Onrechtmatige uitwinning van pandrecht: wanneer en met welke gevolgen?

Twee zakelijke professionals bespreken documenten over eigendomsvoorbehoud en pandrecht in een modern kantoor.

Gepubliceerd op 15 oktober 2025 · Laatst bijgewerkt op 30 oktober 2026

Onrechtmatige uitwinning van pandrecht doet zich voor wanneer een pandhouder het verpande goed te gelde maakt zonder daartoe bevoegd te zijn, of zonder de verkoopregels van de artikelen 3:248 tot en met 3:251 BW te volgen. De pandhouder is dan aansprakelijk voor de schade van de pandgever en van andere belanghebbenden (artikel 6:162 BW). Zijn zekerheidsrecht zelf verliest hij daarmee niet.

De pandgever die een onrechtmatige verkoop ziet aankomen, kan die met een kort geding proberen te stoppen. Is de verkoop al gebeurd, dan resteert in de regel alleen schadevergoeding.

Wat is uitwinning van een pandrecht?

Een pandrecht is een zekerheidsrecht op een roerende zaak of op een vordering, geregeld in Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek. Het geeft de pandhouder het recht zich met voorrang op dat goed te verhalen als de schuldenaar niet betaalt. Uitwinning is de fase waarin dat verhaalsrecht wordt uitgeoefend: het goed wordt verkocht en uit de opbrengst wordt de vordering voldaan.

Hoe het pandrecht is gevestigd, bepaalt hoe de uitwinning verloopt. Bij een vuistpand heeft de pandhouder de zaak al onder zich. Bij een bezitloos pandrecht op roerende zaken (artikel 3:237 BW) blijft de zaak bij de pandgever; de pandhouder moet haar eerst opeisen voordat hij kan verkopen. Bij verpande vorderingen bestaat uitwinning vooral uit innen bij de debiteur, nadat daarvan mededeling is gedaan. Bij een stil pandrecht op vorderingen (artikel 3:239 BW) gebeurt dat pas als de pandhouder de verpanding alsnog meedeelt.

Voor de vestiging gelden eigen vormvoorschriften. Artikel 3:236 BW regelt het vuistpand en het openbare pandrecht op vorderingen; de artikelen 3:237 en 3:239 BW regelen de bezitloze en stille varianten via een notariële of geregistreerde onderhandse akte. Is de vestiging gebrekkig, dan is er geen pandrecht en is iedere uitwinning onrechtmatig. Dat is in een geschil de eerste vraag, nog vóór de vraag of de procedure juist is gevolgd.

Een pandhouder mag zich het goed nooit zelf toe-eigenen. Artikel 3:235 BW verklaart elk beding dat die bevoegdheid geeft nietig, ook als de pandgever daar bij de financiering mee heeft ingestemd. Hoe u zekerheden verstandig combineert, leest u in het overzicht van zekerheden bij de financiering van een bv.

De wettelijke route in vijf stappen

De wet geeft een vaste volgorde. Elke stap die wordt overgeslagen, is een mogelijke grond voor onrechtmatigheid.

StapWat de wet eistArtikel
1. VerzuimDe schuldenaar is in verzuim met de verzekerde vordering3:248 lid 1 BW
2. AankondigingDe pandhouder kondigt de verkoop aan bij de pandgever en andere beperkt gerechtigden3:249 BW
3. Wijze van verkoopOpenbare verkoop volgens de plaatselijke gewoonten en op de gebruikelijke voorwaarden3:250 BW
4. Afwijkende verkoopAlleen met toestemming van de voorzieningenrechter, of bij afspraak met de pandgever nadat de pandhouder tot verkoop bevoegd is geworden3:251 BW
5. AfrekeningDe pandhouder verhaalt vordering en kosten en keert het overschot uit3:253 BW

Wanneer mag de pandhouder uitwinnen?

De bevoegdheid tot verkoop ontstaat pas als de schuldenaar in verzuim is met de nakoming van de vordering waarvoor het pandrecht is gevestigd. Dat is de kern van artikel 3:248 BW, de parate executie: de pandhouder heeft geen executoriale titel en dus ook geen vonnis nodig.

Verzuim treedt in de regel in na een ingebrekestelling met een redelijke termijn voor nakoming (artikel 6:82 BW). In een aantal gevallen ontstaat het verzuim zonder ingebrekestelling, bijvoorbeeld als een fatale termijn is verstreken of als de schuldenaar laat weten niet te zullen betalen (artikel 6:83 BW). Wordt er uitgewonnen terwijl het verzuim niet is ingetreden, dan ontbreekt de bevoegdheid en is de executie onrechtmatig, hoe reëel de vordering ook is.

