Gepubliceerd op 15 november 2025 · Laatst bijgewerkt op 8 september 2026
Redelijkheid en billijkheid is de open norm die bepaalt hoe partijen bij een overeenkomst zich tegenover elkaar moeten gedragen, ook op punten die zij zelf niet hebben geregeld. Voor verbintenissen in het algemeen staat de norm in artikel 6:2 BW, voor overeenkomsten in artikel 6:248 BW. De norm kan verplichtingen aan een contract toevoegen en kan een afgesproken beding buiten toepassing laten.
Inhoudsopgave
Wat betekenen redelijkheid en billijkheid?
Redelijkheid en billijkheid vormen samen een norm, geen twee losse begrippen. De wetgever heeft ze bewust niet gedefinieerd: de norm krijgt pas inhoud in de zaak waarin hij wordt toegepast. Dat maakt het geen vaag begrip. Het is een gedragsnorm met een eigen wettelijke grondslag, die naast de tekst van uw contract staat en er soms overheen gaat.
De norm is objectief. Het gaat niet om wat u zelf redelijk vindt, maar om wat naar algemene maatstaven van een contractpartij mag worden verwacht in de gegeven omstandigheden. Een rechter die de norm toepast, vult dus niet zijn persoonlijke rechtvaardigheidsgevoel in. Hij zoekt naar wat partijen in hun verhouding redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, gelet op de aard van de overeenkomst, hun deskundigheid en wat in de branche gebruikelijk is.
Voor ondernemers heeft dat een praktische keerzijde. Een contract dat op papier waterdicht lijkt, is dat niet altijd. Tegelijk werkt de norm twee kanten op: dezelfde bepaling die uw wederpartij extra plichten oplegt, kan u ook binden aan iets wat u nooit expliciet hebt toegezegd. Wie een geschil voorbereidt, doet er goed aan eerst te bepalen of het conflict gaat over de uitleg van het contract, over aanvulling ervan, of over het opzijzetten van een beding. Dat zijn drie verschillende vragen met drie verschillende drempels.
Welke wetsartikelen regelen redelijkheid en billijkheid?
De algemene bepaling is artikel 6:2 BW. Het eerste lid luidt dat schuldeiser en schuldenaar verplicht zijn zich jegens elkaar te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid. Het tweede lid voegt daaraan toe dat een tussen hen krachtens wet, gewoonte of rechtshandeling geldende regel niet van toepassing is, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Die formulering keert overal in het vermogensrecht terug.
Voor overeenkomsten geldt artikel 6:248 BW. Dat artikel kent twee werkingen: een aanvullende, waarbij de overeenkomst gevolgen krijgt die partijen niet zijn overeengekomen, en een beperkende of derogerende, waarbij een wel overeengekomen regel buiten toepassing blijft. Artikel 6:2 BW geldt breder en raakt ook verbintenissen die niet uit een contract voortkomen, bijvoorbeeld uit onrechtmatige daad of uit de wet. In een contractgeschil doet artikel 6:248 BW het meeste werk; artikel 6:2 BW komt vooral in beeld bij de uitvoering en afwikkeling.
Hoe de norm moet worden ingevuld, staat in artikel 3:12 BW: bij de vaststelling van wat redelijkheid en billijkheid eisen, moet rekening worden gehouden met algemeen erkende rechtsbeginselen, met de in Nederland levende rechtsovertuigingen en met de maatschappelijke en persoonlijke belangen die bij het geval zijn betrokken. Dat artikel is de sleutel tot de motivering van vrijwel elke uitspraak op dit terrein.
Binnen een rechtspersoon geldt een eigen variant. Artikel 2:8 BW bepaalt dat een rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken zich als zodanig jegens elkaar moeten gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd, met in het tweede lid dezelfde onaanvaardbaarheidstoets voor statuten, reglementen en besluiten. Aandeelhouders, bestuurders en commissarissen zijn daar aan gebonden, ook zonder onderlinge overeenkomst.
