facebook lawandmore.nl   instagram lawandmore.nl   linkedin lawandmore.nl   twitter lawandmore.nl

Afspraak

Law & More Logo

Category

Blog

Mag Een Stichting Over Gedoneerd Geld Beschikken? | L. & M.
Blog, Ondernemingsrecht

Stichting mag vrijelijk over overgeboekte gelden beschikken ten behoeve van het vervullen van haar doelstellingen

Rechtbank Beslist : Stichting Mag Geld Niet Uitbetalen

Dit is een samenvatting van de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 20 maart 2017.

Vrouw vordert uitkering van een door een crowdfundings-actie opgebracht en aan een stichting uitgekeerd bedrag. Uitbetaling van het gevorderde bedrag past niet binnen de doelstelling van de stichting.

Samenvatting van de feiten

Bij eiseres is leverkanker geconstateerd. Zij is in Nederland uitbehandeld. Omdat zij geen uitvaartverzekering kan afsluiten, is door middel van een crowdfundings-actie geld opgehaald om haar uitvaart te kunnen bekostigen. Een vriend van eiseres heeft hiertoe de hulp ingeroepen van stichting X, die de binnenkomende gelden zou beheren tot deze konden worden uitgekeerd aan een door de vrienden van eiseres opgerichte stichting (‘de Stichting’). Op enig moment krijgt eiseres te horen dat zij kan worden doorbehandeld in België.

Eiseres verzoekt vervolgens om uitbetaling van het opgehaalde bedrag, wat door stichting X wordt geweigerd. Het geld wordt door stichting X vervolgens overgemaakt aan de door de vrienden van eiseres inmiddels opgerichte Stichting, op verzoek van deze Stichting. De Stichting heeft twee doelstellingen: het bijdragen aan de uitvaartkosten van eiseres en het mogelijk maken van een waardige uitvaart voor jongeren zonder uitvaartverzekering.

Ook de Stichting betaalt niet uit. Eiseres beschouwt zichzelf als rechthebbende en vordert in kort geding onder meer uitbetaling van het bedrag met een omvang van € 55.564,69.

Samenvatting van de rechtsoverwegingen

Rb.: het staat vast dat uitbetaling van het gehele bedrag, zonder dat duidelijk is waaraan dit zal worden besteed, niet past binnen de doelstelling van de Stichting. De vordering kan pas dan worden toegewezen wanneer met grote mate van waarschijnlijkheid kan worden gezegd dat de bedragen aan eiseres toebehoren en de Stichting deze gelden zonder recht of titel onder zich houdt. Dit is volgens de rechtbank niet het geval.

Er is geen sprake van rechtsreeks aan eiseres geschonken gelden, die zij vrijelijk zou kunnen besteden. Immers werd het geld opgehaald met het oog op bekostiging van de uitvaart van eisers en zou het geld beheerd worden door de Stichting, die, wanneer er geld zou overblijven, dit zou aanwenden om jongeren in situaties vergelijkbaar aan die van eiseres te helpen. Bovendien is het geld geheel volgens plan eerst door stichting X beheerd en vervolgens aan de Stichting uitgekeerd, die doelstellingen gelijk aan de beoogde doelstellingen hanteerde. De gelden mochten daarom worden overgeboekt en volgens de doelstellingen van de Stichting worden besteed.

Het feit dat eiseres deze gelden nodig zou hebben voor (onvoorziene) zorgkosten en het feit dat de statuten van de Stichting voordat deze na twee dagen weer gewijzigd werden ook een hierop gerichte doelstelling bevatten, doet hier niet aan af, nu deze doelstelling niet aansloot op hetgeen aan de donateurs is gecommuniceerd.

Heeft u vragen of opmerkingen naar aanleiding van deze samenvatting, voelt u zich dan vrij om contact op te nemen met mr. Ruby van Kersbergen, advocaat bij Law & More via [email protected] of mr. Tom Meevis, advocaat bij Law & More via [email protected], of bel ons op +31 (0)40-3690680.

