Gepubliceerd op 10 november 2025 · Laatst bijgewerkt op 8 september 2026
Dividend afdwingen als minderheidsaandeelhouder in een BV kan, maar het gaat niet vanzelf. De algemene vergadering bepaalt de winstbestemming en het bestuur moet elke uitkering goedkeuren (artikel 2:216 BW). Reserveert de meerderheid jaar na jaar alle winst zonder zakelijke reden, dan kunt u dat besluit laten vernietigen wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid (artikel 2:15 lid 1 BW) of een onderzoek vragen bij de Ondernemingskamer.
Inhoudsopgave
Wat is uw positie als minderheidsaandeelhouder?
U bent minderheidsaandeelhouder zodra u minder dan de helft van de stemmen in de algemene vergadering vertegenwoordigt. U kunt dan geen besluit doordrukken en geen besluit tegenhouden, tenzij de statuten daarover iets anders bepalen. Dat betekent niet dat u rechteloos bent. Een belangrijk deel van uw rechten hangt niet af van uw stemgewicht, maar volgt rechtstreeks uit Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en geldt dus ook tegen de zin van de meerderheid in.
Zo’n positie ontstaat op verschillende manieren. Bij oprichting, wanneer twee ondernemers bewust een ongelijke verhouding kiezen. Bij een financieringsronde, wanneer een investeerder een belang krijgt in ruil voor kapitaal. Bij bedrijfsopvolging, wanneer een aandelenpakket wordt gesplitst. Of bij de verkoop van een deel van de aandelen aan een nieuwe partner. In al die gevallen loopt u hetzelfde risico: de winst blijft in de vennootschap zitten terwijl u er niets van terugziet en uw aandelen ondertussen nauwelijks verhandelbaar zijn.
Een conflict over dividend is daarom bijna altijd een breder aandeelhoudersgeschil. Wie alleen naar de dividendbeslissing kijkt, mist meestal de achterliggende vraag: wordt uw belang structureel meegewogen of niet? Die vraag bepaalt of een procedure kans van slagen heeft. In ons overzicht over de rechten van een minderheidsaandeelhouder als de meerderheid doordrukt gaan wij daar verder op in.

Wie beslist over dividend in een BV?
De algemene vergadering van aandeelhouders is bevoegd tot bestemming van de winst en tot vaststelling van uitkeringen, voor zover het eigen vermogen groter is dan de reserves die krachtens de wet of de statuten moeten worden aangehouden (artikel 2:216 lid 1 BW). Dat is de balanstest. Sinds de invoering van het flexibele bv-recht op 1 oktober 2012 geldt de oude eis niet meer dat het eigen vermogen boven het gestorte kapitaal moet blijven; alleen wettelijke en statutaire reserves tellen nog mee. Veel oudere teksten en statuten gaan daar nog wel van uit.
Daarna komt het bestuur aan zet. Een besluit tot uitkering heeft geen gevolgen zolang het bestuur geen goedkeuring heeft verleend, en het bestuur weigert die goedkeuring slechts indien het weet of redelijkerwijs behoort te voorzien dat de vennootschap na de uitkering niet zal kunnen blijven voortgaan met het betalen van haar opeisbare schulden (artikel 2:216 lid 2 BW). Dat is de uitkeringstest. Het woord slechts in de wettekst doet er toe: het bestuur mag niet naar believen weigeren, maar uitsluitend op grond van die continuïteitsvraag.
De gevolgen van een verkeerde inschatting zijn stevig. Keert de BV toch uit en kan zij daarna haar opeisbare schulden niet betalen, dan zijn de bestuurders die dat wisten of behoorden te voorzien hoofdelijk verbonden voor het tekort, en moet ook de aandeelhouder die de uitkering ontving deze terugbetalen tot ten hoogste het door hem ontvangen bedrag (artikel 2:216 lid 3 BW). De volledige tekst van het artikel staat op wetten.overheid.nl.
