Gepubliceerd op 22 juli 2025 · Laatst bijgewerkt op 8 september 2026
Een kort geding aanvragen doet u wanneer u een rechterlijke beslissing nodig hebt die niet kan wachten op een gewone procedure. De voorzieningenrechter behandelt zo’n zaak op grond van artikel 254 Rv en geeft een voorlopige voorziening: een tijdelijke maatregel, geen eindoordeel over het geschil. Voorwaarde is dat u een spoedeisend belang hebt en dat de zaak zich leent voor een behandeling op korte termijn.
Inhoudsopgave
Wanneer is een kort geding de juiste route?
Een kort geding is bedoeld voor situaties waarin uitstel schade oplevert die later niet meer goed te maken is. Denk aan een leverancier die de levering staakt waardoor uw productie stilvalt, een dreigende ontruiming, een publicatie die op het punt staat te verschijnen, een concurrent die uw bedrijfsgeheimen gebruikt of een omgangsregeling die niet wordt nagekomen. In al die gevallen is de kern niet dat u gelijk hebt, maar dat u nu een beslissing nodig hebt.
Daar staat tegenover dat het kort geding zijn grenzen kent. De voorzieningenrechter beslist op basis van de stukken en een korte mondelinge behandeling; voor uitgebreide bewijslevering, getuigenverhoren of deskundigenonderzoek is geen ruimte. Is uw zaak feitelijk ingewikkeld en hangt de uitkomst af van wie de waarheid spreekt, dan kan de rechter op grond van artikel 256 Rv oordelen dat de zaak zich niet leent voor behandeling in kort geding en de vordering om die reden weigeren.
Een kort geding sluit een gewone procedure ook niet uit. Artikel 257 Rv bepaalt uitdrukkelijk dat de beslissingen in kort geding geen nadeel toebrengen aan de zaak ten principale. Beide partijen kunnen het geschil dus alsnog aan de bodemrechter voorleggen. In de praktijk gebeurt dat lang niet altijd: het voorlopige oordeel geeft vaak zo duidelijk richting dat partijen daarna schikken. Wilt u de afweging tussen beide routes maken, lees dan ons artikel over kort geding versus bodemprocedure.
Wat is een spoedeisend belang precies?
Het spoedeisend belang is de toegangspoort tot de procedure en tegelijk het punt waarop de meeste vorderingen sneuvelen. De rechter beoordeelt het op het moment van de uitspraak, niet op het moment waarop het conflict ontstond. Dat betekent dat u moet uitleggen waarom u de uitkomst van een bodemprocedure, die maanden tot ruim een jaar kan duren, niet kunt afwachten en welke concrete schade in die tussentijd ontstaat.
Stilzitten ondermijnt dat belang. Wie eerst een halfjaar correspondeert en dan pas naar de rechter stapt, krijgt onvermijdelijk de vraag waarom het nu ineens niet kan wachten. Dat betekent niet dat een poging tot een minnelijke oplossing verkeerd is; het betekent dat u die poging moet documenteren en moet begrenzen met een duidelijke termijn. Een ingebrekestelling met een laatste termijn is daarom vaak de beste opmaat naar een kort geding.
Bij een zuivere geldvordering is de lat hoger. De rechter beoordeelt dan niet alleen de spoedeisendheid, maar ook of de vordering voldoende aannemelijk is en of er een restitutierisico bestaat: kunt u het geld terugbetalen als de bodemrechter later anders oordeelt? Wie in kort geding betaling vordert, doet er verstandig aan die drie punten uitdrukkelijk te adresseren in plaats van te volstaan met de stelling dat de factuur onbetaald is.
Welke rechter behandelt uw kort geding?
Het uitgangspunt is de voorzieningenrechter van de rechtbank van de woonplaats van de gedaagde. Gaat het om een zaak die inhoudelijk bij de kantonrechter hoort, dan is die kantonrechter ook in kort geding bevoegd. Op grond van artikel 93 Rv behandelt de kantonrechter onder meer vorderingen tot vijfentwintigduizend euro en, ongeacht het bedrag, alle zaken over arbeidsovereenkomsten, huur, pacht en consumentenkoop. Een ontruimingskortgeding tegen een huurder loopt dus via de kantonrechter, ook als het belang groot is.