Wat Is De Snowden-affaire? Lees De Volledige Uitleg | L & M
Blog, Strafrecht

Wat is de Snowden-affaire? Lees de volledige uitleg

Snowden : de zaak die digitale privacy veranderde

Introductie

Medio september van vorig jaar kwam de film ‘Snowden’ uit. Zoals velen al weten en de film zelfs misschien al gezien hebben, vertelt de film het waargebeurde verhaal van Edward Snowden. Edward Snowden verwierf brede bekendheid als klokkenluider, toen hij een grote hoeveelheid vertrouwelijke informatie over de “spionageactiviteiten” van de CIA, NSA en GCHQ aan de pers lekte. De film toont onder meer de inzet van het programma “PRISM”, waarmee de NSA op grote schaal en zonder voorafgaande, individuele rechterlijke toestemming telecommunicatie kon onderscheppen. Velen zullen deze gebeurtenissen zien als een ver-van-mijn-bed-show of als een afspiegeling van Amerikaanse taferelen. Wat de meesten echter niet weten is dat vergelijkbare situaties vaker voorkomen dan men zou denken. Zelfs in Nederland. Zo is op 20 december 2016 door de Tweede Kamer het tamelijk privacygevoelige wetsvoorstel “Computercriminaliteit III” aangenomen.

Computercriminaliteit III

Het wetsvoorstel Computercriminaliteit III, dat nog door de Eerste Kamer moet worden aangenomen en waarvan velen al vurig hopen op afwijzing, is bedoeld om opsporingsambtenaren (politie, de Koninklijke Marechaussee en zelfs speciale opsporingsinstanties zoals de FIOD) de mogelijkheid te geven om geautomatiseerde werken (voor de leek: apparaten zoals computers en mobiele telefoons) te onderzoeken (dat wil zeggen informatie op die geautomatiseerde werken te kopiëren, observeren, onderscheppen en ontoegankelijk te maken) teneinde ernstige criminaliteit op te sporen.  Volgens de regering is het noodzakelijk gebleken om opsporingsambtenaren de mogelijkheid te geven om – bot gezegd – haar burgers te bespioneren nu de moderne wereld ervoor heeft gezorgd dat het opsporen van criminaliteit zeer moeilijk is geworden als gevolg van een toegenomen anonimiteit en versleuteling van data. De Memorie van Toelichting die samen met het wetsvoorstel is gepubliceerd en die bestaat uit een groot, moeilijk leesbaar boekwerk van 114 pagina’s, beschrijft vijf doelen op grond waarvan de opsporingsbevoegdheden kunnen worden gebruikt:

  • De vaststelling van bepaalde kenmerken van het geautomatiseerde werk of van de gebruiker, zoals de identiteit of locatie, en de vastlegging daarvan: meer specifiek betekent dit dat opsporingsambtenaren heimelijk toegang tot computers, routers en mobiele telefoons kunnen krijgen om informatie zoals een IP-adres of IMEI-nummer te verkrijgen.
  • Het vastleggen van gegevens die in het geautomatiseerde werk zijn of worden opgeslagen: opsporingsambtenaren mogen gegevens vastleggen die nodig zijn om ‘achter de waarheid te komen’ en ernstige strafbare feiten op te lossen. Men kan daarbij denken aan het vastleggen van strafbare afbeeldingen, bijvoorbeeld kinderpornografie, of inloggegevens van besloten online gemeenschappen.
  • Het ontoegankelijk maken van gegevens: het zal mogelijk worden om gegevens met behulp waarvan strafbare feiten worden gepleegd ontoegankelijk te maken om het strafbare feit te beëindigen of nieuwe strafbare feiten te voorkomen. Volgens de Memorie van Toelichting zal het daardoor mogelijk moeten worden om botnets te bestrijden.
  • Het uitvoeren van een bevel tot het aftappen en opnemen van (vertrouwelijke) communicatie: onder bepaalde voorwaarden zal het mogelijk worden om (vertrouwelijke) informatie te onderscheppen of op te nemen met of zonder de medewerking van de aanbieder van de communicatiedienst.
  • Het uitvoeren van een bevel tot stelselmatige observatie: opsporingsambtenaren zullen de mogelijkheid krijgen om de locatie van een verdachte vast te stellen en de bewegingen van de verdachte te tracken, mogelijkerwijs door op afstand speciale software op het geautomatiseerde werk te installeren.