Voor u betekent dit twee dingen tegelijk. De uitkeringstest is een echte grens: haalt de BV die test niet, dan komt er geen dividend en helpt geen enkele procedure daartegen. Maar de test is ook geen vrijbrief. Een bestuur dat zich achter een algemeen geformuleerd continuïteitsargument verschuilt terwijl de vennootschap ruime liquiditeit heeft en geen concrete verplichtingen ziet aankomen, doet iets anders dan de wet van hem vraagt.
Welke rechten hebt u ongeacht uw stemgewicht?
Een deel van uw rechten staat los van het aantal aandelen dat u houdt. U hebt vergaderrecht: u wordt opgeroepen, u mag aanwezig zijn en u mag over elk agendapunt het woord voeren. U stemt naar evenredigheid van uw aandelen, en u hebt recht op de vastgestelde jaarrekening en op de stukken die aan de besluitvorming ten grondslag liggen.
Daarnaast geeft de wet houders van een bepaald deel van het geplaatste kapitaal het recht om onderwerpen op de agenda te laten plaatsen en om zelf een algemene vergadering bijeen te roepen, zo nodig na machtiging van de voorzieningenrechter wanneer het bestuur weigert. Dat is bij een dividendconflict praktischer dan het lijkt. U dwingt er namelijk mee af dat er over de winstbestemming wordt gestemd en dat er dus een besluit ligt. Zonder besluit valt er ook niets te vernietigen.
Het inlichtingenrecht is het scharnier van uw positie. Het bestuur en een eventuele raad van commissarissen verschaffen de algemene vergadering alle verlangde inlichtingen, tenzij een zwaarwichtig belang van de vennootschap zich daartegen verzet. Die uitzondering is smal: zij ziet op concurrentiegevoelige of vertrouwelijke informatie, niet op de wens van de meerderheid om een lastige discussie te vermijden. Een weigering die niet op zo’n belang steunt, is zelf een aanwijzing dat de besluitvorming niet deugt.
Welke grens stelt artikel 2:8 BW aan de meerderheid?
Artikel 2:8 BW verplicht de vennootschap en allen die bij haar organisatie zijn betrokken zich tegenover elkaar te gedragen naar wat door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd. Dat is de bepaling waarop dividendclaims van minderheidsaandeelhouders steunen. De meerderheid mag haar stemrecht in haar eigen belang gebruiken, maar zij mag het belang van de minderheid niet eenvoudigweg negeren.
De Hoge Raad heeft die gedachte uitgewerkt in het Cancun-arrest van 4 april 2014 (ECLI:NL:HR:2014:797). Bestuurders moeten zich richten naar het belang van de vennootschap en niet enkel naar de instructies van de aandeelhouder die hen benoemde; waar de verhoudingen tussen aandeelhouders in het geding zijn, hoort daar zorgvuldigheid tegenover de andere aandeelhouder bij. Vertaald naar dividend: wie alle winst reserveert, moet kunnen uitleggen welk vennootschappelijk belang daarmee gediend is.
Structureel reserveren zonder onderbouwing is daarom kwetsbaar. Dat geldt zeker wanneer de meerderheidsaandeelhouder tegelijk bestuurder is en zichzelf via salaris of een management fee wel laat betalen, terwijl u uitsluitend op dividend bent aangewezen. Die combinatie is in de praktijk het sterkste argument, omdat zij laat zien dat het niet om het belang van de vennootschap gaat maar om de verdeling tussen aandeelhouders. Over die afweging schreven wij eerder over de spanning tussen aandeelhoudersbelang en vennootschapsbelang.
Wanneer kunt u een besluit tot winstreservering laten vernietigen?
Een besluit van de algemene vergadering om geen dividend uit te keren kunt u bij de rechtbank laten vernietigen. Artikel 2:15 lid 1 BW kent daarvoor drie gronden:
- strijd met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen;
- strijd met de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW;
- strijd met een reglement.