Dat onderscheid bepaalt ook of u een advocaat nodig hebt. Voor het kort geding bij de rechtbank geldt verplichte procesvertegenwoordiging: u kunt daar niet in persoon procederen. Bij de kantonrechter mag dat op grond van artikel 79 Rv wel. Of dat verstandig is, is een andere vraag. Een kort geding is kort, er is een pleitnota nodig, de rechter stelt gerichte vragen en de wederpartij verschijnt vrijwel altijd met een advocaat.
Bij een grensoverschrijdend geschil komt daar de vraag naar internationale bevoegdheid bij. Binnen de Europese Unie kunt u ook voorlopige maatregelen vragen aan de rechter van een lidstaat die niet bevoegd is over de hoofdzaak, mits er voldoende reële band bestaat met dat rechtsgebied. Laat dit vooraf beoordelen, want een onbevoegdheidsverweer kost in kort geding de hele voorsprong die u zocht.
Hoe vraagt u een kort geding aan?
De aanvraag begint niet met de dagvaarding maar met een verzoek aan de rechtbank om een zittingsdatum. Uw advocaat dient daarvoor een aanvraag in met een conceptdagvaarding, een omschrijving van de spoedeisendheid, de gewenste behandelduur en de verhinderdata van beide partijen. De rechtbank beoordeelt of de gestelde spoed de gevraagde termijn rechtvaardigt en bepaalt vervolgens dag en uur van de behandeling.
Bij gewone spoed volgt een zitting doorgaans binnen enkele weken. Is er sprake van uiterste spoed, bijvoorbeeld een levering die morgen plaatsvindt of een publicatie die vanavond online gaat, dan kan de voorzieningenrechter op zeer korte termijn behandelen en zelfs verlof geven om op een verkorte termijn te dagvaarden. Dat verlof is nodig omdat de gewone dagvaardingstermijn dan niet haalbaar is; vraag er uitdrukkelijk om en onderbouw waarom die termijn niet kan worden gehaald.
Zodra de datum vaststaat, wordt die in de dagvaarding verwerkt en laat u het stuk door een gerechtsdeurwaarder betekenen aan de wederpartij. Die betekening is geen formaliteit: artikel 45 Rv stelt eisen aan het exploot en een gebrek daarin kan tot nietigheid leiden. De deurwaarder maakt van de betekening een exploot op, dat het bewijs vormt dat de gedaagde tijdig is opgeroepen. Verschijnt de wederpartij vrijwillig, dan kan betekening achterwege blijven, maar reken daar niet op.
Uiterlijk enkele dagen voor de zitting stuurt u de producties in, in de vorm en binnen de termijn die het procesreglement voorschrijft. Stukken die te laat komen, kan de rechter weigeren. De praktische volgorde van deze stappen beschrijven wij uitgebreider in ons artikel over de procedure in kort geding.
Wat moet er in de dagvaarding staan?
De dagvaarding is het inhoudelijke hart van uw zaak. Artikel 111 Rv schrijft voor wat er in moet staan: de aanduiding van partijen, de eis en de gronden daarvan, het verweer dat de gedaagde daartegen heeft gevoerd en de bewijsmiddelen waarover u beschikt. Dat laatste onderdeel wordt vaak onderschat. U bent verplicht ook de u bekende verweren van de wederpartij te noemen, en dat vooruitlopend weerleggen versterkt uw positie meer dan het verzwijgen ervan.
De eis zelf moet uitvoerbaar zijn. Een vordering om de wederpartij te veroordelen tot “nakoming van de overeenkomst” levert een vonnis op waarmee een deurwaarder niets kan. Formuleer daarom concreet: welke handeling, binnen welke termijn, op welke plaats en op straffe van welke dwangsom. Denk ook aan een subsidiaire vordering, zodat de rechter iets anders kan toewijzen als de primaire eis te ver gaat.