Zij die denken dat deze bevoegdheden slechts gebruikt kunnen worden in het geval van cybercrime komen bedrogen uit. De opsporingsbevoegdheden zoals genoemd onder de eerste en de twee laatste bullet points zoals hierboven beschreven, kunnen worden toegepast in geval van strafbare feiten waarvoor voorlopige hechtenis is toegestaan, wat neerkomt op misdrijven waarop de wet een minimumstraf van 4 jaar stelt. De opsporingsbevoegdheden verbonden aan het tweede en derde doel kunnen slechts gebruikt worden in geval van misdrijven waarop de wet een minimumstraf van 8 jaar stelt. Ook kan voor de toepassing van deze bevoegdheden bij algemene maatregel van bestuur een misdrijf worden aangewezen dat wordt gepleegd met behulp van een geautomatiseerd werk en waarbij er een duidelijk maatschappelijk belang is bij de beëindiging van het strafbare feit en vervolging van de daders. Gelukkigerwijs kan het binnendringen van een geautomatiseerd werk slechts geautoriseerd worden in het geval de verdachte het werk daadwerkelijk in gebruik heeft.

Juridische aspecten

Nu de weg naar de hel geplaveid is met goede voornemens, is goed toezicht geen overbodigheid. De opsporingsbevoegdheden zoals neergelegd in het wetsvoorstel kunnen heimelijk worden uitgeoefend, doch het verzoek tot het toepassen van deze bevoegdheden kan alleen worden ingediend door de officier van justitie. Voorafgaande toestemming van de rechter-commissaris is vereist en de Centrale Toetsingscommissie van het Openbaar Ministerie beoordeelt het beoogde gebruik van het instrument. Bovendien, en zoals eerder vermeld, geldt er een algemene beperking in de toepassingsmogelijkheid van de bevoegdheden tot gevallen van misdrijven met een minimumstraf van 4 tot 8 jaar. In ieder geval zal moeten worden voldaan aan eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, zowel als aan inhoudelijke en procedurele vereisten.

Overige noviteiten

Het belangrijkste aspect van het wetsvoorstel Computercriminaliteit III is inmiddels besproken. Het valt mij echter op dat de media in hun noodkreten vergeten om twee andere belangrijke punten van het wetsvoorstel te belichten. Het eerste punt is dat het wetsvoorstel ook de mogelijkheid introduceert om lokpubers in te zetten om ‘groomers’ op te sporen. Groomers kunnen worden gezien als de digitale variant van kinderlokkers: ze zoeken online seksueel contact met minderjarigen. Ten tweede zal het gemakkelijker worden om helers van computergegevens en malafide online verkopers van goederen en diensten die zij vervolgens niet leveren te vervolgen.

Bezwaren tegen het wetsvoorstel Computercriminaliteit III

De voorgestelde wet zorgt potentieel voor een enorme inbreuk op de privacy van de Nederlandse burger. Het toepassingsgebied van de wet is eindeloos breed. Ik kan een hoop bezwaren bedenken, waaronder het feit dat, kijkend naar de beperking tot misdrijven met een minimumstraf van 4 jaar men er vrijwel automatisch van uit gaat dat dit dan hoogstwaarschijnlijk wel een redelijke grens moet zijn en dat het in dat geval altijd zal gaan om misdrijven van onvergeeflijke ernst. Voor het opzettelijk aangaan van een tweede huwelijk en het nalaten de wederpartij hiervan op de hoogte te stellen kan echter al een straf van 6 jaar worden opgelegd. Bovendien kan het goed zo zijn dat een verdachte uiteindelijk onschuldig blijkt te zijn. Niet alleen zijn eigen gegevens zijn dan grondig onder de loep gehouden, maar waarschijnlijk ook de gegevens van anderen die niets te maken hadden met het uiteindelijk-niet-gepleegde misdrijf. Immers worden telefoons en computers bij uitstek gebruikt om in contact te treden met vrienden, familie, werkgevers en talloze anderen. Daarnaast is het maar de  vraag of de personen die verantwoordelijk zijn voor het goedkeuren van en het toezicht op de op het wetsvoorstel gebaseerde verzoeken genoeg specialistische kennis in huis hebben om een dergelijk verzoek goed te kunnen beoordelen. Desondanks lijkt wetgeving als het wetsvoorstel Computercriminaliteit III in de huidige samenleving bijna een noodzakelijk kwaad. Bijna iedereen heeft wel eens te maken gekregen met internetoplichting en doorgaans lopen de gemoederen al ontzettend hoog op wanneer men een vals concertticket heeft aangeschaft via een online marktplaats. Bovendien zou niemand ooit hopen dat zijn of haar kind in contact komt met een dubieus figuur tijdens zijn of haar dagelijkse browse-sessie. De vraag blijft of het wetsvoorstel Computercriminaliteit III met zijn brede mogelijkheden “the way to go” is.

