Gepubliceerd op 2 juni 2026 · Laatst bijgewerkt op 8 oktober 2026
De politie mag geweld gebruiken, maar alleen als dat nodig is voor een rechtmatig doel, als een lichter middel niet werkt en als het geweld redelijk en gematigd blijft (artikel 7 Politiewet 2012). Gaat een agent over die grens, dan kan de Staat aansprakelijk zijn voor de schade en kan de agent in het uiterste geval strafbaar zijn; niet elk onrechtmatig geweld is ook strafbaar.
Een voorbeeld ter illustratie maakt het verschil zichtbaar. In de eerste situatie rent een man na een overval weg. Een agent waarschuwt, de man grijpt naar zijn broeksband en de agent schiet. In de tweede situatie ligt een aangehouden verdachte al geboeid op de grond. Hij biedt geen verzet meer, maar krijgt toch nog enkele klappen met de wapenstok. De meeste mensen voelen direct dat hier iets verschilt. Het recht gaat verder dan dat gevoel en trekt precieze grenzen. In dit artikel leggen wij uit wanneer de politie geweld mag gebruiken, wanneer rechtmatig optreden omslaat in onrechtmatig of zelfs strafbaar handelen, en welke wegen u heeft als het misgaat. Wij noemen daarbij de belangrijkste wetsartikelen en uitspraken, in zo gewoon mogelijke taal.
Inhoudsopgave
Is geweld door de politie toegestaan?
Ja, maar alleen binnen strenge grenzen. De Staat heeft het geweldsmonopolie, en de politie mag dat monopolie alleen gebruiken binnen grenzen die de wet vooraf trekt. Politiegeweld is dus niet verboden, maar wel streng genormeerd. Daarom komt in elke zaak dezelfde vraag terug: was dit geweld, in deze situatie, met dit middel en dit doel, echt nodig en redelijk? In het publieke debat gaat het bij politiegeweld vaak over vertrouwen, gezag en veiligheid. Juridisch begint de beoordeling ergens anders. De vraag is of het geweld binnen de wet bleef. Dat is geen gevoelskwestie, maar een toets aan bevoegdheden, beginselen en mensenrechten.
Waar staat de bevoegdheid om geweld te gebruiken?
De hoofdregel staat in artikel 7 lid 1 van de Politiewet 2012. Een politieambtenaar die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, mag in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening geweld gebruiken. Dat mag alleen als het beoogde doel dit rechtvaardigt, mede gelet op de gevaren van dat geweld, en als dat doel niet op een andere manier te bereiken is. Aan het geweld gaat zo mogelijk een waarschuwing vooraf. Artikel 7 lid 7 voegt daar de eis van gematigdheid aan toe: de uitoefening van de bevoegdheid moet redelijk en gematigd zijn in verhouding tot het doel.
Die wettekst lijkt kort. Toch zitten er vier onderdelen in die u in vrijwel elke zaak terugziet: een rechtmatig doel, noodzaak, het ontbreken van een lichter alternatief en gematigdheid. Ontbreekt de bevoegdheid zelf, dan is het geweld altijd onrechtmatig, hoe goed het ook bedoeld was.
De uitwerking van die bevoegdheid staat niet in de wet zelf. Die staat in de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren. Volgens artikel 9 Politiewet 2012 wordt die instructie bij algemene maatregel van bestuur vastgesteld. De Ambtsinstructie regelt per geweldsmiddel onder welke voorwaarden het mag worden ingezet, en is de afgelopen jaren ingrijpend herzien. Onthoud vooral dit: de Ambtsinstructie zegt niet alleen óf een middel mag worden gebruikt. Zij zegt ook hoe, wanneer, met welke waarschuwing en met welke beperkingen.
Aan welke vier eisen moet het geweld voldoen?
De rechter toetst aan legaliteit, noodzaak, proportionaliteit en subsidiariteit. Wij lichten ze hieronder kort toe en koppelen ze daarna aan een voorbeeld.
De eerste eis is legaliteit. Was er een wettelijke grondslag voor het optreden? Zonder bevoegdheid is geweld onrechtmatig, hoe goed bedoeld ook.
De tweede eis is noodzaak. Was geweld echt nodig om de politietaak uit te voeren? Was de situatie ook zonder geweld onder controle te brengen, dan ontbreekt die noodzaak.
De derde eis is proportionaliteit. Stond het geweld in verhouding tot het doel? Een licht vergrijp rechtvaardigt geen zwaar middel.