Wat voegt de aanvullende werking toe aan uw contract?
Een overeenkomst heeft niet alleen de gevolgen die partijen zijn overeengekomen. Artikel 6:248 BW noemt drie extra bronnen van rechtsgevolgen, die naast de afspraak zelf gelden:
- de wet, waaronder het dwingende en het aanvullende recht voor het betrokken contractstype;
- de gewoonte, waaronder branchegebruiken en een tussen partijen gegroeide praktijk;
- de eisen van redelijkheid en billijkheid.
Uit die laatste bron komen in de praktijk vooral informatie-, waarschuwings-, zorg- en medewerkingsplichten voort. Een leverancier die merkt dat de opdracht op de gekozen wijze tot schade gaat leiden, moet dat melden, ook als het contract daar niets over zegt. Een opdrachtgever die informatie achterhoudt die de uitvoering raakt, kan zich later moeilijk beroepen op een tekortkoming die daaruit is ontstaan. Bij langlopende relaties groeit die verplichting mee: hoe verder de samenwerking is gevorderd, hoe eerder een partij mag verwachten dat de ander meedenkt in plaats van zich strikt op de letter beroept.
Aanvulling is iets anders dan uitleg. De vraag wat partijen zijn overeengekomen, beantwoordt de rechter met de Haviltex-maatstaf uit het arrest van de Hoge Raad van 13 maart 1981 (ECLI:NL:HR:1981:AG4158): beslissend is de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen mochten toekennen en wat zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Pas als uitleg geen antwoord geeft, komt aanvulling aan de orde. Dat volgorde-verschil is niet academisch: het bepaalt wat u moet stellen en bewijzen. Ook bij mondelinge afspraken en de bewijsproblemen die daarbij horen begint de beoordeling bij uitleg.
Wanneer laat de rechter een contractbeding buiten toepassing?
Alleen als toepassing van dat beding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Dat is bewust een hoge drempel. Onredelijk, hard of ongelukkig is niet genoeg; de uitkomst moet onaanvaardbaar zijn. De Hoge Raad houdt rechters op dit punt kort, juist omdat het alternatief rechtsonzekerheid is en het uitgangspunt blijft dat afspraken worden nagekomen.
De techniek is bovendien beperkter dan vaak wordt gedacht. Een beding wordt niet nietig verklaard en verdwijnt niet uit het contract. Het blijft geldig, maar werkt in die concrete situatie niet. De rest van de overeenkomst blijft onverkort van kracht, en in een andere situatie kan hetzelfde beding gewoon weer werken. Wie in een procedure vernietiging vordert waar buitentoepassinglating aan de orde is, vraagt dus het verkeerde.
Het bekendste toepassingsgebied is het exoneratiebeding. In zijn arrest van 5 september 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BD2984, Telfort/Scaramea) liet de Hoge Raad het oordeel in stand dat een beroep op een aansprakelijkheidsuitsluiting onaanvaardbaar was, omdat de partij die zich erop beriep zich welbewust op onzorgvuldige wijze had gedragen: zij had, ondanks duidelijke waarschuwingssignalen, niet gecontroleerd of haar toeleverancier kon leveren, terwijl zij wist dat de wederpartij daardoor aanzienlijke schade zou lijden. Opzet en bewuste roekeloosheid laten zich in de praktijk dan ook niet wegcontracteren.
Dezelfde toets speelt bij een boete die volstrekt niet in verhouding staat tot de tekortkoming, bij een opzegging die een wederpartij ineens zonder redelijke termijn op straat zet, en bij een beroep op een vervaltermijn dat de wederpartij bewust in slaap heeft gesust. Bij een contractuele boete loopt de weg overigens vaak niet via artikel 6:248 BW maar via matiging; hoe streng de rechter daarbij toetst, leest u in ons artikel over contractuele boetebedingen en de toetsing door de rechter.
Hoe vult de rechter de open norm in?