Conclusie

Het wetsvoorstel Computercriminaliteit III lijkt een min of meer noodzakelijk kwaad te zijn geworden. Het wetsvoorstel verschaft opsporingsambtenaren een uitgebreide mate van macht om toegang tot geautomatiseerde werken van verdachten te krijgen. Anders dan het geval was in de Snowden-affaire, biedt het wetsvoorstel aanzienlijk meer waarborgen. Het blijft echter de vraag of deze waarborgen voldoen om een onevenredige inbreuk op de privacy van de Nederlandse burger te voorkomen en in het ergste geval om een “Snowden 2.0”-affaire te voorkomen.

Contact

Mocht u na het lezen van dit artikel nog vragen of opmerkingen hebben, voelt u zich dan vrij om contact op te nemen met mr. Ruby van Kersbergen, advocaat bij Law & More via [email protected] of mr. Tom Meevis, advocaat bij Law & More via [email protected] of bel ons op +31 (0)40-3690680.

Advocaat uit Eindhoven nodig? Neem contact op

Relevante rechtsgebied: privacyrecht

Wat Is Het UBO-register? Ontdek Hier! - Law & More
Blog, Ondernemingsrecht

Het UBO-register: de vrees van elke UBO?

1. Inleiding van UBO-register

Op 20 mei 2015 heeft het Europees Parlement de vierde antiwitwasrichtlijn aangenomen. Deze richtlijn brengt voor elke Europese lidstaat onder meer de verplichting tot het invoeren van een UBO-register met zich mee. In dit register moeten alle UBO’s van een onderneming worden geregistreerd. Als UBO wordt aangemerkt een natuurlijk persoon die direct of indirect meer dan 25% van het (aandelen)belang in een onderneming bezit, niet zijnde een beursgenoteerde onderneming.

Wanneer niet duidelijk wordt wie dit is of zijn, kan in het uiterste geval een natuurlijk persoon uit het hogere leidinggevende personeel van een onderneming als UBO worden aangemerkt. Het UBO-register dient in Nederland op 26 juni 2017 ingevoerd te zijn en zal naar verwachting een hoop consequenties hebben voor het Nederlandse en Europese ondernemingswezen.

Wil men niet voor onaangename verassingen komen te staan, dan is een goed beeld van de aanstaande veranderingen essentieel. Dit artikel zal derhalve duidelijkheid proberen te scheppen over het UBO-register door in te gaan op haar kenmerkende details en implicaties.

2. Algemeen: een Europees concept

De vierde antiwitwasrichtlijn is een Europees product. De achterliggende gedachte van de invoering van de vierde antiwitwasrichtlijn is dat men wil voorkomen dat witwassers en terrorismefinanciers het huidige vrije kapitaalverkeer en de mogelijkheid tot het vrij verrichten van financiële diensten kunnen gebruiken voor criminele doeleinden. In het verlengde hiervan ligt de wens om de identiteit van alle UBO’s, als zijnde machthebbende personen, vast te stellen. Het UBO-register vormt slechts een deel van de wijzigingen die de vierde antiwitwasrichtlijn wil bewerkstelligen in de realisatie van haar doel.

