Gepubliceerd op 15 oktober 2025 · Laatst bijgewerkt op 10 september 2026
Onrechtmatige uitwinning van pandrecht doet zich voor wanneer een pandhouder het verpande goed te gelde maakt zonder daartoe bevoegd te zijn, of zonder de verkoopregels van de artikelen 3:248 tot en met 3:251 BW te volgen. De pandhouder is dan aansprakelijk voor de schade van de pandgever en van andere belanghebbenden. Zijn zekerheidsrecht zelf verliest hij daarmee niet.
Inhoudsopgave
Onrechtmatige uitwinning van pandrecht: het korte antwoord
Bij onrechtmatige uitwinning van pandrecht verkoopt de pandhouder buiten de wettelijke kaders van artikel 3:250 BW, bijvoorbeeld onderhands zonder toestemming van de voorzieningenrechter. De pandgever kan dan schadevergoeding vorderen wegens onrechtmatige daad.
Wat is uitwinning van een pandrecht?
Een pandrecht is een zekerheidsrecht op een roerende zaak of op een vordering, geregeld in Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek. Het geeft de pandhouder het recht zich met voorrang op dat goed te verhalen wanneer de schuldenaar niet betaalt. Uitwinning is de fase waarin dat verhaalsrecht daadwerkelijk wordt uitgeoefend: het goed wordt verkocht en uit de opbrengst wordt de vordering voldaan.
Hoe het pandrecht is gevestigd, bepaalt hoe de uitwinning verloopt. Bij een vuistpand heeft de pandhouder de zaak al onder zich. Bij een stil pandrecht blijft de zaak bij de pandgever, die haar gewoon blijft gebruiken; de pandhouder moet de zaak dan eerst opeisen voordat hij kan verkopen. Bij verpande vorderingen bestaat uitwinning vooral uit het innen bij de debiteur, nadat daarvan mededeling is gedaan.
Voor de vestiging gelden eigen vormvoorschriften. De werking van artikel 3:236 BW ziet op vuistpand en op openbaar pandrecht op vorderingen, terwijl artikel 3:237 BW het stille pandrecht regelt via een notariele of een geregistreerde onderhandse akte. Is de vestiging gebrekkig, dan is er geen pandrecht en is iedere uitwinning per definitie onrechtmatig. Dat is de eerste vraag die in een geschil wordt gesteld, nog voor de vraag of de procedure juist is gevolgd.
Een pandhouder mag zich het goed nooit zelf toe-eigenen. Artikel 3:235 BW verklaart elk beding dat die bevoegdheid geeft nietig, ook als de pandgever daar bij het aangaan van de financiering mee heeft ingestemd. Wie welke zekerheden verstandig combineert, leest u in het overzicht van zekerheden bij de financiering van een bv.
Wanneer mag de pandhouder uitwinnen?
De bevoegdheid tot verkoop ontstaat pas als de schuldenaar in verzuim is met de nakoming van de vordering waarvoor het pandrecht is gevestigd. Dat is de kern van artikel 3:248 BW, de parate executie: de pandhouder heeft daarvoor geen executoriale titel en dus ook geen vonnis nodig.
Verzuim treedt in de regel in na een ingebrekestelling waarin een redelijke termijn voor nakoming is gegeven. In een aantal gevallen ontstaat het verzuim zonder ingebrekestelling, bijvoorbeeld wanneer een fatale termijn is verstreken of wanneer de schuldenaar laat weten niet te zullen betalen. Wordt er uitgewonnen terwijl het verzuim niet is ingetreden, dan ontbreekt de bevoegdheid en is de executie onrechtmatig, hoe reeel de vordering zelf ook is.
Bij bancaire financiering gaat aan de uitwinning meestal een opzegging van het krediet vooraf. Die opzegging moet op zichzelf rechtsgeldig zijn en de bank moet daarbij de eisen van redelijkheid en billijkheid en haar zorgplicht in acht nemen. Een opzegging die onder de gegeven omstandigheden onaanvaardbaar is, kan de daarop volgende executie meesleuren.