Via de factoren van artikel 3:12 BW, toegepast op de omstandigheden van het geval. In de praktijk wegen daarbij de hoedanigheid van partijen, de onderhandelingspositie en de beschikbare deskundigheid, de aard en de duur van de contractuele relatie, het gedrag van partijen tijdens onderhandelingen en uitvoering, en wat in de betrokken bedrijfstak gebruikelijk is. De rechter weegt die factoren tegen elkaar af en motiveert waarom de balans doorslaat.
Tussen professionele partijen is die weging streng. Van een ondernemer met eigen juridische bijstand wordt verwacht dat hij begrijpt wat hij tekent, zelf onderzoek doet en vragen stelt bij onduidelijke bepalingen. Hij kan zich niet met succes beroepen op de redelijkheid als hij eenvoudigweg een slechte deal heeft gesloten. Bescherming is er wel wanneer een partij structureel misbruik maakt van een machtspositie, informatie achterhoudt of een bepaling inroept op een manier die met de bedoeling van het contract niets meer te maken heeft.
Contractsvrijheid blijft daarmee het vertrekpunt. De norm corrigeert de uitkomst; hij vervangt de afspraak niet. Waar die vrijheid eindigt en de wet dwingend voorschrijft wat partijen moeten regelen, is een aparte vraag die wij behandelen in ons artikel over de grens tussen contractsvrijheid en dwingend recht.
Geldt de norm al voordat het contract is gesloten?
Ja. Ook onderhandelende partijen moeten zich naar redelijkheid en billijkheid gedragen. De maatstaf voor afgebroken onderhandelingen gaf de Hoge Raad op 12 augustus 2005 in de zaak CBB/JPO (ECLI:NL:HR:2005:AT7337). Uitgangspunt is dat elk van de onderhandelende partijen vrij is de onderhandelingen af te breken, tenzij dat op grond van het gerechtvaardigd vertrouwen van de wederpartij in het tot stand komen van de overeenkomst, of in verband met de andere omstandigheden van het geval, onaanvaardbaar zou zijn. Die maatstaf is streng en moet met terughoudendheid worden toegepast.
Bij de beoordeling wegen volgens dat arrest onder meer mee:
- de mate waarin en de wijze waarop de afbrekende partij aan het vertrouwen van de wederpartij heeft bijgedragen;
- de gerechtvaardigde belangen van de afbrekende partij zelf;
- onvoorziene omstandigheden die zich tijdens de onderhandelingen hebben voorgedaan;
- het verloop van de onderhandelingen als geheel.
Uit dezelfde precontractuele norm vloeien mededelings- en onderzoeksplichten voort. Wie weet dat een bepaald gegeven voor de wederpartij doorslaggevend is, moet dat melden; wie zelf twijfelt, moet vragen. Loopt het mis, dan is dwaling vaak een sterkere grondslag dan redelijkheid en billijkheid, omdat de wet daar duidelijke voorwaarden voor kent. Voor de vraag welke elementen nodig zijn om überhaupt van een overeenkomst te kunnen spreken, verwijzen wij naar ons overzicht van de eisen waaraan een rechtsgeldig contract moet voldoen.
Wat geldt er bij onvoorziene omstandigheden?
Voor omstandigheden die na het sluiten van het contract intreden en waarin partijen niet hebben voorzien, kent de wet een eigen route: artikel 6:258 BW. Op verlangen van een van de partijen kan de rechter de overeenkomst wijzigen of geheel dan wel gedeeltelijk ontbinden, wanneer de wederpartij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten. Anders dan bij de derogerende werking gaat het hier om een vordering: u moet de wijziging of ontbinding actief vragen, de rechter past het niet ambtshalve toe.