De richtlijn moet zoals aangegeven vóór 26 juni 2017 geïmplementeerd zijn. Op het punt van het UBO-register schetst men een duidelijk kader. De richtlijn verplicht de lidstaten ertoe zoveel rechtsvormen als mogelijk onder het bereik van de wetgeving te brengen.

Volgens de richtlijn zijn er drie instanties die in ieder geval over de UBO-gegevens moeten kunnen beschikken: de bevoegde autoriteiten (zoals toezichthouders) en alle Financiële Intelligentie Eenheden, meldingsplichtige autoriteiten (zoals onder meer financiële instellingen, kredietinstellingen, accountants, notarissen, makelaars en aanbieders van gokdiensten) en alle personen of organisaties die een legitiem belang kunnen aantonen.

Het staat lidstaten echter vrij te kiezen voor een volledig openbaar register. Het begrip ‘bevoegde autoriteiten’ is in de richtlijn niet verder verduidelijkt. Om die reden is er middels een wijzigingsvoorstel voor de richtlijn op 5 juli 2016 door de Europese Commissie om duidelijkheid gevraagd.

De gegevens die minimaal in het register moeten worden opgenomen zijn de volgende: de volledige naam, geboortemaand, geboortejaar, nationaliteit, woonstaat en de aard en omvang van het door de UBO gehouden economische belang. De definitie van een UBO wordt daarnaast breed gehouden. Het gaat niet alleen om een directe zeggenschap (op basis van eigendom) van meer dan 25%, maar ook om een eventuele indirecte zeggenschap van meer dan 25%.

Indirecte zeggenschap betekent zeggenschap op een andere wijze dan via eigendom. Deze zeggenschap kan gebaseerd worden op zeggenschapscriteria uit de aandeelhoudersovereenkomst, het hebben van een vergaande mate van invloed of het kunnen benoemen van, bijvoorbeeld, bestuurders.

3. Het register in Nederland

Het Nederlandse kader voor de implementatie van het de wetgeving omtrent het UBO-register wordt grotendeels geschetst in een kamerbrief van minister Dijsselbloem van 10 februari 2016. Voor wat betreft de entiteiten die onder de registratieplicht vallen, geeft de kamerbrief aan dat vrijwel geen van de in Nederland bestaande entiteiten buiten schot blijft, behalve de eenmanszaak en de publiekrechtelijke rechtspersonen.

Ook beursgenoteerde vennootschappen zijn uitgezonderd. Anders dan de drie categorieën van inzagegerechtigden waar men op Europees niveau voor kiest, kiest Nederland voor een openbaar register. Dit omdat een ingeperkt register nadelen met zich meebrengt op het gebied van kosten, uitvoerbaarheid en controleerbaarheid. Omdat het register openbaar zal zijn, worden er vier privacywaarborgen ingebouwd:

  1. Iedere gebruiker wordt geregistreerd;
  2. Inzage is niet gratis;
  3. Gebruikers anders dan specifiek aangewezen autoriteiten (die autoriteiten zijn onder meer de Nederlandse Bank, de AFM en het Bureau Financieel Toezicht) en de FIU-NL krijgen slechts inzage in een beperkte set gegevens;
  4. Bij risico op ontvoering, afpersing, geweld of intimidatie volgt een risicobeoordeling per geval, waarbij wordt gekeken op welke punten toegang tot bepaalde gegevens eventueel kan worden afgesloten.

Gebruikers anders dan de specifiek aangewezen autoriteiten en de AFM krijgen slechts toegang tot de  volgende gegevens: naam, geboortemaand, geboortejaar, nationaliteit, woonstaat en aard en omvang van het door de uiteindelijke belanghebbende gehouden economische belang. Dit minimum betekent dat niet alle instellingen die verplicht UBO-onderzoek moeten doen al hun verplichte informatie uit het register kunnen afleiden. Deze gegevens zullen zij dan zelf moeten vergaren en vastleggen in de administratie.

