Kinderalimentatie wordt vastgesteld door twee grootheden tegenover elkaar te zetten: wat het kind nodig heeft, de behoefte, en wat elke ouder daaraan kan bijdragen, de draagkracht. Die twee begrippen vormen samen de wettelijke maatstaf van artikel 1:397 BW; het Rapport alimentatienormen van de Expertgroep Alimentatienormen vertaalt die maatstaf in bedragen, maar vervangt hem niet.
In dit artikel leest u wat de wettelijke hoofdregels zijn rondom het berekenen van kinderalimentatie, welke uitzonderingen gelden en welke stappen u kunt nemen.
De juridische hoofdregel: behoefte van het kind en draagkracht van de ouders
De berekening bestaat uit twee grootheden. Eerst wordt vastgesteld wat het kind kost, de behoefte. Daarna wordt vastgesteld wat elke ouder daaraan kan bijdragen, de draagkracht. Artikel 1:397 BW bepaalt:
Bij de bepaling van het volgens de wet door bloed- en aanverwanten verschuldigde bedrag voor levensonderhoud wordt enerzijds rekening gehouden met de behoeften van de tot onderhoud gerechtigde en anderzijds met de draagkracht van de tot uitkering verplichte persoon.
Zijn er meerdere onderhoudsplichtigen, dan telt daarnaast ieders draagkracht en de verhouding tot de gerechtigde mee. De onderhoudsplicht zelf volgt uit artikel 1:404 BW:
Ouders zijn verplicht naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen.
Voor meerderjarige kinderen tot eenentwintig jaar geldt een aanvullende grondslag in artikel 1:395a BW, die verderop aan de orde komt. De onderhoudsplicht loopt in totaal door tot het kind eenentwintig jaar wordt.
Voor kinderen tot eenentwintig jaar geldt geen behoeftigheidstoets. De onderhoudsplicht bestaat ongeacht of het kind zelf over middelen zou kunnen beschikken. Dat is een wezenlijk verschil met partneralimentatie, waar behoeftigheid wel een zelfstandige voorwaarde is.
Stap één, de behoefte van het kind
De behoefte wordt in beginsel afgeleid uit het netto besteedbaar gezinsinkomen in de periode dat de ouders nog samen een huishouding voerden. Het uitgangspunt is dat het kind zo min mogelijk in welstand achteruitgaat door de scheiding. Aan de hand van dat inkomen en het aantal kinderen wordt het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen bepaald, met behulp van de tabel die bij het Rapport alimentatienormen hoort. Die tabel is gebaseerd op onderzoek naar wat gezinnen feitelijk aan hun kinderen besteden en wordt periodiek herzien.
De tabel is een leidraad, geen wet. De rechter mag ervan afwijken wanneer de omstandigheden daartoe aanleiding geven, en moet die afwijking motiveren. Bij bijzondere kosten die structureel zijn en niet in de tabelbedragen zitten, zoals kosten van een handicap of van bijzonder onderwijs, kan de behoefte hoger worden vastgesteld.
Bij zeer hoge inkomens loopt de tabel op een grens. Naarmate het werkelijke gezinsinkomen verder uitstijgt boven het hoogste tabelbedrag, kan minder worden volstaan met forfaitaire bedragen en is meer maatwerk aan de hand van de daadwerkelijke kosten geboden, bijvoorbeeld aan de hand van een onderbouwd overzicht van wat er werkelijk aan het kind werd besteed (Conclusie A-G 8 december 2023, ECLI:NL:PHR:2023:1120).
Hebben de ouders nooit in gezinsverband samengeleefd, dan kan de behoefte niet uit één gezamenlijk gezinsinkomen worden afgeleid. In dat geval kan de behoefte worden bepaald door afzonderlijk naar de welstand van iedere ouder te kijken (Conclusie A-G 26 mei 2023, ECLI:NL:PHR:2023:542).
Stap twee, de draagkracht van elke ouder
Draagkracht wordt berekend over het netto besteedbaar inkomen, niet over het brutoloon. Netto besteedbaar inkomen is het inkomen uit alle bronnen na belastingen en na verrekening van heffingskortingen en toeslagen, waaronder het kindgebonden budget.
Van dat inkomen worden vervolgens de lasten afgetrokken die de ouder redelijkerwijs nodig heeft om zelf van te leven. Het Rapport alimentatienormen werkt daarbij met forfaitaire bedragen in plaats van met de werkelijke uitgaven: een vast deel van het inkomen wordt aangemerkt als woonlast en daarnaast geldt een forfaitair bedrag voor de overige noodzakelijke kosten van bestaan. Van wat dan overblijft, is een vast percentage beschikbaar voor de kinderen. De hoogte van die forfaits en percentages wordt periodiek aangepast, zodat een berekening altijd moet worden gemaakt met de versie van het rapport die geldt op het moment waarop wordt gerekend.