Ook hier is de drempel hoog. In zijn arrest van 20 februari 1998 (ECLI:NL:HR:1998:ZC2587) overwoog de Hoge Raad dat de rechter terughoudendheid moet betrachten bij het aanvaarden van een beroep op onvoorziene omstandigheden, omdat redelijkheid en billijkheid in de eerste plaats trouw aan het gegeven woord verlangen en afwijking daarvan slechts bij hoge uitzondering is toegestaan. Tegenvallende resultaten, een verkeerde inschatting van de markt of een risico dat het contract nu juist bij een van beide partijen legt, zijn geen onvoorziene omstandigheden.
Veel contracten regelen dit zelf, met een hardheidsclausule, een prijsindexering of een herzieningsbeding. Dat is verstandig: wie de gevolgen van een verstoring vooraf verdeelt, hoeft er later geen procedure over te voeren. Een eenzijdige bevoegdheid om het contract te wijzigen is daarbij wel begrensd, zoals wij toelichten in ons artikel over eenzijdige wijzigingsbedingen in algemene voorwaarden.
Wat betekent dit voor algemene voorwaarden en zakelijke verhoudingen?
Voor algemene voorwaarden kent Boek 6 BW een eigen regeling, met een informatieplicht en een toets op onredelijk bezwarende bedingen. Consumenten en kleine wederpartijen kunnen zich rechtstreeks op die regeling beroepen; grotere professionele partijen zijn daarvan uitgesloten en moeten de weg van redelijkheid en billijkheid bewandelen. Dat verklaart waarom in business-to-businessgeschillen zo vaak artikel 6:248 BW wordt ingeroepen tegen een set voorwaarden die in een consumentenverhouding zonder meer zou sneuvelen.
Praktisch relevant is verder welke set voorwaarden geldt wanneer beide partijen naar hun eigen voorwaarden verwijzen. Nederland kent de first shot-regel van artikel 6:225 BW: de voorwaarden waarnaar het eerst is verwezen, gaan voor, tenzij die verwijzing uitdrukkelijk van de hand wordt gewezen. Hoe u die situatie voorkomt, leest u in ons artikel over de battle of forms bij zakelijke voorwaarden.
Ook de wijze waarop een partij haar bevoegdheden gebruikt, wordt door de norm begrensd. Een schuldeiser die zonder aankondiging volledige nakoming eist terwijl hij jarenlang een soepeler praktijk heeft gedoogd, kan daarop stuklopen. Hetzelfde geldt voor een partij die eerst het vertrouwen wekt dat zij geen beroep zal doen op een beding en dat daarna alsnog doet: het verbod op tegenstrijdig gedrag is een van de rechtsbeginselen waarop artikel 3:12 BW doelt.
Wat kunt u doen als u zich op redelijkheid en billijkheid wilt beroepen?
Begin bij de feiten, niet bij het beginsel. Een beroep op redelijkheid en billijkheid slaagt of sneuvelt op de omstandigheden die u stelt en kunt bewijzen: wat is er over en weer gezegd tijdens de onderhandelingen, welke informatie had de ander, hoe is er jarenlang uitvoering aan het contract gegeven, welke gevolgen heeft strikte toepassing voor u. Leg die feiten vast in correspondentie voordat het conflict escaleert. Een e-mail waarin u de ander wijst op de gevolgen van zijn opstelling is later zwaarder bewijs dan een stelling in een dagvaarding.
Bepaal vervolgens welke grondslag u nodig hebt. Gaat het om de inhoud van de afspraak, dan is uitleg de weg. Gaat het om een leemte, dan aanvulling. Wilt u van een beding af, dan de derogerende werking. Is de situatie na het sluiten van het contract wezenlijk veranderd, dan artikel 6:258 BW. In veel zaken worden die grondslagen subsidiair naast elkaar aangevoerd, en dat is verstandig, want zij hebben elk hun eigen drempel.
