Gepubliceerd op 14 januari 2026 · Laatst bijgewerkt op 8 september 2026
Een verkeersongeval door rood licht waarbij een ander zwaar lichamelijk letsel oploopt of overlijdt, is strafbaar op grond van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. De rechter beoordeelt hoe zwaar de schuld van de bestuurder weegt: aanmerkelijke onvoorzichtigheid of roekeloosheid. Bij roekeloosheid verdubbelt het strafmaximum. Daarnaast kan de rechter de rijbevoegdheid ontzeggen en beslist hij over de schadevordering van het slachtoffer.
Inhoudsopgave
Welke wetsartikelen gelden bij een ongeval na door rood rijden?
Bij een ernstig ongeval draait de strafzaak vrijwel altijd om artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Dat artikel verbiedt iedere verkeersdeelnemer zich zodanig te gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval plaatsvindt waardoor een ander wordt gedood of zwaar lichamelijk letsel oploopt. Het gaat daarbij niet om de opzet iemand te verwonden, maar om een verwijtbare fout in het verkeersgedrag. Het negeren van een rood verkeerslicht is zo een fout. Of die fout ook strafrechtelijke schuld oplevert, is een aparte vraag die de rechter zelfstandig beantwoordt.
Daarnaast bestaat sinds 1 januari 2020 artikel 5a WVW 1994. Dat artikel verbiedt om opzettelijk zo te rijden dat de verkeersregels in ernstige mate worden geschonden, terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is. De wetgever heeft daarbij een reeks gedragingen opgesomd, en het rijden door rood licht staat daar uitdrukkelijk tussen. Artikel 5a is ook strafbaar zonder dat er iets gebeurt: artikel 176 WVW 1994 stelt daarop een gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of een geldboete van de vierde categorie.
De strafbedreiging bij artikel 6 staat in artikel 175 WVW 1994. Dat artikel onderscheidt naar het gevolg van het ongeval en naar de zwaarte van de schuld. Bestaat de schuld in roekeloosheid, dan geldt op grond van artikel 175 lid 2 WVW 1994 een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of een geldboete van de vijfde categorie wanneer het slachtoffer is overleden, en ten hoogste drie jaren of een geldboete van de vierde categorie wanneer het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel opliep. Zonder roekeloosheid gelden aanzienlijk lagere maxima. Alcohol, drugs en het weigeren van medewerking aan het ademonderzoek werken bovendien strafverzwarend.
Buiten de verkeerswetgeving bestaan de commune delicten dood door schuld (artikel 307 Sr) en zwaar lichamelijk letsel door schuld (artikel 308 Sr). Bij verkeersongevallen gaat de specifieke verkeerswetgeving in de regel voor. Haalt het gedrag de ondergrens van strafrechtelijke schuld niet, dan resteert artikel 5 WVW 1994: het veroorzaken van gevaar of hinder op de weg. Dat is een overtreding met een veel lichtere afdoening, en juist dat verschil maakt de discussie over de schuldgradatie zo bepalend. Welke factoren de uitkomst sturen, leest u ook in ons artikel over de straf bij een ernstig verkeersongeval.
Wanneer levert letsel juridisch zwaar lichamelijk letsel op?
Niet elke verwonding is zwaar lichamelijk letsel. Het is een juridisch begrip en geen medisch begrip, en het bepaalt of artikel 6 WVW 1994 uberhaupt in beeld komt. De Hoge Raad hanteert als maatstaf dat het moet gaan om letsel van voldoende ernst, waarbij de aard van het letsel, de noodzaak en de aard van het medisch ingrijpen en het uitzicht op herstel worden meegewogen.