Het kindgebonden budget, inclusief de alleenstaandeouderkop, wordt niet in mindering gebracht op de behoefte van het kind, maar meegenomen bij de draagkracht van de ouder die het ontvangt (HR 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3011). Dat is een van de punten waarop oudere berekeningen en verouderde rekentools nog steeds de mist in gaan.
Stap drie, de draagkrachtvergelijking en de zorgkorting
Zijn beide ouders samen in staat de behoefte te dekken, dan worden de kosten over hen verdeeld naar rato van ieders draagkracht. Die verdeling heet de draagkrachtvergelijking. Is de gezamenlijke draagkracht lager dan de behoefte, dan draagt ieder naar vermogen bij en blijft een tekort ongedekt.
Op het bedrag dat de niet-verzorgende ouder verschuldigd is, wordt in beginsel een zorgkorting toegepast. Die korting drukt uit dat deze ouder tijdens de dagen dat het kind bij hem of haar is, zelf al kosten maakt. De hoogte van de korting hangt af van het aantal dagen zorg per week volgens de afgesproken of vastgestelde regeling. Bestaat er in feite geen omgang, dan is er ook geen grond voor de korting: het gerechtshof Den Haag zag in een zaak waarin beide kinderen geen contact met de vader hadden, geen aanleiding om met een zorgkorting rekening te houden (Gerechtshof Den Haag 12 maart 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:745).
Ook de omgekeerde situatie kan zich voordoen. Voor een bijdrage van de ouder bij wie het kind zijn hoofdverblijf heeft in de zorgkosten van de andere ouder is geen bijzondere of uitzonderlijke omstandigheid vereist; die aanspraak wordt beoordeeld aan de hand van de gewone maatstaven van behoefte en draagkracht (HR 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1924).
Blijft er na toepassing van de zorgkorting een tekort, dan kan de korting geheel of gedeeltelijk vervallen. Het tekort komt dan niet zonder meer voor rekening van het kind. De rechtbank Den Haag rekende dat in een zaak als volgt voor: de behoefte van het kind bedroeg geïndexeerd € 597 per maand, het zorgkortingspercentage was 15 en de zorgkorting daarmee € 90 per maand. Omdat de ouders samen een tekort van € 49 per maand lieten zien, kwam de helft van dat tekort in mindering op de zorgkorting van de vader, zodat daarvan € 65 per maand overbleef (Rechtbank Den Haag 23 juni 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:20671).
Belangrijke uitzonderingen en nuances
Kinderen uit meer dan één relatie
Heeft een ouder onderhoudsplichten jegens kinderen uit verschillende relaties, terwijl de draagkracht niet toereikend is om aan al die verplichtingen te voldoen, dan wordt het beschikbare bedrag in beginsel gelijk over die kinderen verdeeld, tenzij bijzondere omstandigheden een andere verdeling rechtvaardigen (HR 17 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:664).
Ontbreken gegevens over een andere onderhoudsplichtige of over de andere kinderen, dan mogen die niet zonder meer worden genegeerd. De rechter moet de behoefte van die kinderen en de draagkracht van de andere ouder zoveel mogelijk schatten aan de hand van de beschikbare gegevens, en die uitkomst controleerbaar motiveren. Wordt de andere ouder geacht in het eigen levensonderhoud te kunnen voorzien, dan mag de rechter zonder nader onderzoek aannemen dat die ouder ten minste de helft van de behoefte van de kinderen uit die andere relatie bijdraagt. Een ongelijke verdeling zonder concrete bijzondere omstandigheden en zonder inzichtelijke motivering volstaat niet (HR 27 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1480).
Wisselend inkomen en ondernemers
Bij een ouder in loondienst met een stabiel salaris is het netto besteedbaar inkomen goed vast te stellen. Bij ondernemers, zzp’ers en ouders met een sterk wisselend inkomen ligt dat anders. In de praktijk wordt dan vaak gerekend met een gemiddelde over meerdere jaren, maar dat is geen vaste regel: het gekozen tijdvak moet aansluiten bij de aard van het inkomen en bij de beschikbare cijfers. Bij een onderneming met sterk wisselende resultaten werd bijvoorbeeld gerekend met een gemiddelde over drie jaren (Rechtbank Den Haag 27 maart 2026, ECLI:NL:RBDHA:2025:27788). Jaarrekeningen, aangiften en de mate waarin winst in de onderneming blijft, spelen daarbij alle een rol. Dit is bij uitstek een onderdeel waarover partijen van mening verschillen.
