrechtadvocaten van Law & More denken graag met u mee — neem gerust contact met ons op.
Veelgestelde vragen
Geldt artikel 2:107a BW ook voor een BV?
Nee. Het artikel geldt uitsluitend voor de naamloze vennootschap, en de rechter heeft analoge toepassing op de BV afgewezen. Wilt u bij een BV hetzelfde bereiken, dan moet dat in de statuten worden opgenomen.
Is een verkoop ongeldig als de aandeelhouders niet hebben goedgekeurd?
Nee. Het ontbreken van goedkeuring tast de vertegenwoordigingsbevoegdheid van het bestuur niet aan; de transactie met de wederpartij blijft geldig. Het verzuim werkt alleen intern door, richting bestuurdersaansprakelijkheid, ontslag en de enquêteprocedure.
Hoe bereken ik de drempel van een derde?
U gaat uit van het bedrag van de activa — het balanstotaal — volgens de laatst vastgestelde jaarrekening. Stelt de vennootschap een geconsolideerde balans op, dan rekent u geconsolideerd. Het eigen vermogen en de omzet spelen geen rol.
Vallen alleen de drie in de wet genoemde gevallen eronder?
Nee. De wet noemt die drie als voorbeelden, met de woorden “waaronder in ieder geval”. De eigenlijke norm is of het besluit een belangrijke verandering van de identiteit of het karakter van de vennootschap of de onderneming meebrengt.
Wat is het verschil tussen een goedkeuringsvereiste en een instructiebevoegdheid?
Een goedkeuringsvereiste is negatief: de algemene vergadering kan een besluit tegenhouden. Een instructiebevoegdheid, mogelijk bij de BV op grond van artikel 2:239 BW, is positief: de vergadering kan het bestuur opdragen iets te doen. Het bestuur hoeft een instructie die in strijd is met het vennootschappelijk belang niet op te volgen.