De vierde eis is subsidiariteit. Was er een lichter middel dat ook zou hebben gewerkt? Eerst praten, afstand houden of de-escaleren, en pas daarna een zwaarder middel.
Een voorbeeld ter illustratie laat zien hoe dit uitpakt. Een verwarde man op een perron schreeuwt luid en weigert weg te lopen, maar bedreigt niemand. Direct pepperspray of de wapenstok gebruiken is dan moeilijk te rechtvaardigen, omdat noodzaak en subsidiariteit ontbreken. Loopt dezelfde man met een mes op omstanders af en reageert hij niet op bevelen, dan kan een zwaarder middel wel binnen de grenzen vallen. Dat hangt dan af van de acute dreiging op dat moment.
Belangrijk is dat de rechter het optreden beoordeelt vanuit het moment van de beslissing, niet alleen vanuit de afloop. Het gaat niet om wat achteraf op rustig bekeken camerabeelden te zien is. Het gaat om wat de agent op dat moment redelijkerwijs wist, zag en moest inschatten. Tegelijk is dat geen vrijbrief. Niet elke overtreding van een regel maakt het optreden onrechtmatig. Maar een ernstige overschrijding van proportionaliteit of subsidiariteit kan betekenen dat een agent niet meer handelt in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening. Dat heeft directe gevolgen voor een verwijt van wederspannigheid (artikel 180 Wetboek van Strafrecht). Was het optreden van de agent zelf niet rechtmatig, dan kan verzet daartegen niet als wederspannigheid worden bestraft.
Welke middelen mag de politie inzetten, en wanneer?
Hoe zwaarder het middel, hoe strenger de voorwaarden. De Ambtsinstructie kent een opbouw van licht naar zwaar: van een fysieke greep en handboeien, via pepperspray, de wapenstok en het stroomstootwapen, tot het vuurwapen. Hoe ingrijpender de mogelijke gevolgen, hoe strenger en specifieker de voorwaarden voor de inzet.
Het vuurwapen is het uiterste middel. Het mag alleen worden gebruikt in situaties die de Ambtsinstructie limitatief opsomt. Voorbeelden zijn het aanhouden van iemand van wie redelijkerwijs mag worden aangenomen dat hij direct levensbedreigend geweld zal gebruiken, of het afwenden van direct gevaar voor het leven of voor zwaar lichamelijk letsel. Daar komt een belangrijke beperking bij. Is de identiteit van de verdachte bekend en levert uitstel van de aanhouding geen onaanvaardbaar risico op, dan hoort het vuurwapen niet te worden gebruikt. Bovendien geldt in beginsel een plicht om te waarschuwen voordat gericht wordt geschoten, tenzij de omstandigheden dat redelijkerwijs niet toelaten.
In de rechtspraak leidt dezelfde maatstaf daardoor tot heel verschillende uitkomsten. Soms wordt de inzet van een diensthond of zelfs het gebruik van een vuurwapen onder concrete, dreigende omstandigheden proportioneel geacht. In andere zaken oordeelt de rechter dat het trekken of richten van een wapen zo ver buiten de Ambtsinstructie viel dat het optreden niet meer rechtmatig was, bijvoorbeeld omdat er geen acute dreiging was en de identiteit van de betrokkene al bekend was. De feiten van het geval zijn dus steeds beslissend.
Wanneer is politiegeweld strafbaar?
Politiegeweld is strafbaar als een agent verwijtbaar de geweldsinstructie schendt en daardoor letsel of de dood veroorzaakt (artikel 372 Wetboek van Strafrecht). Onrechtmatig is dus niet hetzelfde als strafbaar. Toch kan politiegeweld wel degelijk tot strafrechtelijke aansprakelijkheid leiden, en daarvoor heeft de wetgever een eigen systeem gebouwd.
Tot 1 juli 2022 werd een agent die in functie geweld gebruikte met ernstig gevolg, strafrechtelijk in beginsel beoordeeld als elke andere burger. De meetlat was dan mishandeling of doodslag. Daarna kwam de vraag of een rechtvaardigingsgrond gold. De klassieke rechtvaardigingsgrond is het handelen ter uitvoering van een wettelijk voorschrift (artikel 42 Wetboek van Strafrecht). Die gaat alleen op als de agent heeft gehandeld volgens de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit.
