Uitspraak in de klimaatzaak tegen Shell

Met de uitspraak van de Rechtbank Den Haag in de zaak van Milieudefensie tegen Royal Dutch Shell PLC (hierna: ‘RDS’) is een mijlpaal bereikt in de klimaatrechtspraak. Voor Nederland is dit de volgende stap na de baanbrekende bevestiging van de Urgenda uitspraak door de Hoge Raad, waar de staat werd opgelegd haar emissies terug te brengen in overeenstemming met de doelstellingen uit het Akkoord van Parijs. Voor het eerst wordt nu ook een onderneming zoals RDS verplicht om actie te ondernemen in het tegengaan van gevaarlijke klimaatverandering. Dit artikel zal de hoofdlijnen en gevolgen van deze uitspraak uiteenzetten.

Uitspraak in de klimaatzaak tegen Shell

Ontvankelijkheid

Ten eerste is de ontvankelijkheid van de vordering van belang. Voordat een rechtbank inhoudelijk in kan gaan op een civiele vordering dient deze ontvankelijk te zijn. De rechtbank oordeelde enkel dat de collectieve acties die het belang van de huidige en toekomstige generaties Nederlanders dienen ontvankelijk zijn. Deze acties hebben, in tegenstelling tot de acties die het belang van de wereldbevolking dienen, voldoende gelijksoortig belang. De gevolgen die de Nederlandse inwoners namelijk van klimaatverandering zullen ondervinden verschillen namelijk in mindere mate van de een op de ander dan die van de wereldbevolking in zijn geheel. ActionAid behartigt onvoldoende de specifieke belangen van de Nederlandse bevolking behartigt met haar breed geformuleerde mondiale doelstelling. Derhalve werd haar vordering niet-ontvankelijk verklaard. De individuele eisers werden ook niet-ontvankelijk verklaard in hun vordering, omdat deze onvoldoende eigen belang hebben aangetoond om naast de collectieve vordering ontvankelijk te zijn.

Omstandigheden van het geval

Nu een gedeelte van de ingestelde vorderingen wel ontvankelijk is verklaard, kon de rechtbank deze inhoudelijk beoordelen. Om de vordering van Milieudefensie waarin RDS wordt verplicht tot een emissiereductie van netto 45% (2019=0) toe te wijzen, moest de rechtbank eerst vaststellen dat er een dergelijke verplichting op RDS rust. Dit dient te worden beoordeeld op grond van de ongeschreven zorgvuldigheidsnorm van art. 6:162 BW waarbij alle omstandigheden van het geval een rol spelen. De omstandigheden die de rechtbank hierin meenam zijn onder andere de volgende. RDS stelt het concernbeleid voor de gehele Shell-groep vast dat vervolgens door de andere vennootschappen binnen het concern wordt uitgevoerd. De Shell-groep is samen met haar toeleveranciers en afnemers verantwoordelijk voor een aanzienlijke uitstoot van CO2, welke groter is dan de uitstoot van een aantal staten waaronder die van Nederland. Deze uitstoot leidt tot klimaatverandering, waarvan Nederlandse inwoners de gevolgen ondervinden (bijvoorbeeld in hun gezondheid, maar ook als een fysiek risico door onder andere de stijging van de zeespiegel).

Mensenrechten

De gevolgen van klimaatverandering die onder andere de Nederlandse inwoners ondervinden raakt hun in hun mensenrechten, waarvan in het bijzonder het recht op leven en het recht op ongestoord gezinsleven. Hoewel mensenrechten in principe gelden tussen burgers en de overheid en er dus geen rechtstreekse verplichting bestaat voor bedrijven, dienen bedrijven deze rechten wel te respecteren. Dit geldt ook indien staten tekortschieten in het beschermen tegen inbreuken. Mensenrechtenrechten die ondernemingen moeten respecteren worden ook omvat in soft law instrumenten zoals de door RDS onderschreven UN Guiding Principles on Business and Human Rights en de OESO-Richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen. De geldende inzichten blijkend uit deze instrumenten leveren een bijdrage aan de interpretatie van de ongeschreven zorgvuldigheidsnorm op basis waarvan een verplichting voor RDS kan worden aangenomen volgens de rechtbank.

