De Wet toezicht trustkantoren 2018 en domicilieverlening plus

De trustsector is een streng gereguleerde sector. Trustkantoren in Nederland staan daarbij onder strikt toezicht. De reden hiervoor is onder andere dat trustkantoren een groot risico lopen om betrokken te raken bij witwaspraktijken of om zaken te doen met frauduleuze partijen. Om toezicht te kunnen houden op trustkantoren en de sector te kunnen reguleren, is in 2004 de Wet toezicht trustkantoren (Wtt) in werking getreden. Op basis van deze wet moeten trustkantoren aan verschillende vereisten voldoen om hun activiteiten uit te kunnen oefenen. Kortgeleden is er een nieuwe wetswijziging aangenomen, die in werking is getreden op 1 januari 2019. Deze wetswijziging brengt onder andere met zich mee dat de definitie van domicilieverlener onder de Wtt ruimer is geworden. Als gevolg van deze wijziging vallen dus meer instellingen onder de Wtt , wat grote gevolgen voor hen kan hebben. In dit artikel wordt uitgelegd wat de wijziging van de Wtt inhoudt met betrekking tot domicilieverlening en worden de praktische gevolgen van de wetswijziging op dit gebied uiteengezet.

De-Wet-toezicht-trustkantoren-en-domicilieverlening-plus

1. Achtergrond Wet toezicht trustkantoren

Een trustkantoor is een rechtspersoon, vennootschap of natuurlijk persoon die beroeps- of bedrijfsmatig één of meer trustdiensten verleent, al dan niet met andere rechtspersonen of vennootschappen. Zoals uit de naam van de Wtt wet al blijkt, zijn trustkantoren onderhavig aan toezicht. De toezichthouder is De Nederlandsche Bank. Zonder een vergunning van De Nederlandsche Bank, mogen trustkantoren niet vanuit een vestiging in Nederland werkzaam zijn. In de Wtt is onder andere opgenomen wat onder een trustkantoor wordt verstaan en aan welke vereisten trustkantoren moeten voldoen om een vergunning te krijgen. Er worden in de Wtt vijf categorieën van trustdiensten aangemerkt. Organisaties die deze diensten verlenen, worden als trustkantoor gedefinieerd en hebben een vergunning nodig op grond van de Wtt. Het gaat hierbij om de volgende diensten:

  • het zijn van bestuurder of vennoot van een rechtspersoon of vennootschap;
  • het ter beschikking stellen van een adres of een postadres met daarbij het verlenen van bijkomende werkzaamheden (verlenen van domicilie plus);
  • het ten behoeve van de cliënt gebruik maken van een doorstroomvennootschap;
    het verkopen of bemiddelen bij de verkoop van rechtspersonen;
  • het optreden als trustee.

De autoriteiten hebben verschillende redenen gehad om de Wtt in te voeren. Vóór de invoering van de Wtt was de trustsector niet of nauwelijks in kaart gebracht, met name voor wat betreft de grote groep kleinere trustkantoren. Door toezicht in te voeren, kon er beter zicht op de trustsector gekregen worden. De tweede reden voor het invoeren van de Wtt is dat internationale organisaties, zoals de Financial Action Task Force, wezen op een verhoogd risico voor trustkantoren om betrokken te raken bij onder meer witwassen en fiscale ontduiking. Volgens deze organisaties was er in de trustsector sprake van een integriteitsrisico dat beheersbaar gemaakt moest worden door middel van regulering en toezicht. Deze internationale instanties hebben ook maatregelen aanbevolen, waaronder het know-your-customer principe, wat gericht is op een integere bedrijfsvoering en waarbij trustkantoren moeten weten met wie ze zakendoen. Hierdoor wordt beoogd te voorkomen dat er zaken gedaan worden met frauduleuze of criminele partijen. De laatste reden die aangevoerd werd voor invoering van de Wtt is dat de zelfregulering in Nederland niet toereikend werd geacht. Op niet alle trustkantoren waren dezelfde regels van toepassing, omdat niet alle kantoren in een branche- of beroepsorganisatie verenigd waren. Bovendien ontbrak een toezichthouder die zorg kon dragen voor handhaving van de regels[1] De Wtt heeft er vervolgens voor gezorgd dat er duidelijke regulering kwam met betrekking tot trustkantoren en heeft bovengenoemde problemen aangepakt.

