Straf op drugsbezit in Nederland: wat de Opiumwet bepaalt

Politiecontrole en de straf op drugsbezit in Nederland

Gepubliceerd op 22 juni 2025 · Laatst bijgewerkt op 9 september 2026

De straf op drugsbezit in Nederland volgt uit de Opiumwet en hangt af van de lijst waarop het middel staat. Opzettelijk aanwezig hebben van een lijst I-middel is een misdrijf met een maximum van zes jaar gevangenisstraf of een geldboete van de vijfde categorie (artikel 10 Opiumwet). Voor lijst II-middelen zoals cannabis ligt het maximum op twee jaar (artikel 11 Opiumwet). Het gedoogbeleid maakt bezit niet legaal: het bepaalt alleen dat het Openbaar Ministerie in bepaalde gevallen niet vervolgt.

Informatie van de Rijksoverheid over het Nederlandse drugsbeleid en de Opiumwet

Is drugsbezit strafbaar in Nederland?

Ja. Het beeld dat drugs in Nederland min of meer vrij zijn, berust op een misverstand over wat gedogen betekent. Artikel 2 van de Opiumwet verbiedt het binnen of buiten Nederland brengen, telen, bereiden, bewerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, vervaardigen en aanwezig hebben van middelen van lijst I. Artikel 3 bevat exact dezelfde verboden voor lijst II. Aanwezig hebben is dus een zelfstandige verbodsbepaling, naast handel en productie.

Dat verbod kent geen ondergrens in de wet zelf. Ook een enkele pil, een bolletje of een gram wiet valt onder de verbodsbepaling. Wat wel verschilt is de reactie daarop: de wetgever heeft in de strafbepalingen een lichter regime opgenomen voor kleine hoeveelheden voor eigen gebruik, en het Openbaar Ministerie hanteert daarnaast een vervolgingsbeleid waarin bepaalde gevallen niet voor de rechter komen. Dat zijn twee verschillende dingen, en ze worden voortdurend door elkaar gehaald.

Voor u als betrokkene is het praktische gevolg dat u ook bij een kleine hoeveelheid verdachte kunt zijn. De politie mag u aanhouden, uw telefoon en uw auto onderzoeken en de middelen in beslag nemen, ook wanneer uiteindelijk wordt geseponeerd. De Rijksoverheid vat het beleid samen op haar pagina over drugs; de wettekst zelf staat in de Opiumwet.

Wat het gedoogbeleid wel en niet betekent

Gedogen is geen vrijstelling maar een keuze om niet te vervolgen. Het Openbaar Ministerie vervolgt in beginsel niet bij het bezit van ten hoogste vijf gram cannabis voor eigen gebruik, en evenmin bij het houden van ten hoogste vijf hennepplanten. Ook coffeeshops worden gedoogd, mits zij zich houden aan strikte voorwaarden: geen verkoop aan minderjarigen en geen minderjarigen in de zaak, geen harddrugs, geen alcohol, geen reclame, geen overlast, ten hoogste vijf gram per klant per dag en een handelsvoorraad van ten hoogste vijfhonderd gram.

Wat gedogen niet doet, is de strafbaarheid wegnemen. De verkoop van softdrugs blijft strafbaar; de coffeeshop wordt slechts met rust gelaten zolang zij binnen de voorwaarden blijft. Wordt een van de voorwaarden overtreden, dan volgt niet alleen vervolging maar meestal ook sluiting van de zaak. En omdat de aanvoerkant nooit is gedoogd, blijft de teelt en levering aan coffeeshops onverkort strafbaar. Dat is de bekende achterdeurproblematiek.

Voor de individuele gebruiker betekent dit dat de gedoogde hoeveelheid een beleidsgrens is en geen recht. Wordt die grens overschreden, al is het met een gram, dan geldt gewoon de strafbepaling. De actuele voorwaarden staan bij de Rijksoverheid onder gedoogbeleid softdrugs en coffeeshops. Een breder overzicht van de regelgeving geeft ons artikel over de drugswetgeving in Nederland.