Onderbouw ten slotte het spoedeisend belang als apart onderdeel, met een tijdlijn van wat wanneer is gebeurd en wat er gebeurt als de rechter niets doet. Verwijs daarbij naar de producties met nummers. Een chronologisch feitenrelaas waarin elke stap aan een productie is gekoppeld, maakt het voor de rechter mogelijk uw verhaal in korte tijd te controleren, en dat is precies waar het in een kort geding om draait.
Welk bewijs hebt u nodig?
In kort geding levert u bewijs uitsluitend met stukken. Contracten, facturen, aanmaningen, ingebrekestellingen, e-mails en berichtenverkeer vormen het dossier. Berichten uit chatprogramma’s zijn bruikbaar, mits u ze volledig en met datum, tijdstip en deelnemers overlegt; selectief knippen valt op en schaadt uw geloofwaardigheid meer dan het ontbrekende bericht u zou hebben gekost.
Sinds de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht op 1 januari 2025 in werking is getreden, is de waarheidsplicht van artikel 21 Rv aangescherpt: partijen moeten de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aanvoeren. Doet u dat niet, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht. Het oude artikel 843a Rv, waarmee inzage in stukken van de wederpartij kon worden gevorderd, is bij die wet vervangen door de artikelen 194 tot en met 195a Rv.
Een inzagevordering kan ook in kort geding worden ingesteld, maar bedenk dat zo’n vordering tijd kost en zich slecht verhoudt tot de spoed die u bepleit. Verzamel daarom zoveel mogelijk zelf voordat u dagvaardt: uw eigen administratie, openbare registers, uittreksels van de Kamer van Koophandel en het Kadaster, en waar nodig een verklaring van een deskundige die u zelf hebt ingeschakeld.
Wat kost een kort geding aanvragen?
De kosten bestaan uit griffierecht, deurwaarderskosten en het honorarium van uw advocaat. Het griffierecht is een vast bedrag dat afhangt van de hoogte van uw vordering en van de vraag of u een natuurlijke persoon of een rechtspersoon bent. Voor een dagvaardingszaak bij de rechtbank met een vordering tot honderdduizend euro bedraagt het griffierecht in 2026 veertienhonderdveertien euro voor een natuurlijke persoon en drieduizend drieentachtig euro voor een rechtspersoon. Voor een vordering van onbepaalde waarde geldt een lager tarief, en wie op grond van zijn inkomen als onvermogend geldt betaalt drieennegentig euro.
De deurwaarderskosten voor de betekening zijn wettelijk vastgesteld en beperkt van omvang. Het advocaathonorarium is de grootste post en hangt af van de complexiteit, de omvang van het dossier en de snelheid waarmee gewerkt moet worden; een superspoedzaak die binnen enkele dagen moet worden opgetuigd, kost nu eenmaal meer dan een zaak met drie weken voorbereidingstijd. Wij bespreken dat vooraf, zodat u weet waar u aan begint. Meer daarover leest u in ons artikel over de kosten van een kort geding.
Tegenover die kosten staat de proceskostenveroordeling van artikel 237 Rv: de partij die in het ongelijk wordt gesteld, wordt in de kosten van de wederpartij veroordeeld. Het deel dat op de advocaatkosten ziet, wordt echter forfaitair berekend volgens het liquidatietarief en dekt zelden de werkelijke rekening. Reken dus niet op volledige vergoeding, ook niet als u wint. Hoe die berekening werkt, leggen wij uit in ons artikel over de proceskostenveroordeling.
Hoe verloopt de zitting?
De mondelinge behandeling duurt meestal niet langer dan een uur tot anderhalf uur. De voorzieningenrechter heeft het dossier gelezen en begint vaak met de vragen die voor hem de kern raken. Daarna krijgen beide advocaten gelegenheid hun standpunt toe te lichten aan de hand van een pleitnota, gevolgd door een tweede ronde waarin op elkaars argumenten wordt gereageerd.
