Gepubliceerd op 27 december 2025 · Laatst bijgewerkt op 14 oktober 2026
Sinds 1 januari 2021 regelt de Wet franchise, opgenomen in titel 16 van Boek 7 BW (artikel 7:911 tot en met 7:922), de verhouding tussen franchisegever en franchisenemer. De regels zijn dwingend voor franchisenemers die in Nederland zijn gevestigd, ook als de overeenkomst buitenlands recht kiest; alleen voor een franchisenemer buiten Nederland mag ervan worden afgeweken.
De wet gaat vooral over informatie vóór het sluiten van de overeenkomst, een bedenktijd van vier weken, afspraken over goodwill en non-concurrentie, en instemming bij ingrijpende wijzigingen van de formule. Hieronder leest u wat er geldt en waar u bij een franchiseovereenkomst op let.
Inhoudsopgave
Wat is een franchiseovereenkomst volgens de wet?
Een franchiseovereenkomst is een overeenkomst waarbij de franchisegever de franchisenemer tegen vergoeding het recht geeft een franchiseformule te gebruiken voor de productie of verkoop van goederen of diensten (artikel 7:911 BW). Een formule omvat meestal een merk, knowhow en ondersteuning.
De wet verplicht beide partijen zich te gedragen als een goed franchisegever en een goed franchisenemer. Die norm vult de algemene eisen van redelijkheid en billijkheid aan (artikel 6:248 BW). Meer over de onderdelen van zo’n formule leest u in ons artikel over goodwill en knowhow in franchiseovereenkomsten.
Welke informatie moet de franchisegever vooraf geven?
De franchisegever moet de kandidaat-franchisenemer tijdig vóór het sluiten van de overeenkomst de informatie geven die de wet voorschrijft. Daartoe horen in elk geval de conceptovereenkomst en de financiële voorwaarden.
- De conceptfranchiseovereenkomst met alle bijlagen.
- Alle vergoedingen en betalingen die de franchisenemer verschuldigd is, zoals entreevergoeding, franchisefee en marketingbijdrage.
- Informatie over de ondersteuning door de franchisegever en de mate waarin hij zelf, bijvoorbeeld online, in het gebied van de franchisenemer actief is.
- Als de franchisegever een omzet- of winstprognose geeft: de uitgangspunten waarop die rust.
De franchisegever is niet verplicht een exploitatieprognose te geven. Doet hij dat wel, dan moet die zorgvuldig zijn opgesteld. Een onjuiste of misleidende prognose kan leiden tot aansprakelijkheid of vernietiging van de overeenkomst wegens dwaling (artikel 6:228 BW). Zie ook ons artikel over de aansprakelijkheid van de franchisegever.
Ook de franchisenemer heeft een informatieplicht: hij verstrekt de franchisegever de informatie die deze redelijkerwijs nodig heeft om de overeenkomst te sluiten, bijvoorbeeld over zijn financiële positie. Partijen moeten vertrouwelijke informatie geheimhouden.
Wat houdt de standstillperiode van vier weken in?
Tussen het verstrekken van de verplichte informatie en het sluiten van de overeenkomst moeten ten minste vier weken liggen (artikel 7:914 BW). In die periode mag de franchisegever de conceptovereenkomst niet in het nadeel van de franchisenemer wijzigen en geen overeenkomst sluiten.
De franchisegever mag in die weken ook geen betalingen verlangen of de franchisenemer laten investeren op grond van de overeenkomst. Gebruik de vier weken om de stukken te laten beoordelen en met bestaande franchisenemers te spreken.
Welke informatie krijgt de franchisenemer tijdens de looptijd?
De franchisegever informeert de franchisenemer ieder jaar over de besteding van vergoedingen die voor een bepaald doel worden betaald, zoals een marketing- of automatiseringsbijdrage. Ook moet hij de franchisenemer tijdig informeren over andere onderwerpen die de wet noemt.
Daarnaast moet de franchisegever met de franchisenemer overleggen over onderwerpen die de exploitatie raken. Een wettelijk overlegorgaan met vaste samenstelling bestaat niet; de overeenkomst of de praktijk binnen de organisatie bepaalt hoe het overleg verloopt.
Wanneer heeft de franchisenemer instemmingsrecht?
De franchisegever heeft vooraf instemming nodig voor een wijziging van de formule die investeringen, extra bijdragen of kosten van de franchisenemer vraagt, of die tot omzetverlies leidt, boven een drempel die de overeenkomst concreet moet vermelden (artikel 7:921 BW). De instemming komt van een meerderheid van de in Nederland gevestigde franchisenemers, of van elke afzonderlijke franchisenemer als de wijziging alleen hem raakt.
Hetzelfde geldt als de franchisegever een afgeleide formule wil exploiteren die concurreert met de bestaande formule. De wet bepaalt geen bedrag voor de drempel; partijen moeten die zelf in de overeenkomst vastleggen.
Wat moet de overeenkomst regelen over goodwill en non-concurrentie?
De overeenkomst moet bepalen of en hoe bij het einde wordt vastgesteld of er goodwill is, wie daar recht op heeft en hoe die wordt berekend (artikel 7:920 BW). Een beding in strijd met artikel 7:920 is nietig (artikel 7:922 BW).