In dividendzaken loopt het vrijwel altijd via de tweede grond, soms in combinatie met de eerste wanneer u niet behoorlijk bent opgeroepen of geen informatie kreeg. Let scherp op de termijn: de bevoegdheid om vernietiging te vorderen vervalt een jaar na het einde van de dag waarop hetzij aan het besluit voldoende bekendheid is gegeven, hetzij u van het besluit kennis hebt genomen of daarvan bent verwittigd (artikel 2:15 lid 5 BW). Laat u die termijn verlopen, dan is deze route dicht, ook als u inhoudelijk gelijk had.
Vernietiging is bovendien iets anders dan nietigheid. Het besluit is geldig totdat de rechter het vernietigt. En vernietiging levert op zichzelf nog geen dividend op: het besluit verdwijnt, waarna de algemene vergadering opnieuw moet besluiten. Pas wanneer de rechter daarbij maatstaven meegeeft, of wanneer u de vordering combineert met een schadevergoedingsvordering wegens onrechtmatig handelen van de meerderheidsaandeelhouder, verandert er praktisch iets. Om die reden wordt vernietiging vaak samen met een enquêteverzoek ingezet.

Wat kan de Ondernemingskamer voor u betekenen?
De enquêteprocedure bij de Ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam is het zwaarste middel. U vraagt om een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van de BV. Structurele uitholling van de positie van een minderheidsaandeelhouder, bijvoorbeeld jarenlang volledig reserveren terwijl de meerderheid zichzelf langs een andere weg wel laat betalen, kan een gegronde reden opleveren om aan een juist beleid te twijfelen.
De wet stelt wel een drempel. Bij een BV of NV met een geplaatst kapitaal tot 22,5 miljoen euro zijn houders van aandelen of certificaten bevoegd die alleen of gezamenlijk ten minste een tiende gedeelte van het geplaatste kapitaal vertegenwoordigen, of die rechthebbende zijn op een bedrag aan aandelen tot een nominale waarde van 225.000 euro (artikel 2:346 BW). Statuten of een overeenkomst kunnen de bevoegdheid daarnaast aan anderen toekennen. Haalt u de drempel niet en biedt de statuten geen uitkomst, dan blijven vernietiging en de geschillenregeling over.
Krachtiger dan het onderzoek zelf zijn vaak de onmiddellijke voorzieningen die de Ondernemingskamer hangende de procedure kan treffen: schorsing van een besluit, benoeming van een tijdelijke bestuurder of commissaris, of overdracht van aandelen ten titel van beheer. Die maatregelen doorbreken de patstelling waar u zelf niet uit komt en brengen een onafhankelijke blik in de vennootschap. Hoe zo’n verzoek verloopt en wat het kost, leest u in ons artikel over de enquêteprocedure bij de Ondernemingskamer.
Wanneer heeft een kort geding zin?
Een kort geding is bedoeld voor situaties die niet kunnen wachten. De voorzieningenrechter geeft een voorlopig oordeel en kan een verbod opleggen, afgifte van stukken bevelen of een voorschot toewijzen. Spoedeisend belang is daarbij geen formaliteit maar een echte voorwaarde: u moet uitleggen waarom u de uitkomst van een bodemprocedure niet kunt afwachten.
Voor één gemiste dividenduitkering haalt u die drempel zelden. Voor de geschilpunten daaromheen vaker wel. Denk aan een weigering om de jaarrekening of de onderliggende stukken te verstrekken vlak voor een vergadering, aan een dreigende verwatering van uw belang door een voorgenomen emissie, of aan een transactie waarmee vermogen uit de vennootschap wegvloeit naar een aan de meerderheid gelieerde partij. In zulke gevallen bevriest een kort geding de situatie totdat de hoofdzaak is beslist.
Houd er rekening mee dat een voorziening in kort geding voorlopig is en dat de rechter terughoudend is met geldvorderingen. Een voorschot wordt alleen toegewezen als de vordering voldoende aannemelijk is en het risico dat u het bedrag later moet terugbetalen beperkt is. Reken er dus niet op dat u de discussie over de winstbestemming binnen enkele weken definitief beslecht.