2. Definitie verlenen van domicilie plus

Sinds de inwerkingtreding van de Wtt in 2004, hebben er regelmatig wijzigingen van deze wet plaatsgevonden. Op 6 november 2018 heeft de Eerste Kamer een nieuwe wijziging van de Wtt aangenomen. Met de nieuwe Wet toezicht trustkantoren 2018 (Wtt 2018), die op 1 januari 2019 in werking is getreden, worden de normen waaraan trustkantoren moeten voldoen aangescherpt en krijgt het toezicht meer handhavingsmiddelen ter beschikking. Door deze wijziging is onder andere het begrip ‘verlenen van domicilie plus’ uitgebreid. Onder de oude Wtt werd de volgende dienstverlening als een trustdienst gezien: het verlenen van domicilie voor een rechtspersoon in combinatie met het verrichten van bijkomende werkzaamheden. Dit wordt ook wel het verlenen van domicilie plus genoemd. Allereerst is hierbij van belang wat het verlenen van domicilie precies inhoud. Volgens de Wtt is het verlenen van domicilie het in opdracht van een niet tot dezelfde groep behorende rechtspersoon, vennootschap of natuurlijke persoon ter beschikking stellen van een postadres of bezoekadres. Wanneer diegene die domicilie verleent tegelijkertijd bijkomende werkzaamheden verricht, is er sprake van het verlenen van domicilie plus. Deze werkzaamheden samen worden aangemerkt als een trustdienst op grond van de Wtt. Hierbij ging het onder de oude Wtt om de volgende bijkomende werkzaamheden:

  • het op privaatrechtelijk gebied geven van advies of het verlenen van bijstand, met uitzondering van het verrichten van receptiewerkzaamheden;
  • het verzorgen van belastingadvies of het verzorgen van belastingaangiften en daarmee verband houdende werkzaamheden;
  • het verrichten van werkzaamheden in verband met het opstellen, beoordelen of controleren van de jaarrekening of het voeren van administraties;
  • het werven van een bestuurder voor een rechtspersoon of vennootschap;
  • verdere bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen bijkomende werkzaamheden.

Het verlenen van domicilie plus het verrichten van één van bovengenoemde bijkomende werkzaamheden, wordt onder de oude Wtt dus aangemerkt als een trustdienst. Organisaties die deze combinatie van diensten verlenen, moeten over een vergunning op grond van de Wtt beschikken. Onder de Wtt 2018 zijn de bijkomende werkzaamheden enigszins aangepast. Deze werkzaamheden worden in de Wtt 2018 aanvullende werkzaamheden genoemd. Het gaat hierbij om de volgende werkzaamheden:

  • het geven van juridisch advies of het verlenen van bijstand, met uitzondering van het verrichten van receptiewerkzaamheden;
  • het verzorgen van belastingaangiften en daarmee verband houdende werkzaamheden;
  • het verrichten van werkzaamheden in verband met het opstellen, beoordelen of controleren van de jaarrekening of het voeren van administratie;
  • het werven van een bestuurder voor een rechtspersoon of vennootschap;
  • andere bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen aanvullende werkzaamheden.