Gezien het feit dat de aangewezen autoriteiten en de FIU een zekere opsporings- en toezichtstaak hebben, zullen zij toegang hebben tot aanvullende gegevens: (1) geboortedag, -plaats en -land, (2) adres, (3) BSN en/of buitenlands fiscaal identificatienummer (TIN), (4) aard, nummer en datum en plaats van uitgifte van het document met behulp waarvan de identiteit is geverifieerd of een kopie van dat document en (5) documentatie waarmee wordt onderbouwd waarom een persoon de status van UBO heeft en de omvang van het daarbij horende (economische) belang.

Naar alle verwachting gaat de Kamer van Koophandel het register beheren. De gegevens bereiken het register doordat deze aangeleverd dienen te worden door de vennootschappen en juridische entiteiten zelf. Een UBO mag zijn medewerking aan de aanlevering van deze gegevens niet onthouden. Meldingsplichtige instellingen krijgen daarnaast in zekere zin een handhavingsfunctie: zij dienen informatie die in hun bezit is en die afwijkt van het register kenbaar te maken aan het register.

Autoriteiten die zijn belast met verantwoordelijkheden op het gebied van tegengaan van witwassen, financiering van terrorisme of andere vormen van financieel economische criminaliteit zullen, afhankelijk van de omvang van hun taak, worden gerechtigd of verplicht tot het doorgeven van gegevens die van het register afwijken. Het is nog niet duidelijk wie formeel belast zal worden met de handhavingstaak ten aanzien van het (correct) aanleveren van de UBO-gegevens en wie bevoegd zal worden tot het eventuele uitschrijven van boetes.

4. Een waterdicht systeem?

Ondanks de strenge eisen, lijkt de UBO-regelgeving niet op alle punten waterdicht. Er zijn een aantal manieren waarop men kan zorgen dat men buiten de werkingssfeer van het UBO-register valt.

4.1. Trustfiguur
Men kan ervoor kiezen te werken via de figuur van de trust. Voor trustfiguren gelden ingevolge de richtlijn namelijk andere regels. Ook voor trusts moet een register worden ingevoerd. Dit register is echter niet openbaar toegankelijk zoals het UBO-register.

De anonimiteit van de personen achter een trust blijft op deze manier beter gewaarborgd. Voorbeelden van trustfiguren zijn de Anglo-Amerikaanse trust en de Curaçaose trust. Ook bestaat er in Bonaire een figuur vergelijkbaar aan de trust: de DPF. Dit is een bepaald type stichting die, anders dan de trust, rechtspersoonlijkheid bezit. Zij wordt beheerst door de BES-wetgeving.

4.2. Verplaatsing zetel
De vierde antiwitwasrichtlijn spreekt met betrekking tot haar toepasselijkheid over ‘… binnen hun grondgebied opgerichte vennootschappen en andere juridische entiteiten’. Deze zin impliceert dat ondernemingen die worden opgericht buiten het grondgebied van de lidstaten, maar later hun werkelijke zetel verplaatsen naar een lidstaat niet onder het UBO-register vallen.

Men kan bijvoorbeeld denken aan populaire rechtsfiguren als de Jersey Ltd., de BES B.V. en de Amerikaanse Inc. Ook een DPF kan beslissen haar werkelijke zetel naar Nederland te verplaatsen en de activiteiten als DPF voort te blijven zetten.

5. Aanstaande wijzigingen?

Het is de vraag of de Europese Unie bovenstaande mogelijkheden tot ontwijking van de UBO-wetgeving zal willen laten voortbestaan. Echter zijn er momenteel nog geen concrete aanwijzingen dat hier op korte termijn verandering in komt. In het op 5 juli door de Europese Commissie ingediende wijzigingsvoorstel heeft de Commissie verzocht om een aantal wijzigingen, waar een wijziging op voornoemd punt geen onderdeel van uitmaakt.