Lijst I en lijst II: het onderscheid dat de strafmaat bepaalt

De Opiumwet werkt met twee bijlagen. Lijst I bevat de middelen met een onaanvaardbaar risico voor de volksgezondheid, in het spraakgebruik harddrugs: onder meer heroïne, cocaïne, LSD en fentanyl en zijn varianten. Lijst II bevat de overige middelen, waaronder de cannabisproducten hennep en hasjiesj. Op welke lijst een middel staat, bepaalt niet alleen de strafbepaling die van toepassing is, maar in de praktijk ook de opsporingsprioriteit en de houding van de officier van justitie.

De lijsten zijn geen statisch gegeven. Nieuwe stoffen worden er bij algemene maatregel van bestuur aan toegevoegd, wat vooral speelt bij designerdrugs die chemisch net buiten een bestaande omschrijving vallen. Dat betekent ook dat een middel dat vorig jaar niet onder de wet viel, dit jaar wel strafbaar kan zijn. Wie handelt in stoffen die zich in dat grijze gebied bevinden, kan zich niet beroepen op onbekendheid met een recente aanwijzing.

Een veelgemaakte fout is de aanname dat het onderscheid samenvalt met schadelijkheid zoals de gebruiker die ervaart. Dat is niet zo: de indeling is een juridische, gebaseerd op de risicoafweging van de wetgever. Voor de strafmaat telt uitsluitend de lijst, niet uw eigen inschatting van het middel.

Welke straf staat op bezit van harddrugs?

Artikel 10 van de Opiumwet bevat de strafbepalingen voor lijst I. Opzettelijk aanwezig hebben van een lijst I-middel levert een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren op of een geldboete van de vijfde categorie. Gaat het om bereiden, bewerken, verkopen, afleveren, verstrekken of vervoeren, dan is het maximum acht jaren. Voor het binnen of buiten Nederland brengen, dus in- en uitvoer, geldt het hoogste maximum: twaalf jaren. Wie zonder opzet maar wel verwijtbaar in strijd met artikel 2 handelt, riskeert ten hoogste zes maanden hechtenis of een geldboete van de vierde categorie.

Daar staat een belangrijke verzachting tegenover. Het zesde lid van artikel 10 bepaalt dat, indien het feit betrekking heeft op een geringe hoeveelheid bestemd voor eigen gebruik, een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of een geldboete van de derde categorie wordt opgelegd. Die bepaling is de reden dat een aangetroffen gebruikershoeveelheid cocaïne of xtc in de praktijk zelden tot een forse gevangenisstraf leidt, maar het blijft een misdrijf met alle gevolgen van dien voor het strafblad.

Bij grotere partijen loopt het snel op. De richtlijnen van het Openbaar Ministerie werken met hoeveelheidscategorieën, en zodra de aangetroffen hoeveelheid de gebruikersgrens ruim overschrijdt, verschuift de zaak van bezit naar de verdenking van handel. Dan telt niet langer artikel 10 in zijn mildste vorm, maar het regime voor verkoop en aflevering.

Welke straf staat op bezit van softdrugs?

Artikel 11 van de Opiumwet regelt lijst II. Het eerste lid maakt van het niet-opzettelijk handelen in strijd met artikel 3 een overtreding, bedreigd met hechtenis van ten hoogste een maand of een geldboete van de tweede categorie. Wie opzettelijk in strijd handelt met de verboden op bereiden, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren of aanwezig hebben, riskeert op grond van het tweede lid ten hoogste twee jaren gevangenisstraf of een geldboete van de vijfde categorie.

Twee bijzondere regimes verdienen aandacht. Het derde lid verzwaart de straf tot ten hoogste zes jaren wanneer iemand in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk teelt, bereidt, verkoopt of aflevert. Dat is de bepaling waaronder de professionele hennepkwekerij valt, en beroeps- of bedrijfsmatig wordt daarbij ruim uitgelegd: professionele apparatuur, een groot aantal planten of een aftakking van de elektriciteit volstaat doorgaans al. Het vierde lid stelt op de in- en uitvoer van lijst II-middelen ten hoogste vier jaren.

Voor kleine hoeveelheden cannabis geldt een aparte, lichtere regeling in het zesde lid van artikel 11, die aanknoopt bij een hoeveelheid van ten hoogste dertig gram hennep of hasjiesj. Daarnaast kan het maximum juist worden verhoogd wanneer het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid, wat bij algemene maatregel van bestuur is uitgewerkt. En op voorbereidingshandelingen voor de beroepsmatige teelt, zoals het leveren van apparatuur of stekken aan een kweker, staat in artikel 11a ten hoogste drie jaren.