Schulden en bijzondere lasten
Bij het bepalen van de draagkracht wordt in beginsel rekening gehouden met alle schulden van de onderhoudsplichtige, ook met schulden waarop niet wordt afgelost. Dat is de hoofdregel en geen automatisme: de rechter kan een schuld minder gewicht toekennen, bijvoorbeeld wanneer die vermijdbaar, verwijtbaar of aflosbaar is, en moet dat dan motiveren. Daarbij weegt mee dat de wetgever hoge prioriteit heeft toegekend aan de verplichting van ouders om in de kosten van hun kind te voorzien (Gerechtshof Amsterdam 21 april 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:1117).
Een wettelijke schuldsaneringsregeling is iets anders dan gemeentelijke schuldhulpverlening en werkt niet op dezelfde manier door in de berekening (HR 8 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:340). De inkomensafhankelijke bijdrage op grond van de Zorgverzekeringswet hoort als last in de draagkrachtberekening te worden meegenomen (HR 8 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:330).
Van achttien tot eenentwintig jaar
Tot achttien jaar gaat de bijdrage naar de verzorgende ouder. Vanaf achttien jaar bestaat een voortgezette onderhoudsplicht op grond van artikel 1:395a BW:
Ouders zijn verplicht te voorzien in de kosten van levensonderhoud en studie van hun meerderjarige kinderen die de leeftijd van een en twintig jaren niet hebben bereikt.
Vanaf de meerderjarigheid is het kind zelf onderhoudsgerechtigde; de betaling gaat dan rechtstreeks naar het kind. Dat heeft ook gevolgen voor de procespositie: het jongmeerderjarige kind kan zelfstandig een verzoek indienen of bij een procedure worden betrokken, in plaats van de ouder die eerder namens het minderjarige kind optrad. De berekening verandert daarmee van karakter, want vanaf die leeftijd wordt gekeken naar de eigen behoefte van de jongmeerderjarige, waarbij eigen inkomsten en studiefinanciering meewegen.
De ingangsdatum
De ingangsdatum is een zelfstandig onderdeel van de beslissing en moet uitdrukkelijk worden vastgesteld. Artikel 1:402 BW bepaalt:
De rechter, die het bedrag van een uitkering tot levensonderhoud bepaalt, wijzigt of intrekt, stelt tevens de dag vast, van welke dit bedrag verschuldigd is of ophoudt verschuldigd te zijn.
De rechter heeft daarbij een ruime beoordelingsvrijheid. In de praktijk komen doorgaans drie data in aanmerking: de datum van het inleidende of zelfstandige verzoek, de datum van de beslissing, en de datum waarop de omstandigheden intreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn. Van de mogelijkheid om een bedrag met terugwerkende kracht te laten ingaan, moet behoedzaam gebruik worden gemaakt, vooral wanneer de betalende ouder daardoor met een verplichting over een reeds verstreken periode wordt geconfronteerd. Aansluiten bij de datum waarop het inleidende processtuk is ingediend, is daarbij niet ongebruikelijk, omdat vanaf dat moment met een betalingsverplichting rekening kan worden gehouden (Gerechtshof Amsterdam 21 april 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:1117). Wie een eerdere ingangsdatum wil, doet er verstandig aan die wens te benoemen en te onderbouwen.
Wijziging van een eerdere afspraak of beschikking
Een eerder vastgestelde bijdrage staat niet voor altijd vast. Artikel 1:401 BW bepaalt:
Een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst betreffende levensonderhoud kan bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.
Naast wijziging door een latere verandering van omstandigheden kent de wet ook wijziging van een beslissing die van meet af aan op onjuiste of onvolledige gegevens berustte, en wijziging van een overeenkomst die met grove miskenning van de wettelijke maatstaven is aangegaan. Die drie gronden vragen elk een eigen motivering en een eigen onderbouwing en moeten daarom uit elkaar worden gehouden.
Een niet-wijzigingsbeding kan een verhoging van kinderalimentatie wegens toegenomen behoefte of draagkracht niet uitsluiten (HR 1 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1689). Ouders kunnen dus niet vooraf afspreken dat de kinderalimentatie nooit meer omhoog kan.
