Gepubliceerd op 20 juni 2025 · Laatst bijgewerkt op 29 oktober 2026
De hoogte van kinderalimentatie volgt uit twee dingen: wat het kind nodig heeft (de behoefte) en wat elke ouder kan bijdragen (de draagkracht), volgens artikel 1:397 BW. De tabellen van het Rapport alimentatienormen vertalen dat in bedragen, maar de rechter mag daarvan gemotiveerd afwijken, bijvoorbeeld bij zeer hoge inkomens of als er feitelijk geen omgang is.
Hieronder leest u hoe de berekening stap voor stap werkt, welke uitzonderingen de rechtspraak kent en hoe u een bedrag vastlegt zodat u het ook kunt innen. Alle genoemde uitspraken zijn te raadplegen op rechtspraak.nl.
Inhoudsopgave
Wat zegt de wet over kinderalimentatie?
Ouders moeten naar draagkracht voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen. Die plicht loopt door tot het kind 21 jaar wordt. De onderhoudsplicht staat in artikel 1:404 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek:
Ouders zijn verplicht naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen.
De maatstaf voor de hoogte staat in artikel 1:397 BW:
Bij de bepaling van het volgens de wet door bloed- en aanverwanten verschuldigde bedrag voor levensonderhoud wordt enerzijds rekening gehouden met de behoeften van de tot onderhoud gerechtigde en anderzijds met de draagkracht van de tot uitkering verplichte persoon.
Zijn er meer onderhoudsplichtigen, dan telt ieders draagkracht en de verhouding tot het kind mee. Voor kinderen van 18 tot 21 jaar geldt een aparte grondslag in artikel 1:395a BW. Of de ouders getrouwd waren, maakt niet uit: ook een vader die het kind heeft erkend en nooit met de moeder samenwoonde, moet naar draagkracht bijdragen.
Voor minderjarige kinderen geldt geen behoeftigheidstoets. Dat is een belangrijk verschil met partneralimentatie, waar behoeftigheid wel een voorwaarde is.
Hoe berekent u de behoefte van het kind?
De behoefte volgt in beginsel uit het netto besteedbaar gezinsinkomen in de tijd dat de ouders nog samenwoonden, en uit het aantal kinderen. Het uitgangspunt is dat het kind door de scheiding zo weinig mogelijk in welstand achteruitgaat.
Met dat inkomen en het aantal kinderen leest u in de tabel bij het Rapport alimentatienormen van de Expertgroep Alimentatienormen af wat de ouders samen aan de kinderen besteedden. De tabel is gebaseerd op onderzoek naar wat gezinnen feitelijk aan kinderen uitgeven en wordt periodiek herzien. Het is een richtlijn, geen wet: de rechter mag gemotiveerd afwijken. Structurele extra kosten, zoals door een handicap of bijzonder onderwijs, kunnen de behoefte verhogen.
Wat als het gezinsinkomen boven de tabel uitkomt?
Bij zeer hoge inkomens houdt de tabel op en is maatwerk nodig op basis van de werkelijke kosten. In een conclusie van 8 december 2023 (ECLI:NL:PHR:2023:1120) stelde de advocaat-generaal bij de Hoge Raad dat de betalende ouder dan niet kan volstaan met het ontkennen van opgevoerde kosten. Het ligt op de weg van beide ouders om inzicht te geven in wat er feitelijk aan het kind werd besteed.
Wat als de ouders nooit hebben samengewoond?
Dan is er geen gezamenlijk gezinsinkomen. In een conclusie van 26 mei 2023 (ECLI:NL:PHR:2023:542) besprak de advocaat-generaal de aanbeveling uit het Rapport alimentatienormen: de behoefte is dan het gemiddelde van twee berekeningen, één op basis van het inkomen van elke ouder. Zo wordt gekeken naar de welstand die het kind bij iedere ouder afzonderlijk zou hebben gehad.
Hoe berekent u de draagkracht van een ouder?
Draagkracht berekent u over het netto besteedbaar inkomen, niet over het brutoloon. Dat is het inkomen uit alle bronnen na belastingen, met verrekening van heffingskortingen en toeslagen, waaronder het kindgebonden budget. Het Rapport alimentatienormen werkt met vaste bedragen: een vast deel van het inkomen geldt als woonlast, daarnaast een vast bedrag voor overige kosten van bestaan. Van wat overblijft is een vast percentage beschikbaar voor de kinderen. Deze bedragen veranderen regelmatig; reken altijd met de versie die geldt op het moment van berekenen.