Ook een bevoegde pandhouder kan te ver gaan. Artikel 3:13 BW verbiedt misbruik van bevoegdheid: wie uitwint terwijl daar, gelet op de onevenredigheid tussen zijn belang en het belang van de pandgever, in redelijkheid geen aanleiding voor bestaat, handelt onrechtmatig. Dat speelt bijvoorbeeld wanneer een betalingsregeling loopt of wanneer de achterstand verwaarloosbaar is ten opzichte van de waarde van het onderpand.
Hoe moet het onderpand worden verkocht?
Het uitgangspunt van artikel 3:250 BW is openbare verkoop volgens de plaatselijke gewoonten en op de gebruikelijke voorwaarden. Een veiling via een deurwaarder of notaris is transparant en controleerbaar, en juist die controleerbaarheid is de reden dat de wet daaraan de voorkeur geeft.
Afwijken mag, maar alleen langs twee wegen die artikel 3:251 BW aanwijst. De voorzieningenrechter kan op verzoek bepalen dat het goed op een andere wijze wordt verkocht, of dat het voor een vastgestelde bedrag aan de pandhouder verblijft. Daarnaast kunnen pandhouder en pandgever onderhandse verkoop overeenkomen, maar pas nadat de pandhouder bevoegd is geworden tot verkoop. Een beding in de pandakte waarin die onderhandse verkoop al vooraf wordt geregeld, heeft dus geen effect.
Voorafgaand aan de verkoop moet de pandhouder de pandgever en andere beperkt gerechtigden op de hoogte stellen van de voorgenomen executie. Artikel 3:249 BW schrijft die aankondiging voor, en zij is meer dan een formaliteit: het is het moment waarop de pandgever nog kan betalen, kan onderhandelen of naar de rechter kan stappen. Het achterwege laten van de aankondiging is een van de meest voorkomende gebreken in de praktijk.
Na de verkoop volgt de afrekening. De pandhouder verhaalt zijn vordering en de executiekosten op de opbrengst; wat overblijft komt toe aan de pandgever of aan lager gerangschikte rechthebbenden, zoals een tweede pandhouder. Artikel 3:253 BW voorziet erin dat de verdeling bij onenigheid aan de rechter wordt voorgelegd. Wie het overschot onder zich houdt, maakt van een op zichzelf correcte executie alsnog een onrechtmatige.
Wanneer is de uitwinning onrechtmatig?
Onrechtmatigheid kan op drie niveaus ontstaan: er is geen geldig pandrecht, er is geen bevoegdheid tot verkoop, of de verkoop zelf is niet volgens de regels verlopen. In alle drie de gevallen is de grondslag voor aansprakelijkheid artikel 6:162 BW, de onrechtmatige daad.
De gevallen die in geschillen het vaakst terugkeren zijn deze:
- uitwinnen terwijl de schuldenaar niet in verzuim is, of terwijl de opzegging van het krediet geen stand houdt;
- onderhandse verkoop zonder rechterlijke machtiging en zonder een na het verzuim gesloten overeenkomst met de pandgever;
- verkoop zonder de voorgeschreven aankondiging aan de pandgever en aan andere beperkt gerechtigden;
- een verkoop waarbij geen enkele moeite is gedaan om een redelijke opbrengst te realiseren, bijvoorbeeld aan een gelieerde partij;
- het negeren van blokkeringsregelingen in de statuten bij de verkoop van verpande aandelen;
- het niet afdragen van het overschot aan de pandgever of aan de volgende pandhouder.
Dat de opbrengst tegenvalt, is op zichzelf geen onrechtmatige daad. Executie levert vrijwel altijd minder op dan een verkoop in het vrije verkeer, en dat verschil komt voor rekening van de pandgever. Waar het om gaat is of de pandhouder zich voldoende heeft ingespannen: heeft hij de zaken behoorlijk laten taxeren, meerdere gegadigden benaderd en de verkoop op een gebruikelijke wijze aangekondigd? Bij een tweede pandhouder speelt bovendien dat de eerste pandhouder ook diens belang bij een zo hoog mogelijke opbrengst in acht moet nemen.
