Bestuurdersaansprakelijkheid

Introductie 

Zelf een onderneming starten is voor veel mensen aantrekkelijk en kent verschillende voordelen. Wat (toekomstige) ondernemers echter onderschatten, is dat het starten van een onderneming ook nadelen en risico’s met zich meebrengt. Wanneer een onderneming in de vorm van een rechtspersoon opgericht wordt, is het risico van bestuurdersaansprakelijkheid namelijk aanwezig.

Een rechtspersoon is een eigen juridische entiteit met rechtspersoonlijkheid. Een rechtspersoon kan dan ook rechtshandelingen verrichten. Hierbij heeft de rechtspersoon echter wel hulp nodig. Aangezien de rechtspersoon alleen op papier bestaat, kan deze niet voor zichzelf handelen. De rechtspersoon zal door een natuurlijk persoon vertegenwoordigd moeten worden. Vertegenwoordiging geschiedt in principe door het bestuur. Bestuurders kunnen uit naam van de rechtspersoon rechtshandelingen aangaan. Hiermee bindt de bestuurder alleen de rechtspersoon. Bestuurders zijn in principe dus niet met hun privévermogen aansprakelijk voor schulden van de rechtspersoon. In sommige gevallen kan echter bestuurdersaansprakelijkheid aangenomen worden, waarbij de bestuurder wel persoonlijk aansprakelijk is. Er zijn twee soorten bestuurdersaansprakelijkheid: interne en externe aansprakelijkheid. In dit artikel worden de verschillende gronden voor bestuurdersaansprakelijkheid nader besproken.

Interne bestuurdersaansprakelijkheid

Bij interne bestuurdersaansprakelijkheid wordt de bestuurder aangesproken door de rechtspersoon zelf. Interne aansprakelijkheid vloeit voort uit artikel 2:9 BW. Een bestuurder kan aansprakelijk gesteld worden door de rechtspersoon, wanneer hij zijn taken onbehoorlijk vervult. Van onbehoorlijk bestuur is sprake indien aan de bestuurder een ernstig verwijt gemaakt kan worden. Dit blijkt ook uit artikel 2:9 BW. De bestuurder mag ook niet nalatig zijn geweest in het nemen van maatregelen om onbehoorlijk bestuur te voorkomen. Wanneer is nu sprake van een ernstig verwijt? Dit dient volgens jurisprudentie beoordeeld te worden aan alle omstandigheden van het geval.[1]

Het handelen in strijd met statutaire bepalingen wordt aangemerkt als een zwaarwegende omstandigheid. Hierbij wordt bestuursaansprakelijkheid in beginsel aangenomen. Een bestuurder kan echter feiten en omstandigheden aanvoeren waaruit blijkt dat het handelen in strijd met de statuten geen ernstig verwijt oplevert. De rechter dient dit dan uitdrukkelijk bij het oordeel te betrekken.[2] 

Hoofdelijke interne aansprakelijkheid en disculpatie

Bij aansprakelijkheid op grond van artikel 2:9 BW zijn in principe alle bestuurders hoofdelijk aansprakelijk. Ernstige verwijtbaarheid wordt dus het hele bestuur collectief aangerekend. Op deze regel bestaat echter een uitzondering. Een bestuurder kan zich disculperen (‘verontschuldigen’) van bestuurdersaansprakelijkheid. Hierbij moet de bestuurder op grond van artikel 2:9 lid 2 BW aantonen dat de tekortkoming niet aan hem te wijten is en dat hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om het onbehoorlijke bestuur te voorkomen. Een beroep op disculpatie is geen gemakkelijke opgave. De bestuurder moet aantonen dat hij er alles aan heeft gedaan om onbehoorlijk bestuur te voorkomen. De bewijslast hiervan ligt op de bestuurder.

Een taakverdeling kan relevant zijn voor de vraag of een individuele bestuurder aansprakelijk is. Sommige taken worden echter gezien als taken die het gehele bestuur aangaan. Bestuurders moeten op de hoogte zijn van bepaalde feiten en omstandigheden. Een onderlinge taakverdeling brengt hier geen verandering in. Onkunde kan in beginsel ook niet dienen als disculpatiegrond. Van bestuurders mag verwacht worden dat zij zich goed laten voorlichten en doorvragen. Er kunnen echter wel gevallen zijn waarin dit niet van een bestuurder verlangd kan worden.[3] De vraag of een bestuurder zich succesvol kan beroepen op disculpatie is dus voor een groot deel afhankelijk van de feiten en omstandigheden van het geval.