De executoriale titel en de invordering
Voor het daadwerkelijk innen van kinderalimentatie is een executoriale titel nodig. Een rechterlijke beschikking is zo’n titel, een onderhandse of mondelinge afspraak niet. Bestaat er een titel, dan kan het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen op verzoek de invordering overnemen. Artikel 1:408 BW bepaalt daarover:
De executoriale titel wordt daartoe door de onderhoudsgerechtigde in handen gesteld van dit Bureau.
Een ouderschapsplan of een onderhandse overeenkomst kan de afspraken wel vastleggen, maar levert op zichzelf geen executoriale titel op. In een echtscheidingsprocedure kunnen die afspraken op grond van artikel 819 Rv in de beschikking worden opgenomen, waarmee zij die titel alsnog krijgen. Wie kinderalimentatie enkel mondeling of per e-mail afspreekt, loopt het risico dat naleving niet kan worden afgedwongen zonder eerst een procedure te voeren.
Grensoverschrijdende situaties
Woont een van de ouders of het kind in een andere lidstaat, of moet een beslissing in een andere lidstaat ten uitvoer worden gelegd, dan kan de Europese Alimentatieverordening, Verordening (EG) nr. 4/2009, van belang zijn. Die verordening regelt de rechterlijke bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen en de samenwerking tussen lidstaten bij onderhoudsverplichtingen. Ontbreekt een grensoverschrijdend element, dan blijft de gewone Nederlandse systematiek van behoefte en draagkracht bepalend.
De berekening en de jaarlijkse verhoging staan los van elkaar
Een vastgesteld bedrag wordt elk jaar per 1 januari van rechtswege aangepast aan de loonontwikkeling, op grond van artikel 1:402a BW. Hoe die indexering van alimentatie uitpakt, staat in een apart artikel. Dat is een rekenkundige aanpassing en geen nieuwe beoordeling van behoefte en draagkracht. Wilt u het bedrag zelf gewijzigd zien omdat de omstandigheden zijn veranderd, dan loopt dat via een verzoek op grond van artikel 1:401 BW. Die twee sporen blijven gescheiden.
Stappenplan: zo komt u tot een berekening
Verzamel eerst de gegevens. Zonder deze gegevens is een houdbare berekening niet te maken:
- de geboortedatum en de familierechtelijke betrekking tot het kind
- de datum van samenwoning, uiteengaan of echtscheiding
- het netto besteedbaar gezinsinkomen in de relevante periode
- het aantal kinderen dat tot het gezin behoorde
- de actuele inkomensgegevens van beide ouders
- toeslagen, waaronder het kindgebonden budget
- inkomen uit onderneming, vermogen, verhuur of nevenactiviteiten
- de feitelijke zorgregeling, inclusief vakanties en overnachtingen
- andere onderhoudsplichten en de draagkracht van de andere ouder
- schulden, aflossingen en de ontstaansgrond daarvan
- bijzondere kosten, zoals medische kosten, onderwijs, opvang of een handicap
- de bestaande afspraak of beschikking, inclusief indexering
- de gewenste ingangsdatum
- de vraag of er een executoriale titel is en of invordering aan de orde is
Stel daarna de behoefte van het kind vast aan de hand van het gezinsinkomen en het aantal kinderen, en beoordeel of er structurele bijzondere kosten zijn die niet in de tabelbedragen zitten.
Bereken per ouder het netto besteedbaar inkomen en daarna de draagkracht, met de forfaits en percentages uit de versie van het Rapport alimentatienormen die op dat moment geldt.
Vergelijk de draagkracht van beide ouders en verdeel de behoefte naar rato. Pas daarna de zorgkorting toe op basis van de feitelijke zorgregeling, en houd rekening met een vermindering van die korting bij een tekort aan gezamenlijke draagkracht.
Leg de uitkomst vast. Zonder vastlegging in een ouderschapsplan, een convenant of een beschikking hebt u geen titel om op terug te vallen, en voor invordering is een executoriale titel nodig.
Laat de berekening controleren voordat u zich eraan bindt. Een bedrag dat één keer te laag of te hoog is vastgesteld, werkt jarenlang door en is achteraf alleen met een wijzigingsprocedure te corrigeren.
Veelgemaakte fouten in de praktijk
Rekenen met het brutoloon. De hele systematiek gaat uit van het netto besteedbaar inkomen. Wie met bruto begint, komt structureel verkeerd uit.
Het kindgebonden budget van de behoefte aftrekken. Dat gebeurde vóór 2015 en zit nog in oudere modellen en rekentools. Het budget hoort aan de kant van de draagkracht.
De zorgkorting toepassen zonder dat er zorg is. De korting hoort bij een regeling die feitelijk wordt uitgevoerd, niet bij een regeling die alleen op papier staat.