Het kindgebonden budget, inclusief de alleenstaande-ouderkop, gaat niet af van de behoefte van het kind maar telt mee bij de draagkracht van de ouder die het ontvangt. Dat besliste de Hoge Raad op 9 oktober 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3011) in een prejudiciële beslissing. Oudere rekentools gaan hier nog steeds de mist in.
Hoe worden de kosten tussen de ouders verdeeld?
Kunnen de ouders samen de behoefte dekken, dan worden de kosten verdeeld naar verhouding van ieders draagkracht: de draagkrachtvergelijking. Is de gezamenlijke draagkracht lager dan de behoefte, dan draagt ieder bij wat hij kan en blijft er een tekort. Daarna krijgt de betalende ouder in beginsel een zorgkorting voor de dagen dat het kind bij hem of haar is.
De hoogte van de zorgkorting hangt af van het aantal zorgdagen volgens de regeling. Is er feitelijk geen omgang, dan is er ook geen grond voor de korting. Het gerechtshof Den Haag paste op 12 maart 2025 (ECLI:NL:GHDHA:2025:745) geen zorgkorting toe omdat beide kinderen geen contact met de vader hadden.
Het kan ook andersom. De ouder bij wie het kind zijn hoofdverblijf heeft, kan moeten bijdragen in de zorgkosten van de andere ouder. Daarvoor zijn geen bijzondere omstandigheden nodig; de gewone maatstaven van behoefte en draagkracht gelden (Hoge Raad 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1924).
Rekenvoorbeeld uit de rechtspraak: zorgkorting bij een tekort
Blijft er een tekort, dan kan de zorgkorting geheel of gedeeltelijk vervallen, zodat het tekort niet zonder meer voor rekening van het kind komt. De rechtbank Den Haag rekende dat op 23 juni 2026 zo voor (ECLI:NL:RBDHA:2026:20671):
| Stap | Bedrag per maand |
|---|---|
| Behoefte van het kind, geïndexeerd naar 2025 | € 597 |
| Zorgkorting (15 procent van € 597, afgerond) | € 90 |
| Gezamenlijke draagkracht van de ouders | € 548 |
| Tekort (€ 597 min € 548) | € 49 |
| Helft van het tekort, af van de zorgkorting van de vader | € 25 |
| Resterende zorgkorting (€ 90 min € 25) | € 65 |
| Draagkracht vader min resterende zorgkorting (€ 323 min € 65) | € 258 kinderalimentatie |
Welke uitzonderingen spelen vaak een rol?
De standaardberekening past niet altijd. De meest voorkomende uitzonderingen gaan over kinderen uit meer relaties, een wisselend inkomen, schulden, een nieuwe partner, kinderen tussen 18 en 21 en de ingangsdatum.
Kinderen uit meer relaties
Is de draagkracht niet genoeg voor alle kinderen, dan wordt het beschikbare bedrag in beginsel gelijk over hen verdeeld, tenzij bijzondere omstandigheden een andere verdeling rechtvaardigen. In de zaak die leidde tot Hoge Raad 27 oktober 2023 (ECLI:NL:HR:2023:1480) had het hof € 129 per maand toegekend aan één dochter en € 75 aan drie andere kinderen samen, zonder berekening en zonder bijzondere omstandigheden. Dat hield geen stand.
Ontbreken gegevens over de andere ouder of de andere kinderen, dan mag de rechter die verplichtingen niet negeren maar moet hij zoveel mogelijk schatten. Kan de andere ouder in het eigen levensonderhoud voorzien, dan mag de rechter zonder nader onderzoek aannemen dat die ouder ten minste de helft van de behoefte van die kinderen betaalt (Hoge Raad 17 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:664).
Ondernemers en een wisselend inkomen
Bij ondernemers, zzp’ers en ouders met een sterk wisselend inkomen wordt vaak gerekend met een gemiddelde over meer jaren. Dat is geen vaste regel: het tijdvak moet passen bij de aard van het inkomen en de beschikbare cijfers. De rechtbank Den Haag rekende bij een ondernemer met het gemiddelde netto besteedbaar inkomen over 2022 tot en met 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2025:27788). Jaarrekeningen, aangiften en de winst die in de onderneming blijft, spelen allemaal mee.