Het is duidelijk dat de aanvullende werkzaamheden onder de Wtt 2018 niet veel afwijken van de bijkomende werkzaamheden onder de oude Wtt. De definitie van het geven van advies onder het eerste punt wordt enigszins uitgebreid en het verzorgen van belastingadvies wordt juist uit de definitie gehaald, maar verder gaat het om vrijwel dezelfde aanvullende werkzaamheden. Toch is er in de Wtt 2018 met betrekking tot het verlenen van domicilie plus een grote verandering te zien ten opzichte van de oude Wtt. Op grond van artikel 3, lid 4 sub b Wtt 2018 is het een ieder verboden zonder vergunning op grond van deze wet werkzaamheden te verrichten gericht op zowel het ter beschikking stellen van een postadres of bezoekadres als bedoeld in onderdeel b van de begripsomschrijving van trustdienst, als het verrichten van aanvullende werkzaamheden als bedoeld in dat onderdeel, ten behoeve van een en dezelfde natuurlijke persoon, rechtspersoon of vennootschap.[2] Dit verbod is ontstaan doordat het verlenen van domicilie en het verrichten van aanvullende werkzaamheden in de praktijk vaak opgeknipt worden, waarbij deze diensten niet door dezelfde partij verricht worden. In plaats daarvan verricht één partij bijvoorbeeld de aanvullende werkzaamheden en brengt de cliënt vervolgens in contact met een andere partij die domicilie verleent. Doordat het verrichten van aanvullende werkzaamheden en het verlenen van domicilie niet door dezelfde partij verricht worden, is er geen sprake van een trustdienst volgens de oude Wtt. Door het opknippen van deze diensten, is er ook geen vergunning op grond van de oude Wtt nodig en wordt de vergunningplicht dus als het ware omzeild. Om dit opknippen van diensten in de toekomst te voorkomen, is hiertoe een verbod opgenomen in artikel 3, lid 4 sub b Wtt 2018.

3. Praktische gevolgen van het verbod op het opknippen van trustdiensten

Volgens de oude Wtt vallen de werkzaamheden van dienstverleners die het verlenen van domicilie en het verrichten van aanvullende werkzaamheden opknippen, en deze diensten dus door verschillende partijen laten uitvoeren, niet onder de definitie van een trustdienst. Met het verbod uit artikel 3, lid 4 sub b Wtt 2018, is het voor partijen die deze trustdienst opknippen echter toch verboden om zonder vergunning deze werkzaamheden uit te voeren. Dit brengt met zich mee dat, indien zij hun werkzaamheden op deze manier willen blijven uitvoeren, zij toch een vergunning nodig hebben en dus ook onder het toezicht van De Nederlandsche Bank vallen.

Het verbod brengt met zich mee dat dienstverleners een trustdienst op basis van de Wtt 2018 verrichten wanneer zij werkzaamheden verrichten die zowel op het verlenen van domicilie als op het verrichten van aanvullende werkzaamheden gericht zijn. Een dienstverlener mag dus niet zonder vergunning aanvullende werkzaamheden verrichten en zijn cliënt vervolgens in contact brengen met een andere partij die domicilie verleent. Ook mag een dienstverlener zonder vergunning niet als tussenpersoon fungeren door een cliënt in contact te brengen met verschillende partijen die domicilie kunnen verlenen en aanvullende diensten kunnen verrichten.[3] Dit is zelfs het geval wanneer deze tussenpersoon zelf domicilie verleent noch aanvullende werkzaamheden verricht.

4. Verwijzen naar specifieke domicilie-aanbieders

In de praktijk zijn er vaak partijen die aanvullende werkzaamheden verrichten en de cliënt daarna doorverwijzen naar een specifieke domicilieverlener. Deze domicilieverlener betaalt in ruil voor deze doorverwijzing dan een commissie aan de partij die de cliënt doorverwijst. Het is op grond van de Wtt 2018 echter niet langer toegestaan dat dienstverleners samenwerken en daarbij doelbewust de dienstverlening scheiden om zo de Wtt te omzeilen. Wanneer een organisatie aanvullende werkzaamheden verricht voor cliënten, is het niet toegestaan om de cliënt te verwijzen naar specifieke domicilieverleners. Dit impliceert namelijk dat er een samenwerking tussen partijen plaatsvindt die erop gericht is om de Wtt te omzeilen. Wanneer er commissie wordt ontvangen voor doorverwijzingen, is het bovendien duidelijk dat er sprake is van een samenwerking tussen partijen waarbij trustdiensten opgeknipt worden.