Alleen naar het inkomen uit dienstbetrekking kijken. Inkomen uit een tweede baan, uit verhuur, uit een onderneming of uit vermogen telt in beginsel mee.
Schulden zonder motivering volledig meenemen of volledig negeren. De hoofdregel is dat schulden meetellen, ook zonder aflossing, maar een afwijking daarvan vraagt om een onderbouwing.
De jaarlijkse indexering niet doorvoeren. Die loopt automatisch door, ook als niemand eraan denkt. Na een aantal jaren ontstaat daardoor een verschil dat later alsnog wordt opgeëist.
Een uitkomst van een online rekentool als eindbedrag beschouwen. Zo’n tool rekent met aannames die u zelf invult en werkt vaak met een verouderde versie van de normen. Het is een indicatie, geen vaststelling.
Afspraken vastleggen zonder executoriale titel. Een mondelinge afspraak of een bedrag dat u onderling hebt vastgesteld, is niet afdwingbaar.
Veelgestelde vragen
Kan ik kinderalimentatie zelf berekenen?
U kunt zelf een indicatie maken en dat is nuttig als voorbereiding. De officiële berekening vraagt om de actuele versie van het Rapport alimentatienormen, om een juiste vaststelling van het netto besteedbaar inkomen en om keuzes bij bijzondere posten. Wordt de uitkomst vastgelegd of aan de rechter voorgelegd, laat de berekening dan controleren.
Verandert het bedrag als mijn ex-partner meer gaat verdienen?
Niet vanzelf. Een vastgesteld bedrag blijft gelden totdat het in onderling overleg wordt aangepast of door de rechter wordt gewijzigd. Een wijziging kan worden verzocht bij een relevante wijziging van omstandigheden op grond van artikel 1:401 BW. Alleen de jaarlijkse indexering gaat automatisch.
Moet ik blijven betalen als ik mijn kind niet zie?
In beginsel wel. De onderhoudsplicht en de omgang zijn twee zelfstandige verplichtingen; het uitblijven van omgang schort de betalingsverplichting niet op. Wel kan het ontbreken van feitelijke zorg gevolgen hebben voor de zorgkorting, en dat werkt in het nadeel van de betalende ouder.
Kan een niet-wijzigingsbeding een toekomstige verhoging tegenhouden?
Nee. Een niet-wijzigingsbeding kan een verhoging van de kinderalimentatie wegens toegenomen behoefte of draagkracht niet uitsluiten. Het beding kan wel gevolgen hebben voor andere onderdelen van de afspraak.
Wat heb ik nodig om kinderalimentatie te kunnen innen?
U hebt een executoriale titel nodig, zoals een rechterlijke beschikking of een convenant dat in een beschikking is opgenomen. Een onderhandse of mondelinge afspraak is dat niet. Met een titel kunt u het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen inschakelen voor de invordering.
Advocaat kinderalimentatie in Eindhoven en Amsterdam
Law & More adviseert ouders bij het berekenen, vastleggen en zo nodig wijzigen van kinderalimentatie. Wij maken de berekening met de actuele normen, beoordelen of de uitkomst standhoudt, brengen in kaart welke gegevens daarvoor nog ontbreken, en leggen de afspraken zo vast dat u er later op kunt terugvallen, inclusief de executoriale titel die voor invordering nodig is. Onze advocaten werken vanuit Eindhoven en Amsterdam en staan cliënten in heel Nederland bij. Neem gerust contact met ons op voor een eerste beoordeling van uw situatie.
Vindplaatsen
Artikel 1:395a, 1:397, 1:401, 1:402, 1:402a, 1:404 en 1:408 BW, artikel 819 Rv en Verordening (EG) nr. 4/2009.
HR 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3011. HR 1 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1689. HR 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1924. HR 27 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1480. HR 8 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:330 en ECLI:NL:HR:2024:340. HR 17 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:664. Gerechtshof Den Haag 12 maart 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:745. Gerechtshof Amsterdam 21 april 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:1117. Rechtbank Den Haag 23 juni 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:20671. Rechtbank Den Haag 27 maart 2026, ECLI:NL:RBDHA:2025:27788. Conclusie A-G 26 mei 2023, ECLI:NL:PHR:2023:542. Conclusie A-G 8 december 2023, ECLI:NL:PHR:2023:1120.
Laatste inhoudelijke controle: 18 augustus 2026. Deze tekst geeft algemene informatie en is geen juridisch advies over een concrete situatie. Wet- en regelgeving, rechtspraak en de alimentatienormen wijzigen periodiek.