Schulden
Bij de draagkracht telt in beginsel elke schuld van de betalende ouder mee, ook een schuld waarop niet wordt afgelost. De rechter kan daarvan afwijken, bijvoorbeeld bij schulden die na het ontstaan van de onderhoudsplicht onnodig zijn aangegaan, maar moet dat motiveren. Het gerechtshof Amsterdam benadrukte op 21 april 2026 (ECLI:NL:GHAMS:2026:1117) dat de wetgever hoge prioriteit geeft aan de onderhoudsplicht, zodat extra lasten deugdelijk moeten worden onderbouwd. Toch rekende het hof € 250 per maand aflossing op een belastingschuld mee, ook al werd daar nog niet op afgelost.
Een wettelijke schuldsanering (Wsnp) is iets anders dan gemeentelijke schuldhulpverlening. Bij gemeentelijke schuldhulpverlening geldt geen vermoeden dat er geen draagkracht is (Hoge Raad 8 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:340). In een zaak over partneralimentatie oordeelde de Hoge Raad dezelfde dag dat de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet als last meetelt bij de draagkracht (ECLI:NL:HR:2024:330).
Een nieuwe partner
Samenwonen met een nieuwe partner maakt die partner niet onderhoudsplichtig voor uw kind. Trouwt u of gaat u een geregistreerd partnerschap aan, dan moet de stiefouder tijdens het huwelijk bijdragen in de kosten van de minderjarige kinderen van de partner die tot het gezin behoren (artikel 1:395 BW). Volgens de Rijksoverheid moet het kind dan het grootste deel van de tijd bij u wonen. Eindigt het huwelijk of partnerschap, dan stopt deze plicht.
Als het kind 18 wordt
Vanaf 18 jaar geldt een voortgezette onderhoudsplicht op grond van artikel 1:395a BW:
Ouders zijn verplicht te voorzien in de kosten van levensonderhoud en studie van hun meerderjarige kinderen die de leeftijd van een en twintig jaren niet hebben bereikt.
De bijdrage gaat dan rechtstreeks naar het kind, dat zelf een verzoek bij de rechter kan indienen. De berekening verandert ook: de rechter kijkt naar de eigen behoefte van het kind, en eigen inkomsten en studiefinanciering tellen mee.
De ingangsdatum
De ingangsdatum is een apart onderdeel van de beslissing (artikel 1:402 BW). Meestal komen drie data in aanmerking: de datum waarop de bepalende omstandigheden intraden, de datum van het verzoek en de datum van de beslissing. Bij een wijziging is de rechter terughoudend met terugwerkende kracht. Het gerechtshof Amsterdam koos in de hiervoor genoemde zaak voor de datum van indiening van het verzoekschrift, omdat de betalingsverplichting vanaf dat moment in beeld was. Wilt u een eerdere datum, onderbouw dat dan in uw verzoek.
Wanneer kunt u een bestaande afspraak laten wijzigen?
Artikel 1:401 BW kent drie gronden: een latere wijziging van omstandigheden, een beslissing die van meet af aan op onjuiste of onvolledige gegevens berustte, en een overeenkomst die met grove miskenning van de wettelijke maatstaven is gesloten. Elke grond vraagt een eigen onderbouwing. Neem de kosten van de kinderen in het ouderschapsplan op, zodat daar later geen discussie over ontstaat.
Een niet-wijzigingsbeding is nietig voor zover het bepaalt dat een grotere behoefte of draagkracht niet tot hogere kinderalimentatie kan leiden (Hoge Raad 1 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1689). Een beding dat alleen verlaging uitsluit, kan wel rechtsgevolg hebben. Laat een echtscheidingsadvocaat de alimentatieberekening controleren voordat het bedrag in het verzoekschrift komt.
De jaarlijkse indexering van alimentatie per 1 januari (artikel 1:402a BW) is iets anders: een rekenkundige aanpassing aan de loonontwikkeling, geen nieuwe beoordeling van behoefte en draagkracht.
Hoe legt u kinderalimentatie vast zodat u kunt innen?
Om kinderalimentatie te kunnen innen, heeft u een executoriale titel nodig, zoals een beschikking van de rechter. Met een titel kan het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) op uw verzoek de inning overnemen (artikel 1:408 BW):
De executoriale titel wordt daartoe door de onderhoudsgerechtigde in handen gesteld van dit Bureau.
Een ouderschapsplan of onderhandse overeenkomst legt afspraken vast, maar is op zichzelf geen executoriale titel. In een echtscheidingsprocedure kan de rechter die afspraken in de beschikking opnemen (artikel 819 Rv); dan krijgen ze die titel alsnog. Het LBIO bemiddelt eerst bij een achterstand. Voor u als ontvanger is de inning kosteloos; lukt bemiddeling niet, dan brengt het LBIO kosten in rekening bij de betalende ouder.