Wanneer wordt bezit als handel gezien?

Dit is in de praktijk de belangrijkste vraag, want het verschil tussen bezit voor eigen gebruik en handel bepaalt of u met een geldboete of met een gevangenisstraf te maken krijgt. De wet geeft geen definitie; de rechter leidt het oogmerk af uit de omstandigheden waaronder de middelen zijn aangetroffen.

Wat wijst op handel is bekend: een hoeveelheid die het gebruikersniveau overstijgt, verdeling in gebruikershoeveelheden in aparte verpakkingen, een weegschaal, seal- of gripzakjes, een groot contant geldbedrag in kleine coupures, meerdere telefoons, en berichten in de telefoon die op bestellingen wijzen. Ook een versneden partij duidt eerder op distributie dan op eigen gebruik. Geen van die factoren is op zichzelf beslissend, maar ze versterken elkaar.

Omgekeerd kan de verdediging aannemelijk maken dat het om eigen gebruik ging: een hoeveelheid die past bij een gebruikspatroon, het ontbreken van attributen, een gedocumenteerde verslavingsgeschiedenis of een behandeltraject. Wie in die situatie zit, doet er goed aan dat gebruikspatroon met stukken te onderbouwen in plaats van er alleen over te verklaren. Speelt er een grensoverschrijdend element, bijvoorbeeld een transport dat in Nederland begint of eindigt, lees dan ons artikel over internationale drugszaken en de Nederlandse rechtsmacht.

Wat weegt de rechter mee bij de strafmaat?

Binnen het wettelijke maximum heeft de rechter een ruime vrijheid, en hij vult die in aan de hand van de omstandigheden van het geval. Zwaarder wegen recidive, zeker wanneer een eerdere veroordeling voor een soortgelijk feit kort geleden is; de pleegplaats, waarbij de omgeving van scholen, jeugdinstellingen en uitgaansgebieden strenger wordt beoordeeld; en een professionele opzet, blijkend uit apparatuur, administratie of samenwerking met anderen. Ook betrokkenheid van minderjarigen en gebruik van geweld of wapens verzwaren de zaak aanzienlijk.

Verzachtend werken een blanco strafblad, een aannemelijke gebruikersachtergrond met een lopend behandeltraject, een ondergeschikte rol binnen een groter geheel, en een openhartige proceshouding waaruit blijkt dat de betrokkene verantwoordelijkheid neemt. Ook een lange doorlooptijd van de zaak kan tot strafvermindering leiden, omdat de redelijke termijn waarbinnen een verdachte moet worden berecht een zelfstandige factor is.

Naast gevangenisstraf en geldboete beschikt de rechter over een taakstraf, een voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden zoals een behandelverplichting of een contactverbod, en over ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel in een aparte procedure. Verder verklaart de rechter de aangetroffen middelen onttrokken aan het verkeer, en bij ernstige feiten kan hij op grond van artikel 13a van de Opiumwet iemand ontzetten uit de uitoefening van zijn beroep.

Voor de onderlinge afstemming werken rechtbanken en gerechtshoven met de orientatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Die punten zijn geen wet en binden de rechter niet, maar zij geven wel aan wat in vergelijkbare zaken gebruikelijk is, en een uitspraak die daar sterk van afwijkt vraagt om extra motivering. Voor de verdediging zijn zij bruikbaar als ijkpunt: u weet ongeveer waar het gesprek over de strafmaat begint en welke omstandigheden u moet aanvoeren om daaronder uit te komen.

Voorbereidingshandelingen: strafbaar zonder dat er drugs zijn

De Opiumwet reikt verder dan de middelen zelf. Naast artikel 11a, dat de voorbereiding van beroepsmatige hennepteelt strafbaar stelt, kent de wet in artikel 10a een vergelijkbare bepaling voor lijst I. Strafbaar is dan het verrichten van handelingen ter voorbereiding of bevordering van de zware Opiumwetdelicten: een ander proberen te bewegen mee te doen, gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen, of voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en gelden voorhanden hebben waarvan u weet dat zij daartoe bestemd zijn.