Bij bancaire financiering gaat aan de uitwinning meestal een opzegging van het krediet vooraf. Die opzegging moet rechtsgeldig zijn, en de bank moet de redelijkheid en billijkheid en haar zorgplicht in acht nemen. Een opzegging die onder de omstandigheden onaanvaardbaar is, kan de daarop volgende executie meeslepen.

Ook een bevoegde pandhouder kan te ver gaan. Artikel 3:13 BW verbiedt misbruik van bevoegdheid: wie uitwint terwijl daar, gelet op de onevenredigheid tussen zijn belang en dat van de pandgever, in redelijkheid geen aanleiding voor is, handelt onrechtmatig. Dat kan spelen als een betalingsregeling loopt of als de achterstand verwaarloosbaar is ten opzichte van de waarde van het onderpand.

Hoe moet het onderpand worden verkocht?

Het uitgangspunt van artikel 3:250 BW is openbare verkoop volgens de plaatselijke gewoonten en op de gebruikelijke voorwaarden. Een veiling via een deurwaarder of notaris is controleerbaar, en juist daarom geeft de wet er de voorkeur aan.

Afwijken mag langs twee wegen die artikel 3:251 BW aanwijst. De voorzieningenrechter kan op verzoek bepalen dat het goed op een andere wijze wordt verkocht, of dat het voor een vastgesteld bedrag aan de pandhouder blijft. Daarnaast kunnen pandhouder en pandgever onderhandse verkoop afspreken, maar pas nadat de pandhouder bevoegd is geworden tot verkoop. Een beding in de pandakte dat die onderhandse verkoop al vooraf regelt, heeft dus geen effect.

Vóór de verkoop moet de pandhouder de pandgever en andere beperkt gerechtigden op de hoogte stellen (artikel 3:249 BW). Die aankondiging is meer dan een formaliteit: het is het moment waarop de pandgever nog kan betalen, onderhandelen of naar de rechter kan stappen. Het achterwege laten van de aankondiging is een van de meest voorkomende gebreken in de praktijk.

Na de verkoop volgt de afrekening. De pandhouder verhaalt zijn vordering en de executiekosten op de opbrengst; wat overblijft komt toe aan de pandgever of aan lager gerangschikte rechthebbenden, zoals een tweede pandhouder (artikel 3:253 BW). Wie het overschot onder zich houdt, maakt van een correcte executie alsnog een onrechtmatige.

Wanneer is de uitwinning onrechtmatig?

Onrechtmatigheid kan op drie niveaus ontstaan: er is geen geldig pandrecht, er is geen bevoegdheid tot verkoop, of de verkoop zelf is niet volgens de regels verlopen. De gevallen die het vaakst terugkeren:

  • uitwinnen terwijl de schuldenaar niet in verzuim is, of terwijl de opzegging van het krediet geen stand houdt;
  • onderhandse verkoop zonder rechterlijke machtiging en zonder een na het verzuim gesloten afspraak met de pandgever;
  • verkoop zonder de voorgeschreven aankondiging aan de pandgever en andere beperkt gerechtigden;
  • een verkoop zonder enige moeite om een redelijke opbrengst te halen, bijvoorbeeld aan een gelieerde partij;
  • het negeren van de blokkeringsregeling in de statuten bij de verkoop van verpande aandelen;
  • het niet afdragen van het overschot aan de pandgever of de volgende pandhouder.

Dat de opbrengst tegenvalt, is op zichzelf geen onrechtmatige daad. Executie levert vrijwel altijd minder op dan een verkoop in het vrije verkeer, en dat verschil komt voor rekening van de pandgever. Waar het om gaat is of de pandhouder zich voldoende heeft ingespannen: heeft hij laten taxeren, meerdere gegadigden benaderd en de verkoop op gebruikelijke wijze aangekondigd? Bij een tweede pandhouder speelt bovendien dat de eerste pandhouder ook diens belang bij een zo hoog mogelijke opbrengst moet meewegen.

Welke gevolgen heeft onrechtmatige uitwinning?

De pandhouder die onrechtmatig uitwint, is aansprakelijk voor de schade die daaruit voortvloeit. Dat kan schade van de pandgever zijn, maar ook van een tweede pandhouder of van een leverancier met een eigendomsvoorbehoud wiens zaken zijn meeverkocht. Wie in zo’n botsing voorgaat, hangt af van de rangorde; de verhouding tussen pandrecht en eigendomsvoorbehoud is een terugkerend twistpunt.