Woont een ouder of het kind in een andere EU-lidstaat, dan kan de Europese Alimentatieverordening (Verordening (EG) nr. 4/2009) van belang zijn voor bevoegdheid, toepasselijk recht en tenuitvoerlegging. Zonder grensoverschrijdend element blijft de Nederlandse berekening bepalend. De kinderalimentatie bij de scheiding loopt meestal mee als nevenvoorziening.
Kinderalimentatie berekenen in zes stappen
- Verzamel de gegevens. Over het kind: geboortedatum, de datum van samenwonen en uit elkaar gaan, het netto besteedbaar gezinsinkomen in die periode en het aantal kinderen. Over de ouders: actuele inkomens, toeslagen waaronder het kindgebonden budget, inkomen uit onderneming, vermogen of verhuur, schulden met aflossingen en ontstaansgrond, en onderhoudsplichten voor andere kinderen. Over de uitvoering: de feitelijke zorgregeling, structurele extra kosten, de bestaande afspraak, de gewenste ingangsdatum en of er al een executoriale titel is.
- Stel de behoefte vast met het gezinsinkomen en het aantal kinderen, en beoordeel of er structurele extra kosten zijn.
- Bereken per ouder de draagkracht met de bedragen en percentages uit de geldende versie van het Rapport alimentatienormen.
- Verdeel de behoefte naar verhouding van de draagkracht en pas de zorgkorting toe op basis van de feitelijke regeling; houd rekening met een lagere korting bij een tekort.
- Leg de uitkomst vast in een ouderschapsplan, convenant of beschikking. Voor inning is een executoriale titel nodig.
- Laat de berekening controleren voordat u zich eraan bindt. Een bedrag dat verkeerd is vastgesteld, werkt jaren door en is alleen met een wijzigingsprocedure te corrigeren.
Welke rekenfouten komen vaak voor?
- Rekenen met het brutoloon in plaats van het netto besteedbaar inkomen.
- Het kindgebonden budget van de behoefte aftrekken; sinds HR 9 oktober 2015 hoort het bij de draagkracht.
- Een zorgkorting toepassen voor een regeling die alleen op papier bestaat.
- Alleen naar het salaris kijken, terwijl inkomen uit een tweede baan, verhuur, onderneming of vermogen ook meetelt.
- Schulden zonder motivering volledig meenemen of juist negeren.
- De jaarlijkse indexering niet doorvoeren, waardoor een achterstand ontstaat die later kan worden opgeëist.
- De uitkomst van een online rekentool als eindbedrag zien; zo’n tool rekent met uw eigen aannames en soms met verouderde normen.
Veelgestelde vragen
Moet u blijven betalen als u uw kind niet ziet?
In beginsel wel. De onderhoudsplicht (artikel 1:404 BW) en de omgang zijn twee aparte verplichtingen. Het ontbreken van feitelijke zorg heeft wel gevolgen voor de zorgkorting, en dat werkt juist in het nadeel van de betalende ouder.
Verandert het bedrag als uw ex-partner meer gaat verdienen?
Niet vanzelf. Een vastgesteld bedrag blijft gelden totdat het in overleg wordt aangepast of door de rechter wordt gewijzigd op grond van artikel 1:401 BW. Alleen de jaarlijkse indexering gaat automatisch.
Wat wij doen bij kinderalimentatie
- Wij berekenen behoefte en draagkracht met de actuele versie van het Rapport alimentatienormen, inclusief kindgebonden budget en schulden.
- Wij beoordelen bij ondernemers de jaarcijfers en aangiften en kiezen een passende periode.
- Wij stellen het verzoek- of verweerschrift op en onderbouwen de ingangsdatum (artikel 1:402 BW).
- Wij zorgen dat afspraken in een beschikking komen, zodat het LBIO bij een achterstand kan innen.
In het kort
- Kinderalimentatie volgt uit de behoefte van het kind en de draagkracht van elke ouder (artikel 1:397 BW).
- Het kindgebonden budget telt bij de draagkracht, niet bij de behoefte (HR 9 oktober 2015).
- Zonder feitelijke omgang geen zorgkorting; bij een tekort kan de korting worden verlaagd.
- Een niet-wijzigingsbeding kan een verhoging niet tegenhouden (HR 1 november 2019).
- Zonder executoriale titel kunt u de bijdrage niet via het LBIO laten innen.
Onze familierechtadvocaten werken vanuit Eindhoven en Amsterdam.