Dat heeft een praktische keerzijde die veel mensen verrast. Wie een loods verhuurt, een bestelbus ter beschikking stelt, apparatuur of stekken levert of alleen maar een pakket in ontvangst neemt, kan verdachte zijn zonder ooit drugs in handen te hebben gehad. De discussie gaat dan niet over bezit maar over wetenschap: wist u waar het voor bestemd was, of had u dat redelijkerwijs moeten begrijpen? Juist in die zaken is het bewijs vaak indirect en is de manier waarop u in het eerste verhoor over uw rol verklaart bepalend voor de rest van de procedure.

Van aanhouding tot uitspraak: hoe de procedure verloopt

Het begint doorgaans met een staandehouding of een aanhouding, gevolgd door inbeslagname van de aangetroffen middelen. Daarna wordt u meegenomen naar het bureau voor verhoor. Vanaf het moment dat u als verdachte wordt aangemerkt, geldt het zwijgrecht: u bent niet verplicht te antwoorden, en de verhorende ambtenaar moet u daar vooraf op wijzen. Daarnaast hebt u recht op bijstand van een advocaat, zowel voorafgaand aan het eerste verhoor als tijdens de verhoren zelf.

Van dat recht gebruikmaken is bijna altijd verstandig, ook als u vindt dat u niets te verbergen hebt. De reden is praktisch: in het eerste verhoor liggen de feiten nog niet vast, en een terloopse opmerking over hoeveel u gebruikt, van wie u kocht of voor wie de tas was, komt letterlijk in het dossier terecht en kan later niet ongedaan worden gemaakt. Wat u kunt verwachten van zo een verhoor, beschrijven wij in ons artikel over een uitnodiging voor een politieverhoor.

Na het verhoor wordt u meestal heengezonden en gaat het dossier naar het Openbaar Ministerie. Bij een ernstiger verdenking kunt u in verzekering worden gesteld, waarna de rechter-commissaris de rechtmatigheid van de vrijheidsbeneming toetst en de officier van justitie zo nodig bewaring vordert. Komt het tot een zitting, dan behandelt de politierechter de eenvoudiger zaken en de meervoudige kamer de zwaardere. Tegen het vonnis staat hoger beroep open bij het gerechtshof.

De beslissing van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie beoordeelt of er voldoende bewijs is en of vervolging opportuun is. Daaruit volgen in hoofdlijnen vier mogelijkheden. Bij een sepot komt de zaak niet voor de rechter; dat kan technisch zijn, omdat het bewijs tekortschiet, of beleidsmatig, bijvoorbeeld omdat het om een gebruikershoeveelheid gaat en verdere vervolging niet in verhouding staat. Een voorwaardelijk sepot is ook mogelijk, waarbij u zich gedurende een proeftijd aan voorwaarden moet houden.

Daarnaast kan het Openbaar Ministerie zelf een straf opleggen met een strafbeschikking, bijvoorbeeld een geldboete of een taakstraf, zonder dat er een rechter aan te pas komt. Dat gaat sneller, maar er zit een addertje onder het gras: een strafbeschikking is een daad van vervolging en komt op uw justitiële documentatie te staan. Betaalt u zonder na te denken de boete, dan aanvaardt u die registratie. Wilt u dat niet, dan moet u binnen de gestelde termijn verzet doen, waarna de zaak alsnog bij de rechter komt. Wat het verschil is tussen de routes, leggen wij uit in ons artikel over de OM-zitting en de strafbeschikking.

De vierde mogelijkheid is dagvaarding: de zaak gaat naar de rechter. Dat gebeurt bij grotere hoeveelheden, bij recidive, bij een verdenking van handel en wanneer het Openbaar Ministerie een zwaardere straf passend acht dan het via een strafbeschikking kan opleggen.

Verdediging: waar de zaak op kan afketsen

Een drugszaak staat of valt met de vraag hoe de middelen zijn gevonden. Voor doorzoeking van een woning, fouillering en onderzoek aan een voertuig gelden bevoegdheidsvereisten, en die zijn niet vrijblijvend. Was er een redelijk vermoeden van schuld op het moment van de controle, of is dat achteraf geconstrueerd? Was de doorzoeking gedekt door een machtiging? Is de keten van inbeslagname tot laboratoriumonderzoek sluitend gedocumenteerd? Blijkt een vormfout, dan kan de rechter het bewijs uitsluiten of de straf verminderen, afhankelijk van de ernst van het verzuim en het nadeel dat u daardoor hebt geleden.