Stuur daarnaast tijdig een deugdelijke ingebrekestelling wanneer u nakoming, ontbinding of schadevergoeding wilt, en let op verjaring en op contractuele klacht- en vervaltermijnen. Welke middelen u heeft en in welke volgorde u ze inzet, zetten wij uiteen in ons artikel over de middelen bij contractbreuk. Houd er ten slotte rekening mee dat een beroep op deze norm zelden op zichzelf staat: het versterkt meestal een vordering die ook op nakoming, ontbinding of onrechtmatige daad rust.
Veelgestelde vragen
Wat houdt redelijkheid en billijkheid in het Nederlandse recht in?
Het is de wettelijke gedragsnorm tussen partijen in een rechtsverhouding, vastgelegd in artikel 6:2 BW en voor overeenkomsten in artikel 6:248 BW. Zij verplicht partijen rekening te houden met elkaars gerechtvaardigde belangen. Artikel 3:12 BW geeft aan waar de rechter bij de invulling naar moet kijken: algemeen erkende rechtsbeginselen, de in Nederland levende rechtsovertuigingen en de betrokken maatschappelijke en persoonlijke belangen.
Kan een rechter een contractbepaling ongeldig verklaren op grond van redelijkheid en billijkheid?
Nee, niet ongeldig. De rechter laat de bepaling buiten toepassing voor die concrete situatie; het beding blijft bestaan en de rest van het contract blijft gelden. Dat gebeurt alleen wanneer toepassing naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Vernietiging is een ander instrument, met eigen wettelijke gronden zoals dwaling, bedrog of de regeling voor algemene voorwaarden.
Geldt de norm ook tussen twee professionele ondernemingen?
Ja, maar de rechter is dan aanzienlijk terughoudender. Van ondernemers wordt verwacht dat zij hun contract begrijpen, zich laten bijstaan en zelf onderzoek doen. Een ongunstige uitkomst is op zichzelf geen reden om in te grijpen. Wordt een bevoegdheid gebruikt op een manier die met de strekking van het contract niets meer van doen heeft, of speelt bewust onzorgvuldig gedrag mee, dan kan de norm ook tussen professionals doorslaggevend zijn.
Kunnen algemene voorwaarden aan redelijkheid en billijkheid worden getoetst?
Ja. Consumenten en kleinere wederpartijen hebben daarnaast de bijzondere regeling voor algemene voorwaarden in Boek 6 BW tot hun beschikking, met de mogelijkheid een onredelijk bezwarend beding te vernietigen. Grote professionele partijen vallen buiten die regeling en zijn aangewezen op artikel 6:248 BW. De toets is dan of het inroepen van het beding in de gegeven omstandigheden onaanvaardbaar is.
Wat is het verschil tussen artikel 6:248 BW en artikel 6:258 BW?
Artikel 6:248 BW werkt van rechtswege: de rechter stelt vast dat een regel in deze omstandigheden niet geldt, of dat er een verplichting bij komt. Artikel 6:258 BW vergt een vordering van een partij en leidt tot wijziging of ontbinding van de overeenkomst wegens onvoorziene omstandigheden, eventueel met terugwerkende kracht. In beide gevallen is de drempel hoog en moet de rechter terughoudendheid betrachten.
Kan ik redelijkheid en billijkheid contractueel uitsluiten?
Nee. De beperkende werking is van dwingend recht; een beding dat haar uitschakelt, heeft geen effect. Wel kunt u de ruimte voor discussie verkleinen door risico- en informatieverdeling, klacht- en vervaltermijnen, een hardheidsclausule en een duidelijke uitlegbepaling in het contract op te nemen. Dat maakt een beroep op de norm minder kansrijk, omdat er dan simpelweg minder leemten en verrassingen zijn.
Hulp bij een geschil over redelijkheid en billijkheid
Of een beroep op redelijkheid en billijkheid kans maakt, hangt volledig af van de feiten van uw zaak en van de grondslag die u kiest. De advocaten van Law & More in Eindhoven beoordelen uw contract en uw dossier, bepalen welke route het sterkst is en voeren daarover zo nodig een procedure. Neem contact op voor een inhoudelijke bespreking van uw situatie.