Met de Wet geweldsaanwending opsporingsambtenaar is dat veranderd. Sinds 1 juli 2022 bestaat er een apart strafrechtelijk kader. De kern is artikel 372 Wetboek van Strafrecht, in de titel over ambtsmisdrijven. Strafbaar is de ambtenaar aan wiens schuld het te wijten is dat hij de geweldsinstructie schendt, met letsel of de dood als gevolg. Wat onder de geweldsinstructie valt, staat in artikel 90novies Wetboek van Strafrecht. Het bijzondere zit niet in een lichtere bewijslast, maar in wat bewezen moet worden. Het gaat niet zozeer om opzet op letsel, maar om een verwijtbare, aanmerkelijke onvoorzichtigheid bij het schenden van de instructie. De gedachte is dat professioneel geweld in functie een andere normering verdient dan willekeurig geweld door burgers. Dat betekent niet dat politiegeweld lichter wordt genomen. Het wordt juridisch anders geduid.
Ook de procedure is aangepast. Na een geweldsincident kan de officier van justitie eerst een feitenonderzoek instellen (artikel 511a Wetboek van Strafvordering). Dat onderzoek richt zich op de vraag of de agent volgens de geweldsinstructie heeft gehandeld. Pas daarna komt de vraag aan de orde of vervolging nodig is. De agent wordt dus niet automatisch als verdachte behandeld.
Deze wet is omstreden. Voorstanders vinden het terecht dat de bijzondere omstandigheden van politiewerk worden erkend en dat agenten niet terughoudend worden in hun optreden. Critici vrezen dat de normerende en afschrikkende werking van het strafrecht verzwakt en dat slachtoffers minder bescherming krijgen.
Wie onderzoekt politiegeweld?
Bij vuurwapengebruik met letsel of de dood als gevolg, en bij andere incidenten met zwaargewonden of doden, doet de Rijksrecherche onderzoek. Dat gebeurt onder gezag van een officier van justitie. Het uitgangspunt is dat de politie niet haar eigen geweld onderzoekt, om iedere schijn van partijdigheid te vermijden.
Juridisch is dat geen detail. Een onafhankelijk onderzoek is een zelfstandige eis, en niet alleen een nationale. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens stelt daar strenge eisen aan. Tegelijk blijft het een gevoelig punt dat de Rijksrecherche onder het Openbaar Ministerie valt, dat in het dagelijks werk nauw met de politie samenwerkt. Het Hof heeft erkend dat juist een nauwe werkrelatie tussen een officier van justitie en een bepaald politiekorps problematisch kan zijn voor de vereiste onafhankelijkheid. Of het onderzoek deugt, is dus net zo goed een rechtsvraag als de vraag of het geweld zelf was toegestaan.
Welke rol speelt het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens?
Het EVRM beschermt het recht op leven en verbiedt onmenselijke of vernederende behandeling, en het eist daarnaast een effectief onderzoek achteraf. Boven het Nederlandse recht staat dit verdrag, en twee bepalingen zijn hier het belangrijkst.
Artikel 2 EVRM beschermt het recht op leven. Dodelijk overheidsgeweld is alleen toegestaan voor zover het absoluut noodzakelijk is, bijvoorbeeld ter verdediging tegen direct levensgevaar. Dat is de vaste lijn sinds de zaak McCann en anderen tegen het Verenigd Koninkrijk uit 1995. Het Hof scherpte daarin ook de procedurele kant aan: na dodelijk overheidsgeweld moet een effectief, onafhankelijk en voortvarend onderzoek volgen. De Staat moet dus niet alleen voorkomen dat mensen onnodig worden gedood, maar ook serieus onderzoeken wat er is gebeurd.
Artikel 3 EVRM verbiedt foltering en onmenselijke of vernederende behandeling. Voor geweld dat niet dodelijk is, ligt hier een scherpe norm. Het Hof formuleerde die onder meer in de zaak Bouyid tegen België: elk gebruik van fysiek geweld tegen iemand dat niet strikt noodzakelijk is gemaakt door diens eigen gedrag, tast de menselijke waardigheid aan en levert in beginsel een schending van artikel 3 op. Dat verklaart waarom geweld tegen iemand die al onder controle is juridisch zo zwak staat. Net als bij artikel 2 geldt ook hier een onderzoeksplicht. Bij een verdedigbare klacht over mishandeling door de politie moet een effectief officieel onderzoek volgen.