Uw eigen rol is groter dan u denkt. De rechter richt zich regelmatig rechtstreeks tot partijen, juist omdat hij in korte tijd wil peilen wat er werkelijk speelt. Antwoord feitelijk en beknopt op de vraag die wordt gesteld, ook als het antwoord u niet uitkomt; een ontwijkend antwoord weegt zwaarder dan een ongelegen feit. Laat het juridische betoog aan uw advocaat en reageer niet direct op wat de wederpartij zegt.
Vrijwel elke voorzieningenrechter onderzoekt of een schikking mogelijk is. De zitting wordt dan geschorst, zodat partijen op de gang kunnen overleggen. Een schikking geeft directe zekerheid en bespaart kosten, maar bindt u ook. Beoordeel een voorstel op de vraag of u ermee kunt leven als er verder niets meer gebeurt, en laat de gemaakte afspraken vastleggen in een proces-verbaal, want dat levert een executoriale titel op.
Het vonnis, de dwangsom en de uitvoering
Het vonnis volgt meestal binnen een tot twee weken; bij grote spoed doet de rechter direct na de zitting mondeling uitspraak, met een schriftelijke uitwerking daarna. De rechter kan uw vordering toewijzen, gedeeltelijk toewijzen of afwijzen, en kan de veroordeling anders formuleren dan u had gevraagd zolang hij binnen de grenzen van uw eis blijft.
Om te zorgen dat het vonnis ook wordt nagekomen, kunt u op grond van artikel 611a Rv een dwangsom vorderen: een bedrag dat de wederpartij verbeurt voor elke dag of elke overtreding waarmee hij het vonnis niet nakomt. Vraag daarbij om een maximum, want zonder maximum wijst de rechter de dwangsom vaak niet toe. Meer over de werking en de valkuilen daarvan leest u in ons artikel over de dwangsom.
Een kortgedingvonnis wordt vrijwel altijd uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat u het direct ten uitvoer kunt leggen, ook als hoger beroep wordt ingesteld. Dat brengt wel een risico mee: wordt het vonnis later vernietigd, dan hebt u zonder recht geëxecuteerd en bent u aansprakelijk voor de schade die daaruit is ontstaan. Weeg dat af voordat u de deurwaarder opdracht geeft. Hoe de tenuitvoerlegging verloopt, beschrijven wij in ons artikel over de executie van een vonnis.
Hoger beroep en de gang naar de bodemrechter
Bent u het niet eens met het vonnis, dan kunt u in hoger beroep. In kort geding geldt daarvoor een korte termijn: vier weken na de dag van de uitspraak, op grond van artikel 339 Rv. Die termijn is fataal, dus laat de beslissing om in beroep te gaan niet liggen. Het gerechtshof beoordeelt de zaak opnieuw, maar ook daar blijft het karakter voorlopig.
Daarnaast blijft de bodemprocedure openstaan. Daarin is wel ruimte voor getuigen, deskundigenberichten en een volledige bewijslevering, en het eindvonnis is definitief. Soms verbindt de voorzieningenrechter aan een toewijzing de voorwaarde dat binnen een bepaalde termijn een bodemprocedure aanhangig wordt gemaakt; houd die termijn nauwlettend in de gaten, omdat de voorziening anders vervalt.
Kort geding of beslag: welk drukmiddel past?
Een kort geding is niet altijd het snelste middel. Wilt u vooral voorkomen dat verhaal onmogelijk wordt, dan is conservatoir beslag vaak effectiever. Daarvoor dient u een verzoekschrift in bij de voorzieningenrechter, die het verlof op grond van artikel 700 Rv doorgaans zonder de wederpartij te horen verleent. Het beslag wordt daarna gelegd voordat de wederpartij het weet, wat het verrassingseffect verklaart.