Inhoudelijk draait het meestal om twee vragen. De eerste is of u wist van de aanwezigheid van de middelen, want aanwezig hebben veronderstelt een zekere beschikkingsmacht en wetenschap. Wie een tas van een ander vervoerde zonder de inhoud te kennen, voert daarmee een reëel verweer, al zal de rechter kritisch kijken naar de aannemelijkheid ervan. De tweede vraag is of het om eigen gebruik ging, wat rechtstreeks doorwerkt in de toepasselijke strafbepaling.

Rechtsbijstand is in strafzaken niet afhankelijk van uw vermogen. Wordt u in verzekering gesteld, dan wordt ambtshalve een raadsman toegevoegd. In andere gevallen kunt u bij de Raad voor Rechtsbijstand een toevoeging aanvragen, waarbij u afhankelijk van uw inkomen een eigen bijdrage betaalt. Gesubsidieerde rechtsbijstand is dus niet hetzelfde als kosteloze rechtsbijstand; welke variant in uw geval geldt, hangt af van de fase en van uw situatie. Wanneer bijstand echt nodig is, bespreken wij in ons artikel over de strafrechtadvocaat.

Bestuursrechtelijke gevolgen: woningsluiting en rijbewijs

Naast het strafrecht loopt een tweede spoor dat vaak wordt onderschat. Artikel 13b van de Opiumwet geeft de burgemeester de bevoegdheid een last onder bestuursdwang op te leggen wanneer in een woning, een lokaal of het daarbij behorende erf een middel van lijst I of lijst II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt, dan wel daartoe aanwezig is. In de praktijk komt dat neer op sluiting van het pand, en dat kan ook een huurwoning treffen. Verhuurders ontbinden na zo een sluiting doorgaans de huurovereenkomst, met ontruiming als gevolg.

Deze bevoegdheid staat los van de strafzaak. Zij vereist geen veroordeling en zelfs geen vervolging: voldoende is dat de burgemeester aannemelijk acht dat het pand voor drugsverkoop werd gebruikt. Wordt u met zo een besluit geconfronteerd, dan verloopt de rechtsbescherming via bezwaar bij de gemeente en beroep bij de bestuursrechter, met de mogelijkheid om een voorlopige voorziening te vragen zolang die procedure loopt. De termijnen zijn kort, dus stilzitten is geen optie.

Verder kan een drugszaak gevolgen hebben voor uw rijbewijs. Wordt u achter het stuur betrapt onder invloed van drugs, dan volgt naast de strafzaak een melding aan het CBR, dat een onderzoek naar de rijgeschiktheid kan opleggen. Dat onderzoek staat los van de straf die de rechter oplegt, en de kosten daarvan komen voor uw eigen rekening.

Gevolgen op langere termijn: strafblad en VOG

Een veroordeling en ook een strafbeschikking komen op uw justitiële documentatie te staan. Dat merkt u vooral wanneer u een Verklaring Omtrent het Gedrag nodig hebt. Justis beoordeelt bij een VOG-aanvraag of de geregistreerde feiten, als zij zouden worden herhaald, een belemmering vormen voor de functie waarvoor u de verklaring aanvraagt. Er wordt teruggekeken over een periode die per screeningsprofiel verschilt, en ernstige feiten wegen langer mee dan lichte.

Dat betekent dat de uitkomst functiegebonden is. Een drugsdelict staat een baan in de horeca niet noodzakelijk in de weg, terwijl dezelfde registratie bij een functie in de zorg, het onderwijs, de beveiliging of de financiële sector wel tot weigering kan leiden. Wordt de VOG geweigerd, dan ontvangt u eerst een voornemen, waarop u kunt reageren met informatie over uw persoonlijke omstandigheden en wat u sindsdien hebt gedaan. Hoe dat werkt, staat in ons artikel over een strafblad bij werk en sollicitatie.

Daarnaast kunnen er gevolgen zijn voor reizen, omdat sommige landen bij een visumaanvraag naar strafrechtelijke antecedenten vragen, en soms voor verzekeringen, die bij het aangaan van een overeenkomst een mededelingsplicht kennen. Over de weg terug na een veroordeling, en waarom die juridisch weerbarstiger is dan vaak wordt gedacht, schreven wij een apart artikel over recidive en rehabilitatie.