Dit kader werkt dus op twee niveaus. Materieel: was het geweld toegestaan? Procedureel: is het daarna effectief en onafhankelijk onderzocht? In zaken over politiegeweld zijn die twee vragen vaak even belangrijk.
Kunt u de Staat aansprakelijk stellen voor de schade?
Ja. Wie meent slachtoffer te zijn van onrechtmatig politiegeweld, kan de Staat aanspreken op grond van onrechtmatige daad (artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek). Het strafrecht is dus niet de enige route, en voor slachtoffers vaak niet de meest effectieve. In een civiele zaak is de vraag niet of een individuele agent strafbaar is. De vraag is of de overheid onrechtmatig heeft gehandeld en de schade moet vergoeden.
Dat verschil is wezenlijk, omdat de uitkomsten uiteen kunnen lopen. Een strafzaak kent een hoge bewijsdrempel en draait om de persoonlijke verwijtbaarheid van de agent. Een civiele zaak hanteert een andere maatstaf. Het is dus goed mogelijk dat een agent in de strafzaak wordt vrijgesproken, terwijl de civiele rechter het optreden toch onrechtmatig vindt.
Voor de schadevergoeding gelden de gewone regels van het Burgerlijk Wetboek. Alleen schade die voldoende verband houdt met het geweld kan worden toegerekend (artikel 6:98 BW), en u moet die schade en dat verband stellen en zo nodig bewijzen (artikel 150 Rv). Wilt u schade door letsel vergoed krijgen, dan heeft u een letselschadespecialist nodig. Law & More behandelt geen letselschadezaken.
Wat als de Staat zich beroept op eigen schuld?
Dan moet de Staat zelf aantonen dat uw gedrag aan de schade heeft bijgedragen, en ook dan kan de vermindering beperkt blijven. Wie schadevergoeding vordert, krijgt vaak te maken met dit verweer van eigen schuld (artikel 6:101 BW). De vergoedingsplicht wordt verminderd als de schade mede het gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend. Dat gaat in twee stappen. Eerst weegt de rechter af in welke mate het gedrag van de burger en dat van de politie aan de schade hebben bijgedragen. Daarna kan hij die verdeling bijstellen op grond van de billijkheid, bijvoorbeeld omdat de fouten niet even ernstig zijn.
Twee punten zijn daarbij belangrijk. Ten eerste ligt de stelplicht en bewijslast voor eigen schuld bij de Staat, niet bij u. De Staat moet dus concreet stellen welk gedrag, bijvoorbeeld actief fysiek verzet, een aanval of een vluchtpoging, werkelijk aan de schade heeft bijgedragen. Een algemene stelling dat u niet meewerkte of de confrontatie zocht, is daarvoor onvoldoende. Ten tweede kan de billijkheidscorrectie juist bij ernstig disproportioneel politiegeweld een vermindering sterk beperken of zelfs helemaal wegnemen.
Hoe verloopt een schadeclaim tegen de Staat?
Meestal begint het met een schriftelijke aansprakelijkstelling, waarna partijen proberen tot een regeling te komen. Lukt dat niet, dan beslist de civiele rechter.
In de aansprakelijkstelling beschrijft u wat er is gebeurd, waarom het optreden volgens u onrechtmatig was en welke schade u heeft geleden. Voeg daarbij het bewijs dat u heeft, zoals medische stukken, foto’s, beelden en namen van getuigen. Houd een overzicht bij van alle kosten, zoals medische kosten, reiskosten, gederfde inkomsten en beschadigde spullen. De Staat of de politie reageert daarop met een standpunt over de aansprakelijkheid en de omvang van de schade.
Loopt er ook een strafzaak of een klachtprocedure, dan kan de uitkomst daarvan in de civiele zaak een rol spelen. Een vrijspraak van de agent staat een civiele claim niet in de weg, en stukken uit die procedures, zoals verklaringen en een onderzoeksrapport, kunnen wel belangrijk bewijs zijn. Het is daarom verstandig om kopieën van alle stukken te bewaren en tijdig te vragen welke stukken u kunt inzien. Een snelle, goed onderbouwde claim vergroot de kans dat het bewijs nog compleet is.
Kunt u een klacht indienen over het optreden van de politie?