Uittreden als het conflict onoplosbaar is
Soms luidt de conclusie dat samenwerken geen zin meer heeft. De wettelijke geschillenregeling in Boek 2 BW biedt dan twee routes: uitstoting van een medeaandeelhouder, en uittreding, waarbij u vordert dat uw aandelen worden overgenomen omdat u door gedragingen van uw medeaandeelhouders zodanig in uw rechten of belangen bent geschaad dat voortduring van uw aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer van u kan worden gevergd.
Structureel dividend onthouden terwijl de meerderheid zich op andere wijze bedient, is precies zo’n gedraging. De rechter laat de prijs van de aandelen doorgaans door deskundigen bepalen en kan die prijs verhogen wanneer het gedrag van de andere aandeelhouder de waarde heeft gedrukt. Voor de minderheidsaandeelhouder die geen rendement ziet en zijn pakket ook niet kwijt kan, is dit vaak de enige route met een concreet eindresultaat. Wij schreven eerder over uitkoop van een medeaandeelhouder via de rechter, de spiegelbeeldige situatie.
Wat een uitkoop of een alsnog uitgekeerd dividend fiscaal betekent, bijvoorbeeld voor de heffing over een aanmerkelijk belang, laat u beoordelen door een fiscalist. Dat valt buiten de juridische beoordeling van uw aandeelhouderspositie, maar het bepaalt wel wat u netto overhoudt en soms ook welke route de voorkeur verdient.
Hoe bouwt u een dossier op dat standhoudt?
Rechters grijpen niet snel in de winstbestemming in. Dat is ondernemersbeleid en de toetsing is terughoudend. U wint zo’n zaak niet met het argument dat u graag dividend wilt, maar met de vaststelling dat de vennootschap ruimte had, dat de meerderheid geen zakelijke onderbouwing gaf en dat uw belang niet is meegewogen in de besluitvorming.
Begin daarom bij informatie. Vraag de inlichtingen schriftelijk op en vóór de vergadering, zodat een eventuele weigering zelf onderdeel wordt van uw dossier. Leg vast welke stukken u wel en niet kreeg. Bewaar de jaarrekeningen van meerdere achtereenvolgende boekjaren: een reserveringspatroon toont u alleen met een reeks, niet met één jaar. Vraag daarnaast om inzicht in wat er langs andere wegen aan de meerderheid toevloeit, zoals bestuurdersbeloning, huur of doorbelaste kosten.
Zorg vervolgens dat uw bezwaar in de notulen komt. Stem tegen, motiveer waarom en vraag om aantekening van uw standpunt. Stuur na de vergadering een aangetekende brief aan het bestuur waarin u uiteenzet waarom een uitkering verantwoord is, welke cijfers dat onderbouwen en binnen welke termijn u een reactie verwacht. Die brief bepaalt later in belangrijke mate hoe de rechter naar de zorgvuldigheid van de besluitvorming kijkt, en hij markeert het moment waarop de vervaltermijn van artikel 2:15 lid 5 BW voor u gaat lopen.

Wat legt u vooraf vast in statuten of aandeelhoudersovereenkomst?
De beste dividendprocedure is de procedure die u niet hoeft te voeren. Statuten kunnen de bevoegdheid tot winstbestemming binden aan een gekwalificeerde meerderheid of aan een goedkeuringsrecht, en zij kunnen bijzondere rechten verbinden aan een bepaalde soort aandelen. Statuten zijn openbaar en werken tegen iedere aandeelhouder, ook tegen een latere koper van aandelen. Dat maakt ze sterker dan een contract, maar ook minder flexibel.