Veelgestelde vragen

Hoeveel drugs mag ik bij me hebben zonder straf?

Geen enkele hoeveelheid is wettelijk toegestaan. Wel vervolgt het Openbaar Ministerie in beginsel niet bij ten hoogste vijf gram cannabis voor eigen gebruik en bij ten hoogste vijf hennepplanten. Dat is beleid en geen recht: de politie mag de middelen in beslag nemen en u blijft formeel verdachte. Bij harddrugs bestaat geen vergelijkbare gedoogruimte, al leidt een gebruikershoeveelheid in de praktijk vaak tot een lichtere afdoening op grond van het zesde lid van artikel 10 van de Opiumwet.

Krijg ik een strafblad na een drugsdelict?

Bij een veroordeling wel, en bij een strafbeschikking ook, want dat is een daad van vervolging die wordt geregistreerd. Een sepot wordt eveneens geregistreerd, maar telt anders mee bij de beoordeling van een VOG-aanvraag dan een veroordeling. Onderteken of betaal daarom nooit iets zonder te weten wat het voor uw justitiële documentatie betekent.

Moet ik antwoorden op vragen van de politie?

Nee. Als verdachte hebt u zwijgrecht, en de politie moet u daar vóór het verhoor op wijzen. U bent wel verplicht uw identiteitsbewijs te tonen wanneer daarom wordt gevraagd. Zwijgen mag niet als bewijs tegen u worden gebruikt, maar het is verstandig eerst met een advocaat te overleggen wat in uw zaak de beste lijn is, want in sommige gevallen helpt een consistente verklaring juist wel.

Wat gebeurt er met mijn woning als er drugs worden gevonden?

De burgemeester kan het pand sluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet wanneer aannemelijk is dat er drugs werden verkocht, afgeleverd of verstrekt of daarvoor aanwezig waren. Die bevoegdheid staat los van de strafzaak en vereist geen veroordeling. Verhuurders ontbinden na zo een sluiting vaak de huurovereenkomst. Tegen het sluitingsbesluit staan bezwaar en beroep open, met de mogelijkheid van een voorlopige voorziening.

Wanneer wordt bezit gezien als handel?

Wanneer de omstandigheden op verkoop wijzen. De hoeveelheid is daarbij het vertrekpunt, maar de rechter kijkt vooral naar de combinatie met verpakkingsmateriaal, een weegschaal, contant geld in kleine coupures, meerdere telefoons en berichten die op bestellingen duiden. Handel valt onder een zwaarder strafregime dan bezit, met een maximum van acht jaren bij lijst I en van zes jaren bij beroeps- of bedrijfsmatige teelt van lijst II-middelen.

Kan een drugsveroordeling mijn verblijfsvergunning raken?

Dat kan. Een veroordeling kan gevolgen hebben voor de verlenging van een verblijfsvergunning en voor een naturalisatieverzoek, waarbij de zwaarte van de straf en de duur van het verblijf tegen elkaar worden afgewogen. Bent u geen Nederlander, laat dan uitdrukkelijk beoordelen wat de voorgestelde afdoening voor uw verblijfsrecht betekent voordat u met een strafbeschikking instemt.

Advocaat bij een verdenking van drugsbezit

De straf op drugsbezit laat zich niet uit een tabel aflezen. Zij hangt af van de lijst waarop het middel staat, van de hoeveelheid, van de vraag of er opzet was, van uw verleden en van de omstandigheden waaronder de middelen zijn aangetroffen. Bovendien loopt naast de strafzaak vaak een bestuursrechtelijk spoor dat uw woning of uw rijbewijs raakt, met eigen en korte termijnen.

Wie in dit stadium het meest wint, is degene die vroeg handelt: voorafgaand aan het eerste verhoor overleggen, niets ondertekenen zonder te weten wat het betekent, en bij een strafbeschikking de verzetstermijn bewaken. De strafrechtadvocaten van Law & More in Eindhoven staan verdachten bij vanaf het politieverhoor, voeren verweer over de rechtmatigheid van de opsporing en procederen tegen een sluitingsbesluit van de burgemeester. Neem contact op zodra u weet dat er een zaak tegen u loopt.

Juridische hulp nodig?

Neem contact op met Law & More voor deskundig advies over uw juridische zaken. Ons meertalige team staat klaar om u te helpen.