Ja. Naast straf en schadevergoeding bestaat het klachtrecht, geregeld in hoofdstuk 7 van de Politiewet 2012. U kunt klagen over de manier waarop de politie zich tegenover u heeft gedragen. Een klacht leidt niet tot straf of schadevergoeding, maar kan wel uitmonden in het oordeel dat het optreden onbehoorlijk was. Komt u er met de politie niet uit, dan kunt u uiteindelijk de Nationale ombudsman om een oordeel vragen. Daarnaast kan intern een disciplinair traject volgen tegen de betrokken ambtenaar, gericht op zijn functioneren. De term tuchtrecht past hier minder goed, omdat de politie geen formeel tuchtrechtelijk stelsel kent zoals artsen of advocaten.
Eén incident kan zo langs vier sporen tegelijk lopen: strafrechtelijk, civielrechtelijk, via een klacht en disciplinair. Die sporen kunnen verschillend uitpakken. Een vrijspraak in de strafzaak betekent niet automatisch dat het optreden ook civielrechtelijk of qua behoorlijkheid in orde was.
Wat doet u direct na een incident met de politie?
Leg zo snel mogelijk vast wat er is gebeurd en zorg dat bewijs niet verloren gaat. Beelden, getuigen en medische gegevens bepalen later vaak de uitkomst, en juist dat bewijs verdwijnt snel.
- Schrijf dezelfde dag op wat er gebeurde: tijd, plaats, wat er werd gezegd en welke middelen werden gebruikt.
- Noteer namen en telefoonnummers van getuigen, en vraag of iemand beelden heeft gemaakt.
- Laat letsel direct door een arts vastleggen en maak zelf foto’s van verwondingen en beschadigde kleding.
- Bewaar alle stukken die u van de politie of het Openbaar Ministerie ontvangt, zoals een proces-verbaal of een brief over een strafbeschikking.
- Bepaal daarna welke route bij uw doel past: aangifte, een klacht, een schadeclaim, of een combinatie daarvan.
Houd rekening met termijnen. Een civiele schadeclaim verjaart in beginsel vijf jaar nadat u bekend bent geworden met de schade en met de aansprakelijke partij (artikel 3:310 BW). Wacht daarom niet af tot een eventuele strafzaak tegen de agent is afgerond. Bent u zelf als verdachte aangemerkt, bijvoorbeeld voor wederspannigheid, dan is de rechtmatigheid van het politieoptreden vaak ook in uw eigen strafzaak een belangrijk verweer.
Kies de route bewust. Een aangifte is bedoeld om het Openbaar Ministerie te laten beoordelen of de agent strafbaar heeft gehandeld. Een klacht gaat over de vraag of het optreden behoorlijk was. Een schadeclaim draait om vergoeding van wat u heeft geleden. U kunt deze routes naast elkaar gebruiken, maar elke route heeft een eigen doel, eigen bewijsregels en een eigen tempo.
Waarom blijft dit onderwerp lastig?
Omdat het recht twee belangen tegelijk moet beschermen die steeds botsen. Aan de ene kant moet de burger beschermd worden tegen willekeurig en buitensporig overheidsgeweld. Aan de andere kant moet de politie de ruimte houden om in gevaarlijke en chaotische situaties effectief op te treden, soms in een fractie van een seconde. Die spanning verdwijnt nooit helemaal. Elke regel is in feite een poging om de grens daartussen te trekken.
Niet elk ernstig letsel betekent dat de politie fout zat. Maar het omgekeerde geldt net zo goed: een uniform maakt geweld niet vanzelf rechtmatig, en het enkele feit dat een agent onder druk stond, rechtvaardigt het geweld nog niet. De beslissende vraag blijft steeds dezelfde. Was dit geweld, in deze situatie, met dit doel en dit middel, echt nodig en juridisch te verantwoorden? Dat daar geen pasklaar antwoord op bestaat, is geen zwakte van het recht. Het is een eerlijke erkenning dat veiligheid en vrijheid hier steeds tegen elkaar moeten worden afgewogen. Juist daarom zijn zorgvuldige regels, onafhankelijke controle en open verantwoording onmisbaar: hoe groter het geweldsmonopolie, hoe zwaarder de plicht om dat geweld te kunnen rechtvaardigen.
Wat kunnen wij voor u doen bij politiegeweld?
Onze strafrechtadvocaten staan u bij als het optreden van de politie in uw eigen strafzaak of in een aangifte een rol speelt.
- Wij beoordelen aan de hand van artikel 7 Politiewet 2012 en de Ambtsinstructie of het geweld rechtmatig was.