In de praktijk kwalificeren botbreuken, inwendig letsel, blijvende beperkingen en letsel waarvoor een operatie nodig was vrijwel altijd als zwaar. Schaafwonden, kneuzingen en een verstuikte enkel meestal niet. Ook een langdurige revalidatie zonder operatie kan de drempel halen. De rechtbank Oost-Brabant rekende in een roodlichtzaak een gebroken schouderblad en een gebroken vinger tot zwaar lichamelijk letsel, mede omdat het slachtoffer haar beroep niet meer kon uitoefenen. Een uitgebreidere behandeling van de bewijsvoering rond dit begrip vindt u in ons artikel over zwaar lichamelijk letsel in strafzaken.
Voor beide partijen betekent dit dat de medische rapportage zwaar weegt. De verklaring van de behandelend arts en de letselrapportage die kort na het ongeval wordt opgemaakt, bepalen in belangrijke mate op welk artikel het Openbaar Ministerie de vervolging baseert. Klachten die pas maanden later worden vastgelegd, zijn moeilijker aan het ongeval toe te rekenen.
Wat is het verschil tussen aanmerkelijke schuld en roekeloosheid?
Van aanmerkelijke schuld is sprake wanneer de bestuurder aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend of onachtzaam heeft gereden. De Hoge Raad heeft daarbij uitdrukkelijk bepaald dat schuld niet reeds volgt uit de enkele constatering dat een verkeersregel is overtreden. De rechter kijkt naar het geheel van de gedragingen, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Door rood rijden omdat de aandacht een moment verslapte, levert daarom niet zonder meer schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994 op, al is die drempel bij het negeren van een rood licht doorgaans wel gehaald.
Roekeloosheid is de zwaarste schuldvorm. De Hoge Raad omschrijft haar als een buitengewoon onvoorzichtige gedraging waardoor zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, terwijl de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn. Die maatstaf is streng: roekeloosheid wordt slechts in uitzonderlijke gevallen aangenomen. Het beeld dat rechters dit sinds de wetswijziging van 2020 zonder meer sneller doen, klopt dus niet. Wel heeft de wetgever aan artikel 175 lid 2 WVW 1994 toegevoegd dat van roekeloosheid in elk geval sprake is als het gedrag tevens een overtreding van artikel 5a lid 1 oplevert. Langs die weg kan roekeloosheid worden aangenomen zonder dat de klassieke maatstaf afzonderlijk hoeft te worden ingevuld.
Hoe de klassieke maatstaf uitpakt, laat de Hoge Raad zien in zijn arrest van 15 oktober 2024. Daarin ging het om een bestuurder die met ruim 175 kilometer per uur reed waar tachtig was toegestaan en op een eenbaansweg inhaalde, met zwaar letsel bij het slachtoffer tot gevolg. Het oordeel van het gerechtshof dat dit roekeloosheid opleverde, bleef in cassatie in stand (ECLI:NL:HR:2024:1405). Bij door rood rijden komt roekeloosheid vooral in beeld wanneer er meer aan de hand is dan het gemiste licht alleen: een forse snelheidsoverschrijding, een bewuste keuze om door te rijden, middelengebruik of afleiding door een telefoon.
Welke straffen legt de rechter in de praktijk op?
De maxima in de wet zeggen weinig over wat een rechter daadwerkelijk oplegt. De rechtbank oriënteert zich op de landelijke orientatiepunten voor straftoemeting en op de eis van de officier van justitie, en weegt daarnaast de persoon van de verdachte mee. Bij aanmerkelijke schuld met zwaar lichamelijk letsel eindigt een zaak vaak in een taakstraf, soms gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf, vrijwel altijd naast een ontzegging van de rijbevoegdheid. Bij roekeloosheid of bij een dodelijk ongeval is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf een reele mogelijkheid.