Aan dat verlof verbindt de rechter een termijn waarbinnen u de eis in de hoofdzaak moet instellen; die termijn bedraagt ten minste acht dagen. Doet u dat niet, dan vervalt het beslag. Verder is het goed te weten wat beslag niet doet: het geeft u geen voorrang boven andere schuldeisers en het vervalt zodra de wederpartij failliet gaat. Beslag bevriest dus de situatie, maar het levert geen zekerheidsrecht op.
In de praktijk worden beide middelen vaak gecombineerd: eerst beslag om verhaal veilig te stellen, daarna een kort geding of een bodemprocedure om de vordering te laten vaststellen. Welke volgorde het beste werkt, hangt af van de vraag of uw probleem geld is of gedrag. Gaat het erom dat iemand iets moet doen of juist moet nalaten, dan is een kort geding met dwangsom het aangewezen middel; gaat het om de vraag of er straks nog iets te halen valt, dan begint u met beslag.
Welke zaken komen het vaakst in kort geding?
Bij ontruiming van een woning of bedrijfsruimte weegt de voorzieningenrechter het belang van de verhuurder bij beëindiging af tegen de gevolgen voor de huurder. Omdat ontruiming een ingrijpende en feitelijk onomkeerbare maatregel is, wijst de rechter haar in kort geding alleen toe als de tekortkoming van de huurder evident is, bijvoorbeeld bij een forse en onbetwiste huurachterstand of bij overlast die is vastgelegd in rapportages.
Bij een concurrentie- of relatiebeding vordert de werknemer meestal schorsing van het beding en de werkgever nakoming ervan. De rechter maakt dan een voorlopige belangenafweging: hoe zwaar weegt het bedrijfsbelang van de werkgever tegenover het recht van de werknemer op vrije arbeidskeuze? Bij een beding in een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd komt daar de eis bij dat het schriftelijk is gemotiveerd met zwaarwegende bedrijfsbelangen, zoals artikel 7:653 BW voorschrijft.
Bij een gevorderd publicatieverbod staan twee grondrechten tegenover elkaar: de vrijheid van meningsuiting en het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Geen van beide heeft voorrang; de rechter weegt onder meer de ernst van de beschuldiging, de mate waarin die steun vindt in het beschikbare feitenmateriaal, het maatschappelijk belang van de publicatie en de vraag of wederhoor is toegepast. Een verbod vooraf is een zware maatregel en wordt daarom terughoudend toegewezen.
Verder ziet de voorzieningenrechter veel aanbestedingsgeschillen, waarin een afgewezen inschrijver binnen een korte opschortende termijn moet opkomen tegen de gunningsbeslissing, en geschillen over de nakoming van duurovereenkomsten, waarin hervatting van leveringen of dienstverlening wordt gevorderd. In al deze zaken geldt dezelfde rode draad: hoe concreter u de gevraagde veroordeling formuleert, hoe groter de kans dat de rechter haar kan toewijzen.
Wat als u het kort geding verliest?
Een afwijzing betekent niet dat u ongelijk hebt. De voorzieningenrechter oordeelt voorlopig en op basis van een beperkt dossier; hij kan de vordering ook afwijzen omdat de zaak zich niet leent voor kort geding of omdat het spoedeisend belang onvoldoende is onderbouwd. In beide gevallen staat de weg naar de bodemrechter nog volledig open, met alle ruimte voor bewijslevering die daar wel bestaat.
Wel draagt u de gevolgen op korte termijn. U wordt in de proceskosten van de wederpartij veroordeeld en u moet zich houden aan wat de rechter heeft beslist. Is uw vordering afgewezen en gaat u toch door met de handeling waarvan de wederpartij afgifte of staking vorderde, dan riskeert u een tweede procedure met een slechtere uitgangspositie. Evalueer daarom na een afwijzing eerst het vonnis: vaak staat in de motivering precies welk bewijs ontbrak.
Gaat uw geschil over een besluit van de overheid?