Externe bestuurdersaansprakelijkheid 

Bij externe bestuurdersaansprakelijkheid is de bestuurder aansprakelijk jegens derden. De aansprakelijkheid wordt hierbij doorbroken. De rechtspersoon vormt niet langer een schild voor de natuurlijke personen die bestuurder zijn. De gronden voor externe aansprakelijkheid zijn onbehoorlijke bestuur op grond van artikel 2:138 BW en artikel 2:248 BW (in faillissement) en onrechtmatige daad op grond van artikel 6:162 BW (buiten faillissement).

Externe bestuurdersaansprakelijkheid binnen faillissement

Externe bestuurdersaansprakelijkheid binnen faillissement vloeit voort uit artikel 2:138 BW (voor de N.V.) en artikel 2:248 BW (voor de B.V.). Bestuurders kunnen aansprakelijk gesteld worden wanneer het faillissement veroorzaakt is door mismanagement en fouten van het bestuur. De curator, die alle schuldeisers vertegenwoordigt, moet onderzoeken of er sprake is van bestuurdersaansprakelijkheid.

Externe bestuurdersaansprakelijkheid binnen faillissement kan aangenomen worden wanneer het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft uitgevoerd en het aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak van het faillissement is. De bewijslast van deze kennelijke onbehoorlijke taakvervulling ligt op de curator; hij moet aannemelijk maken dat een redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden niet zo gehandeld zou hebben.[4] Handelingen die schuldeisers benadelen leveren in beginsel onbehoorlijk bestuur op. Misbruik door bestuurders moet tegengegaan worden.

De wetgever heeft in artikel 2:138 lid 2 BW en artikel 2:248 lid 2 BW ook bewijsvermoedens opgenomen. Wanneer het bestuur handelt in strijd met artikel 2:10 BW of artikel 2:394 BW, ontstaat er een bewijsvermoeden. Hierbij wordt vermoed dat onbehoorlijk bestuur een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest. Hiermee komt het bewijsrisico bij de bestuurder te liggen. Bestuurders kunnen bewijsvermoedens weerleggen. Hiervoor moeten zij aannemelijk maken dat het faillissement te wijten is aan andere feiten en omstandigheden dan het onbehoorlijke bestuur. Ook moeten zij aantonen dat zij het niet nagelaten hebben om maatregelen te nemen ter voorkoming van het onbehoorlijke bestuur.[5] Een vordering van de curator wegens kennelijk onbehoorlijke taakvervulling kan op grond van artikel 2:138 lid 6 BW en artikel 2:248 lid 6 BW slechts ingesteld worden in de periode van drie jaren voorafgaande aan het faillissement.

Hoofdelijke externe aansprakelijkheid en disculpatie

Bij kennelijk onbehoorlijk bestuur binnen faillissement is elke bestuurder hoofdelijk aansprakelijk. Bestuurders kunnen echter aan deze hoofdelijke aansprakelijkheid ontsnappen door zich te disculperen. Dit blijkt uit artikel 2:138 lid 3 BW en artikel 2:248 lid 3 BW. De bestuurder moet bewijzen dat de onbehoorlijke taakvervulling niet aan hem te wijten is. Ook mag hij niet nalatig zijn geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden. Het bestuur draagt de bewijslast van de disculpatie. Dit blijkt uit bovengenoemde artikelen en uit recente jurisprudentie van de Hoge Raad.[6]

Externe aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad

Bestuurder kunnen op grond van artikel 6:162 BW ook aansprakelijk gesteld worden op grond van onrechtmatige daad. Dit is een algemene grondslag voor aansprakelijkheid. Bestuurdersaansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad kan ook door een individuele schuldeiser ingeroepen worden.

De Hoge Raad onderscheidt twee vormen van bestuurdersaansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad. Allereerst hebben we de Beklamelnorm. In dit geval is een bestuurder namens de vennootschap een overeenkomst aangegaan met een derde, terwijl hij wist of redelijkerwijs behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen.[7] Daarnaast kennen we frustratie van verhaal. Hierbij veroorzaakt een bestuurder zelf dat de vennootschap de schuldeisers niet betaalt en tevens geen verhaal biedt. Het handelen van de bestuurder is hierbij zo onzorgvuldig, dat hem persoonlijk een ernstig verwijt gemaakt kan worden.[8] De bewijslast ligt hierbij op de schuldeiser.