Een sprekend voorbeeld is een vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 31 oktober 2025. Een toen negentienjarige bestuurder reed met ongeveer honderd kilometer per uur waar vijftig was toegestaan en passeerde een kruispunt terwijl de verkeerslichten al minimaal tweeenvijftig seconden rood uitstraalden. Een inzittende van de andere auto liep een gebroken schouderblad en een gebroken vinger op en kon haar werk niet meer doen. De rechtbank legde tweehonderdveertig uur taakstraf op en een ontzegging van de rijbevoegdheid van twaalf maanden, waarvan zes voorwaardelijk (ECLI:NL:RBOBR:2025:6989). Meegewogen werden het blanco strafblad, de jonge leeftijd, het getoonde berouw en het aanzienlijke tijdsverloop van ruim twee jaar tussen het ongeval en de berechting.
Dat een roodlichtzaak ook lichter kan uitpakken, blijkt uit een vonnis van de rechtbank Rotterdam van 15 oktober 2025. Een motorrijder die door rood reed en een bromfietser aanreed, werd veroordeeld wegens aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag en kreeg honderdtwintig uur taakstraf en een geheel voorwaardelijke ontzegging van twaalf maanden (ECLI:NL:RBROT:2025:12863). Het verschil met de Brabantse zaak zit vooral in de mate van gevaarzetting en in de ernst van het letsel.
Strafverzwarend werken doorgaans eerdere veroordelingen voor verkeersdelicten, het verlaten van de plaats van het ongeval, rijden onder invloed en het rijden tijdens een lopende ontzegging. Strafverminderend werken een blanco justitiele documentatie, oprecht berouw en contact met het slachtoffer, jeugdige leeftijd en de eigen gevolgen voor de verdachte. Ook overschrijding van de redelijke termijn leidt tot strafvermindering. Hoe rechters die afweging structureel maken, beschrijven wij in ons artikel over de keuze tussen taakstraf, geldboete of gevangenisstraf.
Wat gebeurt er met uw rijbewijs?
Het rijbewijs raakt bij een ernstig roodlichtongeval langs twee gescheiden wegen in het geding. Strafrechtelijk kan de rechter op grond van artikel 179 WVW 1994 de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen ontzeggen. Dat is een bijkomende straf en in de praktijk vaak de meest ingrijpende sanctie, zeker voor wie voor zijn werk afhankelijk is van de auto. Al direct na het ongeval kan de politie het rijbewijs bovendien invorderen op grond van artikel 164 WVW 1994; de officier van justitie beslist daarna of het wordt teruggegeven of onder zich blijft tot de zitting.
Daarnaast loopt een bestuursrechtelijk traject. De politie kan op grond van artikel 130 WVW 1994 een mededeling doen aan het CBR wanneer er twijfel bestaat over de rijvaardigheid of de rijgeschiktheid. Het CBR kan vervolgens een onderzoek opleggen en het rijbewijs uiteindelijk ongeldig verklaren. Die procedure staat volledig los van de strafzaak en kan doorlopen terwijl de strafzaak nog niet is behandeld, of zelfs na een vrijspraak. Juridisch is dat geen dubbele bestraffing, omdat het CBR een bestuursrechtelijke maatregel treft in het belang van de verkeersveiligheid. Wij schreven eerder over de rol van het CBR bij verkeersdelicten en over de rechtsmiddelen die daartegen openstaan.
Hoe verhaalt het slachtoffer zijn schade?
Wie door het ongeval rechtstreeks schade heeft geleden, kan zich op grond van artikel 51f Sv als benadeelde partij voegen in het strafproces. Dat kost geen griffierecht en de strafrechter beslist over de vordering tegelijk met de straf. Blijkt de vordering te ingewikkeld om binnen de strafzaak te beoordelen, dan verklaart de rechter haar op grond van artikel 361 Sv geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk; het slachtoffer kan het resterende deel dan alsnog bij de civiele rechter aanbrengen. Wijst de strafrechter de vordering toe, dan legt hij daarbij vrijwel altijd de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op, zodat de Staat de inning overneemt.