Dan is het civiele kort geding meestal niet de juiste route. Voor besluiten van bestuursorganen, zoals een last onder dwangsom, een handhavingsbesluit, een geweigerde vergunning of een intrekking daarvan, bestaat een eigen spoedprocedure: de voorlopige voorziening bij de bestuursrechter op grond van artikel 8:81 Awb. U vraagt de voorzieningenrechter dan bijvoorbeeld om het besluit te schorsen totdat op uw bezwaar of beroep is beslist.
Aan die procedure is een voorwaarde verbonden die vaak wordt vergeten: er moet al een bezwaarschrift of beroepschrift lopen. Zonder dat lopende rechtsmiddel is het verzoek niet-ontvankelijk. Dien het bezwaar dus eerst in, ook als het nog summier is, en vraag daarna de voorziening. De bestuursrechter beoordeelt vervolgens of onverwijlde spoed een voorlopige maatregel vereist en maakt een afweging van de betrokken belangen.
Wie zich toch tot de civiele voorzieningenrechter wendt in een zaak waarvoor de bestuursrechtelijke weg openstaat, wordt in de regel niet-ontvankelijk verklaard, omdat er een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang bestaat. De civiele rechter blijft wel in beeld voor feitelijk handelen van de overheid dat geen besluit is, en voor privaatrechtelijke geschillen met een overheidslichaam, zoals een contractueel conflict of een aanbestedingsprocedure. Laat die vraag vooraf beoordelen: een verkeerde ingang kost bij spoed niet alleen geld, maar vooral tijd die u niet hebt.
Veelgestelde vragen over het kort geding
Hoe snel kan een kort geding worden behandeld?
Bij gewone spoed staat de zitting doorgaans binnen enkele weken gepland. Bij uiterste spoed kan de voorzieningenrechter binnen enkele dagen behandelen en in uitzonderlijke gevallen zelfs dezelfde dag, mits u aantoont waarom uitstel niet mogelijk is. De rechtbank beslist zelf over de termijn; u kunt die niet afdwingen, alleen onderbouwen.
Kan ik in kort geding betaling van een factuur vorderen?
Dat kan, maar de rechter is terughoudend. Naast het spoedeisend belang beoordeelt hij of de vordering voldoende aannemelijk is en of er een risico bestaat dat u het bedrag bij een andersluidend eindoordeel niet kunt terugbetalen. Bij een betwiste factuur zonder acute liquiditeitsnood is de kans op toewijzing beperkt.
Wat gebeurt er als de wederpartij niet verschijnt?
Is de dagvaarding correct betekend en verschijnt de gedaagde niet, dan verleent de rechter verstek en beoordeelt hij de vordering op basis van uw stukken. Toewijzing is dan niet automatisch: de rechter toetst of de vordering hem niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt. Een gebrekkige betekening is in die situatie fataal.
Is een advocaat verplicht bij een kort geding?
Bij de voorzieningenrechter van de rechtbank wel. Valt uw zaak onder de kantonrechter, bijvoorbeeld een arbeids- of huurgeschil of een vordering tot vijfentwintigduizend euro, dan mag u op grond van artikel 79 Rv zelf procederen. Gezien het tempo van de procedure en het belang van een scherp geformuleerde eis is bijstand ook dan meestal verstandig.
Een kort geding voorbereiden met Law & More
Een kort geding wordt gewonnen in de voorbereiding: met een scherpe eis, een gedocumenteerde tijdlijn en een spoedeisend belang dat de rechter meteen ziet. Dat vraagt om snel schakelen, want de tijd tussen het besluit om te procederen en de zitting is kort. Wij beoordelen eerst of een kort geding het juiste middel is en of een ingebrekestelling of een beslag niet sneller effect heeft.
De advocaten civiel recht van Law & More stellen de dagvaarding op, verzorgen de aanvraag bij de rechtbank en staan u bij op de zitting, ook in zaken die binnen enkele dagen moeten worden behandeld. Bel +31 40 369 06 80 om uw situatie voor te leggen.
De actuele griffierechten vindt u bij de Rechtspraak; de genoemde procesregels staan in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op wetten.overheid.nl.