Welke gevolgen heeft onrechtmatige uitwinning?
De pandhouder die onrechtmatig uitwint, is aansprakelijk voor de schade die daaruit voortvloeit. Dat kan schade van de pandgever zijn, maar ook van een tweede pandhouder wiens verhaalspositie is aangetast of van een leverancier met een eigendomsvoorbehoud wiens zaken zijn meeverkocht. Wie in zo een botsing voorgaat, hangt af van de rangorde; de verhouding tussen pandrecht en eigendomsvoorbehoud is daarbij een terugkerend twistpunt.
De schade wordt in de regel begroot op het verschil tussen de opbrengst die bij een zorgvuldige executie redelijkerwijs haalbaar was en de opbrengst die daadwerkelijk is behaald. Daarnaast komen vermogensschade die daarvan het gevolg is en de redelijke kosten van vaststelling van de schade voor vergoeding in aanmerking. Gederfde winst is denkbaar, maar vraagt om een concrete onderbouwing.
Wat de pandhouder niet verliest, is zijn zekerheidsrecht. Een fout in de executie tast het pandrecht als zodanig niet aan en ontneemt hem evenmin zijn voorrang. De sanctie zit in de schadevergoeding, niet in het verval van de zekerheid. In de onderlinge verrekening kan dat er wel toe leiden dat er per saldo niets van zijn verhaal overblijft.
Naast de civiele aansprakelijkheid loopt een tuchtrechtelijk spoor. Is de executie begeleid door een notaris of deurwaarder die zijn eigen zorgplicht heeft verzaakt, dan kan daarover een klacht worden ingediend. Wanneer u de notaris aansprakelijk kunt stellen is een zelfstandige vraag, die los staat van de aansprakelijkheid van de pandhouder.
De Belastingdienst en het bodemrecht
Bij zaken die zich op de bodem van de belastingschuldige bevinden, zoals inventaris en machines in het bedrijfspand, botst het pandrecht op het bodemrecht van de ontvanger. De Invorderingswet 1990 geeft de ontvanger op die zaken een sterke positie, ook wanneer daarop een stil pandrecht rust.
Daarom kent de wet een mededelingsplicht. Een pandhouder die voornemens is zich op bodemzaken te verhalen of die zaken van de bodem wil afvoeren, moet dat vooraf aan de ontvanger melden en vervolgens een wachttermijn in acht nemen waarin de ontvanger zelf maatregelen kan treffen. Wie die mededeling overslaat en toch handelt, loopt het risico dat hij de waarde van de zaken alsnog aan de ontvanger moet vergoeden.
Voor de praktijk betekent dit dat de eerste stap bij het uitwinnen van bedrijfsinventaris niet het inschakelen van een veilinghuis is, maar het in kaart brengen van de fiscale positie van de schuldenaar. Wordt die stap overgeslagen, dan kan een op zichzelf keurig verlopen executie de pandhouder alsnog geld kosten.
Uitwinning tijdens faillissement
Een faillissement van de pandgever blokkeert de uitwinning niet. Artikel 57 van de Faillissementswet bepaalt dat pand- en hypotheekhouders hun recht kunnen uitoefenen alsof er geen faillissement was. Die separatistenpositie is de belangrijkste reden dat financiers zekerheden bedingen.
De curator is daarbij niet machteloos. Artikel 58 Fw geeft hem de bevoegdheid de pandhouder een redelijke termijn te stellen om tot uitoefening van zijn rechten over te gaan. Verkoopt de pandhouder niet binnen die termijn, dan mag de curator het goed opeisen en zelf te gelde maken, waarbij de pandhouder zijn recht op de opbrengst behoudt. Op verzoek van de pandhouder kan de rechter-commissaris de termijn verlengen. Welke afwegingen daarbij spelen, blijkt uit de taken en bevoegdheden van de curator bij faillissement.