Het is daarnaast nog niet duidelijk of de wel voorgestelde wijzigingen daadwerkelijk doorgevoerd gaan worden. Desondanks zal het niet verkeerd zijn rekening te houden met de voorgestelde wijzigingen en de mogelijkheid dat op een later punt ook andere wijzigingen zullen kunnen worden doorgevoerd. De vier belangrijkste thans voorgestelde wijzigingen zijn de volgende:

  1. De Commissie stelt voor het register volledig openbaar te maken. Dit betekent dat de richtlijn aangepast zal worden op het punt van de gegevensinzage door personen en organisaties die een legitiem belang kunnen aantonen. Waar hun toegang eerder beperkt kon worden tot de eerder vermelde minimumgegevens, is het register ook voor hen nu volledig openbaar.
  2. De Commissie stelt voor het begrip bevoegde autoriteiten in te vullen met de volgende definitie: “.. de publieke autoriteiten waaraan taken zijn toegewezen op het gebied van de bestrijding van het witwassen van geld en terrorismefinanciering, met inbegrip van belastingautoriteiten en autoriteiten die de opdracht hebben het witwassen van geld, daarmee verband houdende basisdelicten en terrorismefinanciering te onderzoeken of te vervolgen en criminele activa op te sporen, in beslag te nemen, te bevriezen en te confisqueren”.
  3. Om meer transparantie en een betere mogelijkheid tot identificatie van de UBO’s te creëren, vraagt de Commissie om interconnectie van de nationale registers van de lidstaten.
  4. Daarnaast stelt de Commissie in haar voorstel voor om het UBO-percentage van 25% in bepaalde gevallen te verlagen naar 10%. Dit zal dan het geval zijn voor juridische entiteiten die een passieve niet-financiële entiteit zijn. Dit zijn “.. entiteiten die functioneren als intermediaire structuren, zelf geen inkomsten genereren, maar veelal inkomsten uit andere bronnen doorsluizen”.
  5. Men stelt voor om de uiterlijke implementatiedatum te verleggen van 26 juni 2017 naar 1 januari 2017.

Conclusie

De komst van het openbare UBO-register zal ingrijpende gevolgen hebben voor ondernemingen in de lidstaten. Personen die direct of indirect meer dan 25% van het (aandelen)belang van een onderneming niet zijnde een beursgenoteerde vennootschap bezitten zullen op privacygebied een hoop in moeten leveren, waardoor het risico op onder meer chantage en kidnapping toeneemt, ondanks het feit dat Nederland wel heeft aangegeven haar best te zullen doen deze risico’s zoveel als mogelijk in te perken.

Daarnaast zullen een aantal instanties meer verantwoordelijkheden krijgen op het gebied van het bemerken en doorgeven van gegevens die afwijken van de gegevens in het UBO-register. De komst van het UBO-register kan goed ten gevolg hebben dat men een toevlucht zal nemen tot de figuur van de trust, of een buiten de lidstaten gevestigd rechtsfiguur die vervolgens haar werkelijke zetel kan verplaatsen naar een lidstaat.

Of deze constructies ook in de toekomst tot de opties zullen blijven behoren, zal nog moeten worden bezien. Het huidige wijzigingsvoorstel van de vierde antiwitwasrichtlijn houdt op dit punt nog geen wijziging in. In Nederland dient men momenteel voornamelijk rekening te houden met een mogelijke wijziging in de 25%-grens, een voorstel tot interconnectie van de nationale registers en een mogelijke vervroegde implementatiedatum.

Juridische ondersteuning nodig over het Ubo register? Schakel een advocaat uit Eindhoven in.

1 2 5 6 7
Privacy Settings
We use cookies to enhance your experience while using our website. If you are using our Services via a browser you can restrict, block or remove cookies through your web browser settings. We also use content and scripts from third parties that may use tracking technologies. You can selectively provide your consent below to allow such third party embeds. For complete information about the cookies we use, data we collect and how we process them, please check our Privacy Policy
Youtube
Consent to display content from - Youtube
Vimeo
Consent to display content from - Vimeo
Google Maps
Consent to display content from - Google
Spotify
Consent to display content from - Spotify
Sound Cloud
Consent to display content from - Sound

facebook lawandmore.nl   instagram lawandmore.nl   linkedin lawandmore.nl   twitter lawandmore.nl