Een non-concurrentiebeding voor na het einde van de overeenkomst is alleen geldig als het schriftelijk is vastgelegd, ten hoogste één jaar duurt en niet ruimer is dan het gebied waarin de franchisenemer de formule exploiteerde (artikel 7:920 lid 2 BW). Het beding moet bovendien onmisbaar zijn om de knowhow van de franchisegever te beschermen en mag alleen concurrerende goederen of diensten betreffen. Zie ook ons artikel over concurrentiebedingen in distributiecontracten.
Voor overeenkomsten die al vóór 2021 bestonden, gold een overgangstermijn van twee jaar voor de regels over goodwill, non-concurrentie en instemming. Sinds 1 januari 2023 gelden ze voor alle franchiseovereenkomsten.
Welke rol speelt het mededingingsrecht?
Afspraken over exclusiviteit, rayons, inkoopverplichtingen en concurrentiebedingen moeten ook passen binnen het mededingingsrecht. Voor franchiseovereenkomsten is vooral de groepsvrijstelling voor verticale overeenkomsten van belang (Verordening (EU) 2022/720), die sinds 1 juni 2022 geldt.
Volgens die verordening is een concurrentiebeding tijdens de looptijd in beginsel vrijgesteld tot vijf jaar. Een verbod op alle online verkoop of het vastleggen van minimumverkoopprijzen is niet vrijgesteld. Lees meer in ons artikel over juridische valkuilen bij franchise- en distributieovereenkomsten.
Wat hoort verder in een franchiseovereenkomst?
Naast de wettelijke onderwerpen legt de overeenkomst de praktische samenwerking vast. Onduidelijkheid op deze punten is een veelvoorkomende bron van geschillen.
- De looptijd, verlenging en opzegging, met de opzegtermijn en de gronden voor tussentijdse beëindiging.
- Het rayon en of dat exclusief is, inclusief afspraken over online verkoop.
- Het gebruik van merk en handboek, en wat er bij het einde mee gebeurt. Zie ook ons artikel over merkenrecht voor ondernemers.
- Inkoopverplichtingen en de wijze waarop prijzen van de franchisegever worden vastgesteld.
- Geschillenbeslechting: rechter, arbitrage of mediation.
Daarnaast bestaat de Nederlandse Franchise Code, een gedragscode uit 2016 van de sector. Die is niet wettelijk verplicht, maar kan wel meewegen bij de vraag wat een goed franchisegever had moeten doen. Meer over de rechten en plichten leest u in ons artikel over rechten en plichten van franchisenemers.
Waar let u als franchisegever op?
- Verstrek alle wettelijke informatie ten minste vier weken voor ondertekening en leg vast wanneer u dat deed.
- Onderbouw een omzetprognose zorgvuldig of geef er geen.
- Neem een concrete drempel op voor het instemmingsrecht en regel goodwill uitdrukkelijk.
- Beperk het postcontractuele concurrentiebeding tot één jaar en het eigen gebied.
- Verantwoord ieder jaar de besteding van bestemde bijdragen.
Waar let u als franchisenemer op?
- Teken niet en betaal niets binnen vier weken na ontvangst van de informatie.
- Controleer de uitgangspunten van een prognose en laat die doorrekenen.
- Ga na of het rayon exclusief is en wat de franchisegever zelf online in uw gebied mag doen.
- Lees de goodwillregeling en het concurrentiebeding voor na het einde.
- Controleer de opzegtermijn en wat er gebeurt met uw investeringen als de overeenkomst eindigt.
Wat kunnen wij voor u doen bij franchising?
- Een franchiseovereenkomst opstellen of toetsen aan de Wet franchise en het mededingingsrecht.
- De precontractuele informatie en een prognose beoordelen binnen de standstillperiode.
- Onderhandelen over rayon, vergoedingen, goodwill en beëindiging.
- Adviseren over een voorgenomen formulewijziging en het instemmingsrecht.
- Procederen bij een geschil over beëindiging, prognoses of het concurrentiebeding.
Meer over onze werkzaamheden leest u op de pagina van onze advocaat ondernemingsrecht.
Samengevat
- De Wet franchise (artikel 7:911-7:922 BW) geldt sinds 1 januari 2021 en is dwingend voor franchisenemers in Nederland.
- De franchisegever geeft vooraf de wettelijke informatie; daarna volgt een standstill van ten minste vier weken.
- Ingrijpende formulewijzigingen boven de contractuele drempel vragen instemming van een meerderheid van de franchisenemers.
- De overeenkomst moet goodwill regelen; een postcontractueel concurrentiebeding is beperkt tot één jaar en het eigen gebied.
Veelgestelde vragen
Geldt de Wet franchise ook voor bestaande overeenkomsten?
Ja. Sinds 1 januari 2023 gelden ook de regels over goodwill, non-concurrentie en instemming voor overeenkomsten die vóór 2021 zijn gesloten.
Moet de franchisegever een omzetprognose geven?
Nee. Geeft hij er wel een, dan moet hij de uitgangspunten toelichten, en draagt hij het risico als de prognose onzorgvuldig blijkt.
Kan de franchisegever de formule eenzijdig wijzigen?
Kleinere wijzigingen wel, binnen de afspraken. Vraagt de wijziging investeringen of kosten boven de contractuele drempel, dan is vooraf instemming nodig volgens artikel 7:921 BW.
Geldt de wet ook als mijn franchisegever in het buitenland zit?
Ja, als u als franchisenemer in Nederland bent gevestigd. Van de wet kan dan niet in uw nadeel worden afgeweken, ook niet door een keuze voor buitenlands recht (artikel 7:922 BW).