Verplichting

De verplichting van bedrijven om mensenrechten te respecteren hangt af van de ernst van de impact van hun activiteiten op de mensenrechten. De rechtbank nam dit bij RDS aan op basis van de hierboven omschreven feiten. Bovendien is het ook van belang voordat een dergelijke verplichting kan worden aangenomen dat een bedrijf voldoende mogelijkheden en invloed heeft om de schending te voorkomen. De rechtbank nam aan dat dit het geval is omdat bedrijven invloed hebben binnen de gehele value chain: zowel binnen het bedrijf/concern zelf door middel van het vormen van beleid als op de afnemers en leveranciers op basis van het aanbod van producten en diensten. Omdat de invloed binnen de onderneming zelf het grootst is geldt hierdoor voor RDS een resultaatsverplichting. Voor de leveranciers en afnemers moet RDS zich inspannen.

Wat de omvang van deze verplichting is beoordeelde de rechtbank als volgt. De geaccepteerde norm voor de opwarming van de aarde beperkt zich volgens het Akkoord van Parijs en de rapporten van het IPCC tot maximaal 1,5 graden Celsius. De gevorderde reductie van 45%, waarbij 2019 als 0 wordt beschouwd, sloot volgens de rechtbank voldoende aan bij de reductiepaden zoals voorgesteld door het IPCC. Derhalve zou dit als reductieverplichting kunnen worden aangenomen. Een dergelijke verplichting kon slechts door de rechtbank worden opgelegd indien RDS in deze verplichting tekortschiet of dreigt tekort te schieten. De rechtbank gaf aan dat dit laatste het geval is, aangezien het concernbeleid onvoldoende concreet is om een dergelijke dreigende schending uit te sluiten.

Beslissing en verweren

Derhalve beval de rechtbank RDS en de andere vennootschappen binnen de Shell-groep het gezamenlijk jaarlijks volume van alle aan de bedrijfsactiviteiten en verkochte energie dragende producten van de Shell-groep verbonden CO2-emissies naar de atmosfeer (Scope 1, 2 en 3) zodanig te beperken of doen beperken dat dit volume aan het eind van het jaar 2030 ten minste zal zijn verminderd met netto 45% in vergelijking met het niveau van het jaar 2019. De verweren van RDS zijn van onvoldoende gewicht om dit bevel te voorkomen. Zo beschouwde de rechtbank het argument van perfecte substitutie, wat inhoudt dat een ander de activiteiten van de Shell-groep over zal nemen als een reductieverplichting wordt opgelegd, onvoldoende bewezen. Daarnaast ontslaat het feit dat RDS niet als enige de verantwoordelijkheid draagt voor klimaatverandering RDS niet van de door de rechtbank aangenomen zwaarwegende inspanningsplicht en verantwoordelijkheden in het beperken van de opwarming van de aarde.

Gevolgen

Hiermee wordt meteen ook duidelijk wat de gevolgen van deze uitspraak zijn voor andere bedrijven. Deze kunnen namelijk, indien zij verantwoordelijk zijn voor een aanmerkelijke hoeveelheid emissies (bijvoorbeeld andere olie- en gasbedrijven), ook voor de rechter worden gedaagd en veroordeeld indien de vennootschap zich met haar beleid onvoldoende inspant om deze emissies te beperken. Dit aansprakelijkheidsrisico vraagt om een aangescherpt emissiereductiebeleid binnen de gehele value chain, dus zowel voor onderneming en het concern zelf als voor de afnemers en toeleveranciers. Voor dit beleid kan een vergelijkbare reductie als de reductieverplichting jegens RDS worden aangehouden.

De baanbrekende uitspraak in de klimaatzaak van Milieudefensie tegen RDS heeft ingrijpende gevolgen, niet alleen voor de Shell-groep maar ook voor andere ondernemingen die een aanzienlijke bijdrage leveren aan klimaatverandering. Desalniettemin kunnen deze gevolgen worden gerechtvaardigd door het urgente belang om gevaarlijke klimaatverandering te voorkomen. Heeft u nog vragen over deze uitspraak en de eventuele gevolgen voor uw onderneming? Neem dan contact op met Law & More. Onze advocaten zijn gespecialiseerd in civiel aansprakelijkheidsrecht en helpen u graag verder.

Share