De schade wordt in de regel begroot op het verschil tussen de opbrengst die bij een zorgvuldige executie redelijkerwijs haalbaar was en de opbrengst die daadwerkelijk is behaald. Daarnaast komen vermogensschade die daarvan het gevolg is, zoals kosten van vervangende bedrijfsmiddelen of herfinanciering, en de redelijke kosten van vaststelling van de schade voor vergoeding in aanmerking (artikel 6:96 BW). Gederfde winst is denkbaar, maar vraagt om een concrete onderbouwing.

Een voorbeeld ter illustratie: een pandhouder verkoopt verpande machines onderhands voor € 40.000 zonder machtiging van de rechter. Toont de pandgever met taxaties aan dat een openbare veiling redelijkerwijs € 55.000 had opgebracht, dan is het verschil van € 15.000 het vertrekpunt voor de schadeberekening.

Wat de pandhouder niet verliest, is zijn zekerheidsrecht en zijn voorrang. De sanctie zit in de schadevergoeding. In de onderlinge verrekening kan dat er wel toe leiden dat er per saldo weinig van zijn verhaal overblijft.

Naast de civiele aansprakelijkheid loopt een tuchtrechtelijk spoor. Is de executie begeleid door een notaris of deurwaarder die zijn eigen zorgplicht heeft verzaakt, dan kan daarover een klacht worden ingediend. Wanneer u de notaris aansprakelijk kunt stellen is een aparte vraag.

Wat betekent het bodemrecht van de Belastingdienst?

Bij zaken op de bodem van de belastingschuldige, zoals inventaris en machines in het bedrijfspand, botst het pandrecht op het bodemrecht van de ontvanger (artikel 22 Invorderingswet 1990). De ontvanger heeft op die zaken een sterke positie, ook als daarop een bezitloos pandrecht rust.

Daarom kent de wet een mededelingsplicht (artikel 22bis Invorderingswet 1990). Een pandhouder die zich op bodemzaken wil verhalen of die zaken van de bodem wil afvoeren, moet dat vooraf aan de ontvanger melden en daarna een wachttermijn in acht nemen. Wie die mededeling overslaat, loopt het risico dat hij de waarde van de zaken alsnog aan de ontvanger moet vergoeden.

De eerste stap bij het uitwinnen van bedrijfsinventaris is dus niet het inschakelen van een veilinghuis, maar het in kaart brengen van de fiscale positie van de schuldenaar.

Mag de pandhouder uitwinnen tijdens een faillissement?

Een faillissement van de pandgever blokkeert de uitwinning niet. Artikel 57 van de Faillissementswet bepaalt dat pand- en hypotheekhouders hun recht kunnen uitoefenen alsof er geen faillissement was.

De curator kan de pandhouder een redelijke termijn stellen om tot uitwinning over te gaan (artikel 58 Fw). Verkoopt de pandhouder niet binnen die termijn, dan mag de curator het goed opeisen en zelf verkopen, met behoud van de voorrang van de pandhouder. De rechter-commissaris kan de termijn op verzoek verlengen. Meer over die rol leest u bij de curator bij faillissement.

In de praktijk wordt vaak samengewerkt: de curator verkoopt de activa, bijvoorbeeld bij een doorstart, en de pandhouder deelt in de opbrengst tegen een boedelbijdrage. De Hoge Raad oordeelde op 25 februari 2011 dat zo’n onderhandse verkoop door de curator, op basis van een afspraak met de pandhouder, geldt als uitoefening van het recht van parate executie. Ook dan blijft het kader van de artikelen 3:248 en 3:251 BW dus van belang.

Hoe verloopt de uitwinning van verpande vorderingen en aandelen?

Bij verpande vorderingen hoeft de pandhouder niets te veilen: na mededeling wordt hij inningsbevoegd en int hij rechtstreeks bij de debiteur (artikel 3:246 BW). Vanaf dat moment kan de debiteur alleen nog bevrijdend aan de pandhouder betalen.

Wordt er ingezet op inning terwijl er geen verzuim is, of wordt aan debiteuren meegedeeld dat de pandgever in betalingsproblemen zit terwijl daarvoor geen grond bestaat, dan kan dat op zichzelf onrechtmatig zijn. De reputatieschade is dan vaak groter dan het geïnde bedrag. Let ook op de grens van de inningsbevoegdheid: de pandhouder mag innen, maar volgens de Hoge Raad (2 oktober 2026) niet schikken over de vordering of haar kwijtschelden.