In de praktijk wordt vaak samengewerkt: de curator verkoopt de activa in het kader van een doorstart en de pandhouder deelt in de opbrengst, tegen een boedelbijdrage. Dat levert doorgaans meer op dan een losse veiling. Wie zonder overleg met de curator zelfstandig gaat uitwinnen, zet die opbrengst op het spel en creeert een geschil dat de afwikkeling voor beide partijen vertraagt.
Uitwinning van verpande vorderingen en aandelen
Bij verpande vorderingen ziet uitwinning er anders uit dan bij zaken. De pandhouder hoeft niets te veilen: hij wordt inningsbevoegd en int de vordering rechtstreeks bij de debiteur. Bij een openbaar pandrecht is aan die debiteur al bij de vestiging mededeling gedaan; bij een stil pandrecht ontstaat de inningsbevoegdheid pas op het moment dat de mededeling alsnog wordt gedaan.
Die mededeling is het scharnierpunt. Vanaf dat moment kan de debiteur alleen nog bevrijdend aan de pandhouder betalen en verliest de pandgever de zeggenschap over zijn eigen debiteurenportefeuille. Wordt er ingezet op inning terwijl er geen verzuim is, of wordt aan debiteuren meegedeeld dat de pandgever in betalingsproblemen verkeert terwijl daarvoor geen grond bestaat, dan kan dat op zichzelf onrechtmatig zijn tegenover de pandgever. De reputatieschade is in die situaties vaak groter dan het geinde bedrag.
Bij verpande aandelen in een bv gelden nog strengere formaliteiten. De vestiging en de latere overdracht verlopen via een notariele akte, en de statutaire blokkeringsregeling blijft bij executie in beginsel van toepassing. De pandhouder kan de aandelen dus niet zonder meer aan een willekeurige koper leveren; hij moet de in de statuten voorgeschreven aanbiedings- of goedkeuringsprocedure volgen, tenzij de rechter een afwijkende wijze van verkoop toestaat. Het negeren van die regeling is een klassieke bron van een onrechtmatigheidsverwijt, met een medeaansprakelijke notaris als sluitstuk.
Wat kan de pandgever doen?
De belangrijkste stap is snel handelen. Zodra de aankondiging van de executie binnenkomt, kunt u een kort geding aanhangig maken bij de voorzieningenrechter. Die kan de verkoop verbieden of schorsen, een dwangsom opleggen of bepalen dat de verkoop op een andere wijze plaatsvindt. Na de levering aan een derde is terugdraaien vrijwel onmogelijk en resteert alleen nog een schadevordering.
Bouw daarnaast een dossier op. De pandakte en de daarin opgenomen omschrijving van de verpande goederen, de ingebrekestelling, de kredietopzegging, de correspondentie over betalingsregelingen en de taxaties zijn het bewijsmateriaal waarmee de rechtmatigheid van de executie staat of valt. Ontbreekt een geldige ingebrekestelling, dan is dat vaak het snelste verweer.
Voorkomen blijft beter. Wie merkt dat een debiteur of financier aanstuurt op executie, doet er verstandig aan het gesprek te openen voordat het verzuim intreedt. De mogelijkheden die u hebt bij wanbetaling zijn aan beide zijden van de tafel ruimer zolang er nog geen executie loopt. Voor pandhouders geldt het spiegelbeeld: leg de omschrijving van de verpande goederen zorgvuldig vast, verifieer de beschikkingsbevoegdheid en documenteer elke stap van de executie. Hoe die vastlegging bij vorderingen werkt, staat beschreven in het artikel over verpanding van vorderingen en debiteuren.
Veelgestelde vragen
Wanneer is uitwinning van een pandrecht onrechtmatig?