Buiten het strafproces berust de aansprakelijkheid op de onrechtmatige daad van artikel 6:162 BW. Omdat elke bezitter van een motorrijtuig verplicht verzekerd is, heeft het slachtoffer op grond van artikel 6 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen een eigen recht op schadevergoeding rechtstreeks tegenover de verzekeraar. Heeft de bestuurder opzettelijk of onder invloed gehandeld, dan keert de verzekeraar aan het slachtoffer uit maar verhaalt zij het bedrag vervolgens op de verzekerde. Eigen schuld van het slachtoffer kan de vergoeding op grond van artikel 6:101 BW verminderen. Naasten van een ernstig en blijvend gewond slachtoffer kunnen affectieschade vorderen op grond van artikel 6:107 BW; bij overlijden geldt artikel 6:108 BW.
De begroting en het verhaal van letselschade is specialistisch werk, waarbij medische expertise, verlies van arbeidsvermogen en smartengeld tegen elkaar moeten worden afgewogen. Law & More behandelt geen letselschadezaken; daarvoor schakelt u een gespecialiseerde letselschadeadvocaat in. Onze bijstand ligt bij de strafzaak zelf, aan de kant van de verdachte of bij het spreekrecht en de voeging van het slachtoffer. Wat u praktisch moet doen in de eerste uren na een botsing, zetten wij uiteen in ons artikel over een aanrijding met letsel of schade.
Hoe verloopt de strafzaak na een verkeersongeval?
Direct na een ernstig ongeval stelt de politie een verkeersongevallenanalyse op. Daarin komen remsporen, botsschade, de snelheid, de uitgelezen gegevens van de verkeersregelinstallatie en eventuele camerabeelden samen. Juist die uitlezing is bij roodlichtzaken beslissend: daaruit blijkt tot op de seconde hoe lang het licht al rood was. Getuigen worden gehoord en bij een vermoeden van middelengebruik volgt een adem- of bloedonderzoek.
Het Openbaar Ministerie beoordeelt daarna het dossier en beslist over de vervolging. Dat kan uitmonden in een sepot, in een strafbeschikking bij lichtere feiten, of in een dagvaarding. Zaken op grond van artikel 6 WVW 1994 met zwaar letsel of een dodelijke afloop worden in de regel door de meervoudige kamer behandeld. Voorlopige hechtenis komt in verkeerszaken zelden voor, maar is niet uitgesloten wanneer er sprake is van doorrijden na het ongeval of van middelengebruik.
Op de zitting licht de officier van justitie de tenlastelegging toe en eist hij een straf. Het slachtoffer en bepaalde nabestaanden hebben spreekrecht op grond van artikel 51e Sv en mogen daarbij ook over de gevolgen en de vordering spreken. De verdediging voert vervolgens verweer. De rechtbank doet doorgaans binnen twee weken uitspraak. Zowel de verdachte als het Openbaar Ministerie kan binnen veertien dagen hoger beroep instellen bij het gerechtshof, en daarna staat in beginsel cassatie bij de Hoge Raad open. Wanneer dat de moeite loont, bespreken wij in ons artikel over hoger beroep in strafzaken.
Welke verweren kan de verdediging voeren?
Het eerste aangrijpingspunt is het feitencomplex zelf. Stond het licht werkelijk op rood, en zo ja, hoe lang al? Was er een storing in de installatie, of week de bestuurder uit voor een voorrangsvoertuig? Een technisch dossier dat op dit punt niet sluitend is, ondergraaft de kern van de tenlastelegging. Ook een plotselinge medische oorzaak, zoals een onvoorzienbare black-out, kan aan strafrechtelijke schuld in de weg staan.
Het tweede aangrijpingspunt is de schuldgradatie. Omdat schuld volgens de Hoge Raad niet automatisch uit een verkeersovertreding volgt, kan de verdediging betogen dat het gedrag de ondergrens van artikel 6 WVW 1994 niet haalt en dat hooguit artikel 5 WVW 1994 overblijft. Wordt roekeloosheid ten laste gelegd, dan is het verweer dat de strenge maatstaf niet is ingevuld vaak kansrijker dan een algeheel vrijspraakverweer, en het scheelt in het strafmaximum een factor twee.