- Wij voeren verweer als u zelf verdachte bent, bijvoorbeeld van wederspannigheid (artikel 180 Wetboek van Strafrecht), en toetsen of de agent handelde in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.
- Wij helpen bij het doen van aangifte en vragen inzage in de stukken, zoals het proces-verbaal en een onderzoeksrapport van de Rijksrecherche.
- Wij dienen een beklag in bij het gerechtshof als het Openbaar Ministerie besluit de agent niet te vervolgen (artikel 12 Wetboek van Strafvordering).
- Wij stellen een klacht op over het optreden van de politie en begeleiden een verzoek aan de Nationale ombudsman.
Samengevat
- De politie mag alleen geweld gebruiken als dat nodig is, er geen lichter middel is en het geweld redelijk en gematigd blijft (artikel 7 Politiewet 2012 en de Ambtsinstructie).
- Hoe zwaarder het middel, hoe strenger de voorwaarden; het vuurwapen is het uiterste middel.
- Sinds 1 juli 2022 is het verwijtbaar schenden van de geweldsinstructie met letsel of de dood als gevolg een apart ambtsmisdrijf (artikel 372 Wetboek van Strafrecht).
- Los van een strafzaak kunt u de Staat aansprakelijk stellen voor schade op grond van onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW).
- Een klacht bij de politie en daarna de Nationale ombudsman is een aparte route; de verschillende sporen kunnen verschillend uitpakken.
Veelgestelde vragen over politiegeweld
Mag de politie zomaar geweld gebruiken?
Nee. Geweld mag alleen op grond van een wettelijke bevoegdheid, in de rechtmatige uitoefening van de politietaak, en alleen als het nodig is en het doel niet op een lichtere manier te bereiken is (artikel 7 Politiewet 2012). Het geweld moet bovendien redelijk en gematigd blijven, en de agent waarschuwt zo mogelijk eerst.
Wat is het verschil tussen onrechtmatig en strafbaar politiegeweld?
Onrechtmatig politiegeweld viel buiten de wettelijke grenzen, bijvoorbeeld omdat het disproportioneel was. Het kan leiden tot aansprakelijkheid van de Staat. Strafbaar geweld gaat verder: dan is een individuele agent persoonlijk strafrechtelijk verantwoordelijk, bijvoorbeeld wegens het schenden van de geweldsinstructie (artikel 372 Wetboek van Strafrecht). Niet elk onrechtmatig geweld is strafbaar, maar het kan dat wel zijn.
Wordt een politieagent na een geweldsincident meteen verdachte?
Sinds 1 juli 2022 niet automatisch. De officier van justitie kan eerst een feitenonderzoek instellen naar wat er is gebeurd (artikel 511a Wetboek van Strafvordering). Dat onderzoek richt zich op de vraag of volgens de geweldsinstructie is gehandeld. Pas als blijkt dat de instructie mogelijk is geschonden, kan een strafzaak volgen.
Wat is de Wet geweldsaanwending opsporingsambtenaar?
Deze wet geldt sinds 1 juli 2022 en gaf politie en andere opsporingsambtenaren een eigen strafrechtelijk kader. De kern is artikel 372 Wetboek van Strafrecht, dat het verwijtbaar schenden van de geweldsinstructie als apart delict strafbaar stelt. De wet is omstreden: critici vrezen minder bescherming voor slachtoffers, voorstanders zien de bijzondere omstandigheden van politiewerk erkend.
Kan ik schadevergoeding krijgen na politiegeweld?
Ja, via een civiele procedure tegen de Staat wegens onrechtmatige daad (artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek). U moet wel concreet onderbouwen welke schade u heeft geleden en dat die door het geweld is veroorzaakt. Gaat het om schade door letsel, dan heeft u een letselschadespecialist nodig. Ons kantoor behandelt geen letselschadezaken.
Telt het mee dat een agent een snelle beslissing moest nemen?
Ja. De rechter beoordeelt het optreden vanuit het moment van de beslissing, niet alleen vanuit de afloop. Wat de agent toen redelijkerwijs wist, zag en moest inschatten, weegt mee. Dat is geen vrijbrief: ook onder druk blijven proportionaliteit en subsidiariteit de maatstaf.
Wie onderzoekt politiegeweld in Nederland?