Bij verpande aandelen in een bv gelden strengere formaliteiten. Vestiging en overdracht verlopen via een notariële akte (artikelen 2:196 en 2:198 BW), en de statutaire blokkeringsregeling blijft bij executie in beginsel van toepassing. De pandhouder moet de aanbiedings- of goedkeuringsprocedure uit de statuten volgen, tenzij de rechter een afwijkende verkoop toestaat.

Wat kan de pandgever doen?

De belangrijkste stap is snel handelen. Zodra de aankondiging van de executie binnenkomt, kunt u een kort geding aanhangig maken bij de voorzieningenrechter. Die kan de verkoop verbieden of schorsen, een dwangsom opleggen of bepalen dat de verkoop anders plaatsvindt. Na levering aan een derde is terugdraaien vrijwel onmogelijk.

Bouw daarnaast een dossier op: de pandakte met de omschrijving van de verpande goederen, de ingebrekestelling, de kredietopzegging, de correspondentie over betalingsregelingen en de taxaties. Ontbreekt een geldige ingebrekestelling, dan is dat vaak het snelste verweer.

Voorkomen blijft beter. De mogelijkheden die u heeft bij wanbetaling zijn aan beide kanten ruimer zolang er nog geen executie loopt. Hoe de vastlegging bij vorderingen werkt, staat in het artikel over verpanding van vorderingen en debiteuren.

Wat controleert u als pandgever?

  • Bent u in verzuim: is er een ingebrekestelling met een redelijke termijn gestuurd?
  • Is het pandrecht geldig gevestigd en omschrijft de pandakte de verpande goederen voldoende?
  • Vindt de verkoop openbaar plaats, of met toestemming van de voorzieningenrechter (artikelen 3:250 en 3:251 BW)?
  • Heeft u na de verkoop een afrekening gekregen en is een overschot aan u uitgekeerd?

Wat controleert u als pandhouder?

  • Heeft u de schuldenaar in gebreke gesteld en vastgelegd wanneer het verzuim is ingetreden (artikel 3:248 BW)?
  • Is de verkoop tijdig aangekondigd bij de pandgever en andere belanghebbenden (artikel 3:249 BW)?
  • Heeft u een voorgenomen uitwinning van bodemzaken gemeld bij de ontvanger?
  • Is het onderpand getaxeerd en is de opbrengst controleerbaar afgerekend?

Wat wij doen bij een geschil over uitwinning

Vanuit onze praktijk ondernemingsrecht staan wij pandgevers en pandhouders bij:

  • Wij beoordelen of het pandrecht geldig is gevestigd en of de schuldenaar in verzuim was.
  • Wij starten een kort geding om een aangekondigde executie te laten verbieden of schorsen, of verdedigen u daarin.
  • Wij verzoeken de voorzieningenrechter om een andere wijze van verkoop (artikel 3:251 BW).
  • Wij berekenen de schade na een onrechtmatige uitwinning en stellen de pandhouder aansprakelijk.
  • Wij voeren het overleg met de curator of de ontvanger over de afwikkeling.

In het kort

  • De pandhouder mag pas uitwinnen als de schuldenaar in verzuim is (artikel 3:248 BW).
  • Uitgangspunt is openbare verkoop (artikel 3:250 BW); afwijken kan alleen met de rechter of met een afspraak na het ontstaan van de verkoopbevoegdheid (artikel 3:251 BW).
  • Een beding dat de pandhouder het goed zelf mag houden, is nietig (artikel 3:235 BW).
  • Een faillissement blokkeert de uitwinning niet (artikel 57 Fw); een onderhandse verkoop door de curator in overleg met de pandhouder geldt als parate executie.
  • Bij onrechtmatige uitwinning is de pandhouder aansprakelijk voor de schade; een tijdig kort geding is vaak de enige manier om de verkoop te stoppen.

Meer over hoe Law & More u hierbij helpt, leest u op de pagina ondernemingsrecht advocaat.

Een vraag over uw eigen situatie?

Mail ons in een paar zinnen waar uw vraag over gaat. Wij laten u weten of wij u kunnen helpen en wat de volgende stap is. Wij beoordelen geen zaken of stukken per e-mail zonder opdracht.

Dit artikel geeft algemene informatie en vervangt geen advies over uw specifieke situatie.

Een vraag over uw eigen situatie?

Mail ons in een paar zinnen waar uw vraag over gaat. Wij laten u weten of wij u kunnen helpen en wat de volgende stap is. Wij beoordelen geen zaken of stukken per e-mail zonder opdracht.

Dit artikel geeft algemene informatie en vervangt geen advies over uw specifieke situatie.