Onrechtmatig is de uitwinning wanneer de bevoegdheid tot verkoop ontbreekt of wanneer de wettelijke verkoopregels niet zijn gevolgd. De schuldenaar moet in verzuim zijn, de verkoop moet openbaar plaatsvinden of langs een toegestane afwijkende weg, en de pandgever moet vooraf zijn gewaarschuwd.
Ook een op zichzelf bevoegde pandhouder kan onrechtmatig handelen door de uitvoering. Verkopen zonder enige inspanning om een redelijke opbrengst te halen, of uitwinnen terwijl daar geen redelijk belang bij bestaat, kan misbruik van bevoegdheid opleveren.
Mag de pandhouder het onderpand houden in plaats van verkopen?
Nee. Artikel 3:235 BW verklaart elk beding nietig waarbij de pandhouder de bevoegdheid krijgt zich het verpande goed toe te eigenen. De pandhouder moet verkopen en zich op de opbrengst verhalen.
Blijft er na aflossing van de vordering en de kosten een overschot over, dan komt dat toe aan de pandgever of aan andere rechthebbenden. De pandhouder mag dat niet onder zich houden.
Kan de pandgever de verkoop nog tegenhouden?
Ja, via een kort geding bij de voorzieningenrechter. Die kan de executie verbieden of schorsen, eventueel op straffe van een dwangsom. Snelheid is bepalend: na de verkoop is terugdraaien vrijwel onmogelijk en resteert alleen een schadevergoeding.
Een aankondiging van de verkoop is daarom geen formaliteit maar het moment waarop de pandgever moet handelen.
Welke schade kan de pandgever vorderen?
De vordering loopt via artikel 6:162 BW en omvat in de regel het verschil tussen de redelijkerwijs haalbare opbrengst en wat de verkoop daadwerkelijk heeft opgebracht, vermeerderd met vermogensschade die daarvan het gevolg is.
Denk aan de kosten van vervangende bedrijfsmiddelen of van herfinanciering. Gederfde winst is mogelijk, maar moet concreet worden onderbouwd; een enkele stelling dat de onderneming schade heeft geleden volstaat niet.
Behoudt de pandhouder zijn voorrang in een faillissement?
Ja. Artikel 57 van de Faillissementswet bepaalt dat pand- en hypotheekhouders hun recht kunnen uitoefenen alsof er geen faillissement was. Die separatistenpositie vervalt niet doordat bij de uitwinning een fout is gemaakt.
Wel kan de curator op grond van artikel 58 Fw een redelijke termijn stellen. Verkoopt de pandhouder niet binnen die termijn, dan mag de curator het goed opeisen en zelf te gelde maken; de rechter-commissaris kan de termijn op verzoek verlengen.
Moet de Belastingdienst worden gewaarschuwd voor de uitwinning?
Bij bodemzaken wel. De Invorderingswet 1990 verplicht een pandhouder die zich op zaken op de bodem van de belastingschuldige wil verhalen om dat vooraf aan de ontvanger mee te delen en daarna een wachttermijn in acht te nemen.
Handelt de pandhouder zonder die mededeling, dan riskeert hij dat hij de waarde van de zaken alsnog aan de ontvanger moet afdragen. Dit speelt vooral bij inventaris en machines die in het bedrijfspand staan.
Bij onrechtmatige uitwinning van pandrecht draait alles om volgorde en documentatie: bestond er een geldig pandrecht, was de schuldenaar in verzuim, is de verkoop aangekondigd en langs een toegestane weg verlopen, en is er correct afgerekend.
Elke schakel in die keten laat sporen na in de akte, de correspondentie en de taxatie, en juist daar wordt een executiegeschil beslist.
De advocaten ondernemingsrecht van Law & More in Eindhoven beoordelen die keten voor pandhouders en voor pandgevers, en treden op in kort geding wanneer een executie moet worden gestopt of juist moet doorgaan. Ook bij de afwikkeling met de curator of met de ontvanger van de Belastingdienst kunt u bij ons terecht.