Bij vuurwapengebruik met letsel of de dood als gevolg, en bij andere incidenten met zwaargewonden of doden, onderzoekt de Rijksrecherche de zaak onder gezag van een officier van justitie. Het uitgangspunt is dat de politie niet haar eigen geweld onderzoekt. Het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens eist dat zo’n onderzoek effectief, onafhankelijk en voortvarend is.
Wat kan ik doen als ik vind dat de politie te ver is gegaan?
U heeft meerdere wegen, die naast elkaar bestaan. U kunt aangifte doen, zodat het Openbaar Ministerie kan beoordelen of het vervolgt. U kunt de Staat civielrechtelijk aanspreken voor uw schade. En u kunt een klacht indienen, met uiteindelijk de mogelijkheid van een oordeel van de Nationale ombudsman. Die routes kunnen verschillend uitpakken: een vrijspraak in de strafzaak sluit civiele aansprakelijkheid niet uit.
Gelden voor pepperspray en de wapenstok dezelfde regels als voor het vuurwapen?
De algemene beginselen gelden voor elk geweldsmiddel, maar de voorwaarden worden strenger naarmate het middel ingrijpender is. Voor het vuurwapen gelden de zwaarste, limitatief omschreven voorwaarden, met onder meer een waarschuwingsplicht. Voor pepperspray en de wapenstok gelden lichtere, maar nog steeds duidelijke voorwaarden in de Ambtsinstructie.
Mag de politie geweld gebruiken bij een demonstratie?
Alleen onder strikte voorwaarden. Het demonstratierecht weegt zwaar, en geweld om de orde te handhaven moet net als altijd nodig, proportioneel en subsidiair zijn. De drempel ligt hier eerder hoger dan lager, omdat een grondrecht op het spel staat. Optreden tegen losse strafbare feiten tijdens een demonstratie kan wel, maar mag de demonstratie als geheel niet onnodig smoren.
Wat mag de politie doen bij een aanhouding?
Bij een rechtmatige aanhouding mag de politie proportioneel geweld gebruiken om verzet te breken, bijvoorbeeld een controlegreep of handboeien. De grens ligt bij het moment dat de verdachte onder controle is. Extra geweld tegen iemand die al geboeid is of geen verzet meer biedt, is juridisch moeilijk te rechtvaardigen.
Mag de politie een politiehond inzetten bij een aanhouding?
Ja, maar onder voorwaarden uit de Ambtsinstructie. Een bijtende politiehond kan zwaar letsel veroorzaken, dus de inzet wordt getoetst aan noodzaak, proportionaliteit en subsidiariteit. Of de inzet rechtmatig was, hangt sterk af van de concrete dreiging en de vraag of een lichter middel had volstaan. Ernstig letsel betekent dus niet automatisch dat de inzet onrechtmatig was.
Mag de politie een taser of stroomstootwapen gebruiken?
Ja, maar voor het stroomstootwapen gelden eigen voorwaarden in de Ambtsinstructie, waaronder in beginsel een waarschuwing vooraf. Het mag niet worden ingezet tegen iemand die al onder controle is, en het gebruik moet in verhouding staan tot de dreiging. De precieze voorwaarden staan in de actuele tekst van de Ambtsinstructie.
Mag ik de politie filmen tijdens een aanhouding?
In de openbare ruimte mag u de politie in beginsel filmen, en de politie mag u in de regel niet dwingen beelden te wissen. U mag het politiewerk daarbij niet feitelijk hinderen, en bij publicatie kunnen privacyregels gelden. De precieze grenzen hangen af van de situatie, dus wees terughoudend met het verspreiden van herkenbare beelden.
Gelden er strengere regels bij geweld tegen een kind of kwetsbaar persoon?
De wettelijke beginselen zijn hetzelfde. In de praktijk vraagt geweld tegen een kind, een verward persoon of iemand die zichtbaar kwetsbaar is wel om extra terughoudendheid en de-escalatie. Noodzaak en proportionaliteit worden dan kritischer beoordeeld, juist omdat de betrokkene minder weerbaar is en de gevolgen groter kunnen zijn.
Hoeveel tijd heb ik om de Staat aansprakelijk te stellen voor politiegeweld?
Een civiele schadeclaim verjaart in beginsel vijf jaar nadat u bekend bent geworden met zowel de schade als de aansprakelijke partij, met een uiterste termijn van twintig jaar na de gebeurtenis (artikel 3:310 Burgerlijk Wetboek). Wacht niet te lang, want bewijs zoals beelden en getuigenverklaringen verdwijnt snel.