Een aandeelhoudersovereenkomst biedt meer ruimte en meer vertrouwelijkheid, maar bindt alleen wie tekent. Daarin legt u een dividendbeleid vast, spreekt u af welke reserveringsdoelen legitiem zijn en voor welke periode, en regelt u wat er gebeurt als partijen er niet uitkomen: bindend advies, een aanbiedingsplicht of een exitregeling. Tag-along- en drag-alongafspraken regelen de verkoopsituatie en niet de winstbestemming; verwar die twee niet met elkaar.
Verbind aan zulke afspraken ook een sanctie. Een dividendafspraak zonder boetebeding of zonder koppeling aan een aanbiedingsplicht is in een conflict weinig waard, omdat nakoming afdwingen tijd kost die u meestal niet hebt. Laat ten slotte controleren of de statuten en de overeenkomst met elkaar sporen: bij tegenstrijdigheid prevaleert in de verhouding tot de vennootschap doorgaans de statutaire regeling.
Veelgestelde vragen
Kan de rechter een BV verplichten dividend uit te keren?
Rechtstreeks gebeurt dat zelden. De rechter vernietigt in de regel het besluit om niet uit te keren, waarna de algemene vergadering opnieuw moet besluiten. Een veroordeling tot daadwerkelijke betaling komt voor, maar vergt dat vaststaat dat zowel de balanstest als de uitkeringstest van artikel 2:216 BW wordt gehaald en dat elk redelijk alternatief ontbreekt.
Hoelang heb ik de tijd om een dividendbesluit aan te vechten?
Een jaar na het einde van de dag waarop aan het besluit voldoende bekendheid is gegeven of waarop u er kennis van hebt genomen (artikel 2:15 lid 5 BW). Dit is een vervaltermijn: onderhandelingen of een lopende bemiddeling schuiven hem niet op.
Wat als het bestuur zegt dat de uitkeringstest niet wordt gehaald?
Vraag om de onderbouwing: de liquiditeitsprognose, aflopende financieringen en verplichtingen die eraan komen. Het bestuur mag goedkeuring uitsluitend weigeren op grond van de vraag of de vennootschap haar opeisbare schulden kan blijven betalen. Blijft een onderbouwing uit, dan is dat op zichzelf een aanwijzing dat de besluitvorming niet zorgvuldig is verlopen.
Ik houd minder dan een tiende van het kapitaal. Kan ik naar de Ondernemingskamer?
Alleen als de statuten of een overeenkomst u die bevoegdheid geven, of als u samen met andere aandeelhouders de drempel van artikel 2:346 BW haalt. Lukt dat niet, dan blijven de vernietigingsvordering van artikel 2:15 BW en de geschillenregeling over.
Helpt het dat de meerderheidsaandeelhouder zichzelf een hoog salaris toekent?
Ja. Dat is een van de sterkste feiten in een dividendzaak, omdat het laat zien dat de meerderheid wel rendement uit de vennootschap haalt langs een weg die voor u niet openstaat. Een bovenmatige beloning kan bovendien zelfstandig onrechtmatig zijn tegenover de minderheid en meewegen bij de prijsbepaling in een uittredingsprocedure.
Moet ik eerst mediation proberen voordat ik naar de rechter kan?
Nee. Het Nederlandse recht kent geen algemene verplichting om vóór een civiele procedure te mediaten. Wel kan een aandeelhoudersovereenkomst partijen contractueel verplichten eerst bindend advies of mediation te beproeven, en zo’n afspraak neemt de rechter serieus.
Advies bij een dividendconflict
Een dividendconflict gaat zelden alleen over geld. Het gaat over de vraag of uw positie binnen de vennootschap nog serieus wordt genomen, en over de volgorde waarin u informatie, bezwaar en procedure inzet. Die volgorde bepaalt uw kansen vaak meer dan de keuze van het wetsartikel. De ondernemingsrechtadvocaten van Law & More beoordelen uw statuten, uw aandeelhoudersovereenkomst en het reserveringspatroon van de afgelopen boekjaren, en adviseren u welke route in uw situatie het meeste oplevert.