Het betreffende artikel uit de Wtt spreekt over ‘het verrichten van werkzaamheden gericht op zowel het ter beschikking stellen van een postadres of bezoekadres als het verrichten van aanvullende werkzaamheden’. In de nota van wijziging wordt gesproken over het in contact brengen van de cliënt met verschillende partijen’.[4] De Wtt 2018 is een nieuwe wet, op dit moment zijn er dus nog geen rechterlijke uitspraken met betrekking tot deze wet. Ook wordt in de literatuur slechts gesproken over de wijzigingen die deze wet met zich meebrengt. Dit betekent dat het op dit moment nog niet precies duidelijk is hoe de wet in de praktijk zal gaan werken. Als gevolg hiervan, is het nog niet duidelijk welke handelingen precies onder de begrippen ‘gericht op’ en ‘in contact brengen met’ vallen. Het is op dit moment dus nog niet mogelijk om te zeggen welke handelingen precies onder het verbod uit artikel 3, lid 4 sub b Wtt 2018 vallen. Vast staat wel dat het hier om een glijdende schaal gaat. Het verwijzen naar specifieke domicilieverleners en het ontvangen van commissie voor deze verwijzingen wordt gezien als het in contact brengen van cliënten met een domicilieverlener. Het benoemen van domicilieverleners waar men goede ervaringen mee heeft, is een risico, hoewel hier de cliënt hierbij in principe niet direct verwezen wordt naar een domicilieverlener. Er wordt in dit geval echter wel een specifieke domicilieverlener genoemd met wie de cliënt contact op kan nemen. De kans is groot dat dit gezien wordt als het ‘in contact brengen’ van de cliënt met een domicilieverlener. De cliënt hoeft in dit geval immers zelf geen moeite meer te doen om een domicilieverlener te zoeken. Of er sprake is van ‘in contact brengen met’ wanneer een cliënt naar een ingevulde Google-search pagina verwezen wordt, is nog maar de vraag. Hierbij wordt namelijk geen specifieke dienstverlener aanbevolen, maar er worden wel namen van domicilieverleners aan de cliënt verstrekt. Om duidelijkheid te krijgen welke handelingen nu precies onder het verbod vallen, zal de wettelijke bepaling verder uitgekristalliseerd moeten worden in rechtspraak.

5. Conclusie

Het blijkt dat de Wtt 2018 grote gevolgen kan hebben voor partijen die aanvullende diensten verlenen en hun cliënten daarnaast doorverwijzen naar een partij die domicilie kan verlenen. Onder de oude Wtt vielen deze instellingen niet onder de wet en hadden zij dus ook geen vergunning nodig op grond van de Wtt. Vanaf de inwerkingtreding van de Wtt 2018 is er echter een verbod op het zogenaamde opknippen van trustdiensten. Instellingen die activiteiten verrichten die zowel op het verlenen van domicilie, als op het verrichten van aanvullende diensten gericht zijn, vallen voortaan ook onder de vergunningplicht uit de Wtt. In de praktijk zijn er veel organisaties die aanvullende diensten verlenen en hun cliënt vervolgens doorverwijzen naar een domicilieverlener. Voor elke cliënt die zij doorverwijzen, ontvangen zij van de domicilieverlener een commissie. Het is sinds de inwerkingtreding van de Wtt 2018 echter niet langer toegestaan dat dienstverleners samenwerken en daarbij doelbewust de dienstverlening scheiden om zo de Wtt te omzeilen. Organisaties die op deze basis werken, zullen dus kritisch naar hun activiteiten moeten kijken. Deze organisaties hebben twee mogelijkheden: zij passen hun activiteiten aan, of ze zijn vergunningplichtig op basis van de Wtt 2018 en dus ook onderhavig aan het toezicht door De Nederlandsche Bank.

Contact

Heeft u vragen of opmerkingen naar aanleiding van deze samenvatting, voelt u zich dan vrij om contact op te nemen met mr. Maxim Hodak, advocaat bij Law & More via maxim.hodak@lawandmore.nl of mr. Tom Meevis, advocaat bij Law & More via tom.meevis@lawandmore.nl, of bel ons op +31 (0)40-3690680.

Schakel een advocaat uit Eindhoven in.

[1] K. Frielink, Toezicht Trustkantoren in Nederland, Deventer: Wolters Kluwer Nederland 2004.

[2] Kamerstukken II 2017/18, 34 910, 7 (Nota van Wijziging).

[3] Kamerstukken II 2017/18, 34 910, 7 (Nota van Wijziging).

[4] Kamerstukken II 2017/18, 34 910, 7 (Nota van Wijziging).

Share