Verder spelen het causaal verband tussen de gedraging en het letsel, de kwalificatie van dat letsel als zwaar, en de vraag of het slachtoffer zelf aan het ongeval heeft bijgedragen. Tot slot is er de strafmaat: persoonlijke omstandigheden, het verloop sinds het ongeval en de gevolgen van een ontzegging voor werk en gezin verdienen een onderbouwd betoog. Voor de verdachte begint dit alles bij het politieverhoor. Wat u daar wel en niet zegt, werkt door tot in het vonnis; ons artikel over het zwijgrecht legt uit wanneer zwijgen verstandig is.
Veelgestelde vragen
Kan ik ook vervolgd worden als het licht net op oranje sprong?
Bij oranje moet u stoppen, tenzij dat redelijkerwijs niet meer mogelijk is. Rijdt u door terwijl stoppen wel had gekund en ontstaat daardoor een ongeval met zwaar letsel, dan kan artikel 6 WVW 1994 in beeld komen. In de bewijsvoering is het onderscheid tussen oranje en rood belangrijk, omdat de uitlezing van de verkeersregelinstallatie doorgaans exact laat zien hoe lang het licht al rood was.
Is niet gezien hebben dat het licht rood was een verweer?
Zelden. Het niet opmerken van een rood verkeerslicht wordt juist uitgelegd als onoplettendheid en kan daarmee de schuld onderbouwen. Het argument heeft wel betekenis voor de schuldgradatie: wie het licht daadwerkelijk over het hoofd zag, handelde niet bewust gevaarzettend, wat pleit tegen roekeloosheid.
Raak ik mijn rijbewijs kwijt als ik door rood rijd zonder ongeval?
Dat kan. Wanneer het gedrag onder artikel 5a WVW 1994 valt, is het ook zonder ongeval een misdrijf en kan het rijbewijs worden ingevorderd. Los daarvan kan de politie een mededeling doen aan het CBR op grond van artikel 130 WVW 1994, waarna een onderzoek naar de rijvaardigheid volgt.
Betaalt mijn verzekeraar de schade van het slachtoffer?
Ja. Het slachtoffer heeft op grond van artikel 6 WAM een rechtstreeks vorderingsrecht op uw aansprakelijkheidsverzekeraar, die de schade afwikkelt. Bij opzet of rijden onder invloed keert de verzekeraar wel uit aan het slachtoffer, maar verhaalt zij het uitgekeerde bedrag daarna op u.
Kan het slachtoffer schade claimen als er geen strafzaak komt?
Ja. De civiele aansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW staat los van de strafvervolging. Ook na een sepot of een vrijspraak kan de schade bij de verzekeraar of bij de bestuurder worden verhaald, omdat de civiele rechter een eigen maatstaf hanteert en niet aan de strafrechtelijke uitkomst is gebonden.
Wat betekent het als de rechter roekeloosheid aanneemt?
Dan verdubbelt het strafmaximum van artikel 175 WVW 1994 en wordt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf veel waarschijnlijker. Ook de ontzegging van de rijbevoegdheid valt in de regel fors langer uit. Omdat de Hoge Raad een strenge maatstaf hanteert, loont het vrijwel altijd om dit onderdeel van de tenlastelegging gemotiveerd te bestrijden.
Bijstand bij een verkeersstrafzaak
Een strafzaak na een ongeval bij rood licht draait op techniek, op de precieze schuldgradatie en op een goed onderbouwd strafmaatverweer. Wie kort na het ongeval al juridisch advies inwint, staat sterker: verklaringen bij de politie en de eerste medische vastlegging bepalen vaak de loop van het dossier. Law & More staat zowel verdachten als slachtoffers bij in verkeersstrafzaken vanuit Eindhoven en Amsterdam. Neem gerust contact op met onze strafrechtadvocaten om uw situatie voor te leggen.