Aansprakelijkheid van de rechtspersoon-bestuurder

In Nederland kan zowel een natuurlijk persoon als een rechtspersoon bestuurder van een rechtspersoon zijn. Dit brengt echter niet met zich mee dat bestuurdersaansprakelijkheid omzeild kan worden door een rechtspersoon bestuurder aansprakelijk te maken. Dit blijkt uit artikel 2:11 BW. Wanneer een rechtspersoon-bestuurder aansprakelijk gesteld wordt, rust deze aansprakelijkheid ook op de bestuurders van deze rechtspersoon-bestuurder.

Artikel 2:11 BW is van toepassing in gevallen dat bestuurdersaansprakelijkheid aangenomen kan worden op grond van artikel 2:9 BW, artikel 2:138 BW en artikel 2:248 BW. Er ontstond echter discussie omtrent de vraag of artikel 2:11 BW ook toepasbaar is bij bestuurdersaansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad. De Hoge Raad heeft bepaald dat dit wel het geval is. Hierbij wordt verwezen naar de wetsgeschiedenis. Artikel 2:11 BW heeft als doel om te voorkomen dat een natuurlijk persoon zich achter een rechtspersoon-bestuurder verschuilt. Hieruit volgt dat artikel 2:11 BW van toepassing is op alle gevallen waarin een rechtspersoon-bestuurder aansprakelijk is op grond van de wet.[9]

Décharge van het bestuur

Bestuurdersaansprakelijkheid kan afgewend worden doordat aan de bestuurders décharge wordt verleend. Décharge houdt in dat het beleid dat het bestuur tot aan het moment van décharge heeft gevoerd, wordt goedgekeurd. Er is dan dus sprake van een ontheffing van aansprakelijkheid van de bestuurders. Décharge is geen wettelijk begrip, maar is in bijna alle statuten van rechtspersonen terug te vinden. Het gaat hierbij om een intern ontslag van aansprakelijkheid. Décharge heeft dan ook alleen betrekking op interne aansprakelijkheid. Derden kunnen het bestuur nog steeds aansprakelijk stellen.

Décharge ziet enkel toe op feiten en omstandigheden die op het moment van déchargeverlening bekend waren bij de aandeelhouders.[10] Voor onbekende feiten blijft de bestuurdersaansprakelijkheid gewoon bestaan. Décharge is dus niet honderd procent veilig en biedt geen garantie voor bestuurders.

Conclusie

Ondernemen kan een uitdagende bezigheid zijn, maar komt helaas niet zonder risico’s. Veel ondernemers denken dat zij met het oprichten van een rechtspersoon aansprakelijkheid uit kunnen sluiten. Deze ondernemers komen echter bedrogen uit; onder bepaalde omstandigheden kan bestuurdersaansprakelijkheid aangenomen worden. Dit kan verregaande gevolgen hebben. Een bestuurder is dan namelijk met zijn privévermogen aansprakelijk voor de schulden van de rechtspersoon. De risico’s met betrekking tot bestuurdersaansprakelijkheid moeten dan ook niet onderschat worden. Bestuurders van rechtspersonen doen er verstandig aan zich aan de wettelijke verplichtingen te houden en op een open en weloverwogen manier bestuur over de rechtspersoon te voeren.

De complete versie van deze paper is beschikbaar via deze link

Contact

Heeft u vragen of opmerkingen naar aanleiding van dit artikel, voelt u zich dan vrij om contact op te nemen met mr. Maxim Hodak, advocaat bij Law & More via maxim.hodak@lawandmore.nl of mr. Tom Meevis, advocaat bij Law & More via tom.meevis@lawandmore.nl, of bel ons op +31 (0)40-3690680.

 

[1] ECLI:NL:HR:1997:ZC2243 (Staleman/Van de Ven).

[2] ECLI:NL:HR:2002:AE7011 (Berghuizer Papierfabriek).

[3] ECLI:NL:GHAMS:2010:BN6929.

[4] ECLI:NL:HR:2001:AB2053 (Panmo).

[5] ECLI:NL:HR:2007:BA6773 (Blue Tomato).

[6] ECLI:NL:HR:2015:522 (Glascentrale Beheer B.V.).

[7] ECLI:NL:HR:1989:AB9521 (Beklamel).

[8] ECLI:NL:HR:2006:AZ0758 (Ontvanger/Roelofsen).

[9] ECLI:NL:HR:2017:275.

[10] ECLI:NL:HR:1997:ZC2243 (Staleman/Van de Ven); ECLI:NL:HR:2010:BM2332.

Share