Gepubliceerd op 29 november 2022 · Laatst bijgewerkt op 11 september 2026
De indexering van alimentatie is de jaarlijkse verhoging die op grond van artikel 1:402a BW van rechtswege per 1 januari ingaat, zonder dat iemand daarvoor iets hoeft te doen. Voor 2026 is het wijzigingspercentage vastgesteld op 4,6 procent. De verhoging geldt voor kinderalimentatie en partneralimentatie die bij rechterlijke uitspraak of bij overeenkomst zijn vastgesteld.
Inhoudsopgave
Indexering alimentatie: het korte antwoord
De indexering alimentatie gaat per 1 januari van rechtswege in, zonder dat iemand daarvoor iets hoeft te doen (artikel 1:402a BW). Voor 2026 is het percentage vastgesteld op 4,6 procent; het geldt voor zowel kinder- als partneralimentatie.
Wat bepaalt artikel 1:402a BW precies?
Bedragen voor levensonderhoud die bij rechterlijke uitspraak of bij overeenkomst zijn vastgesteld, worden jaarlijks van rechtswege aangepast aan de loonontwikkeling. Het ministerie van Justitie en Veiligheid stelt het wijzigingspercentage elk najaar vast en publiceert het in de Staatscourant; voor 2026 komt het uit op 4,6 procent, berekend uit de loonindexcijfers over september 2024 en september 2025.
Van rechtswege betekent hier: zonder verzoek, zonder nieuwe beschikking en zonder instemming van de andere partij. De betalende ouder of ex-partner moet het nieuwe bedrag dus uit zichzelf overmaken, en de ontvanger hoeft geen brief te sturen om er recht op te hebben. Omdat het percentage per jaar verschilt, moet wie een achterstand over meerdere jaren berekent per jaar rekenen en de percentages cumulatief toepassen: elk jaar wordt het percentage toegepast op het bedrag van het jaar ervoor, niet op het oorspronkelijke bedrag. De percentages optellen levert structureel een te laag bedrag op.
Geindexeerd wordt het vastgestelde bedrag, niet de behoefte- of draagkrachtberekening die eraan ten grondslag ligt. Indexering is een rekenkundige aanpassing en geen herbeoordeling van de situatie. Verandert er iets wezenlijks in inkomen, lasten of zorgverdeling, dan loopt dat via een eigen traject: een wijzigingsverzoek op grond van artikel 1:401 BW. Die twee mechanismen blijven juridisch gescheiden, en dat onderscheid verklaart de meeste misverstanden.
Kan de indexering worden uitgesloten?
Ja, en artikel 1:402a BW biedt daarvoor meer ruimte dan vaak wordt gedacht. Partijen kunnen bij overeenkomst, en de rechter kan bij uitspraak, de wettelijke indexering geheel uitsluiten, haar voor een bepaalde tijdsduur uitsluiten, of haar vervangen door een andere periodieke wijzigingsregeling. Beslissend is steeds de precieze tekst van het convenant of de beschikking en de uitleg daarvan.
Twee valkuilen komen daarbij telkens terug. De eerste is dat een jarenlang gelijk gebleven bedrag zou betekenen dat de indexering is uitgesloten: dat volgt er niet uit, want uitsluiting moet blijken uit een uitdrukkelijke afspraak of uit de beschikking. De tweede is het spiegelbeeld: uit het ontbreken van een uitsluiting volgt niet zonder meer dat een nabetaling over de volledige periode toewijsbaar is. Verjaring, stuiting en rechtsverwerking bepalen mede hoe ver een vordering terugreikt.
Hoe ver kunt u achterstallige indexering terugvorderen?
Wie jarenlang zonder geldige uitsluiting hetzelfde bedrag heeft betaald of ontvangen, loopt tegen een verschil aan. Voor de beoordeling daarvan moeten drie vragen los van elkaar worden beantwoord: bestaat de aanspraak, is zij verjaard, en kan het inningsbureau haar innen. Wie die vragen door elkaar haalt, komt op een verkeerd bedrag uit.
Voor periodiek opeisbare termijnen geldt in beginsel een verjaringstermijn van vijf jaren, te rekenen vanaf de dag volgend op die waarop de vordering opeisbaar werd (artikel 3:308 BW). Voor een verzoek om een uitkering over al verstreken tijd kent artikel 1:403 BW daarnaast een eigen grens. Die twee bepalingen zijn verwant maar niet inwisselbaar. Hoe verjaring in het algemeen werkt en wanneer een termijn opnieuw begint te lopen, leest u bij verjaring van vorderingen.
De verjaring staat niet vast. Een schriftelijke aanmaning, of een schriftelijke mededeling waarin de gerechtigde zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt, stuit de verjaring en doet een nieuwe termijn beginnen. Daarnaast kan de betaler aanvoeren dat de gerechtigde zijn recht heeft verwerkt door lang niets te ondernemen, maar enkel stilzitten is daarvoor niet genoeg: rechtsverwerking vraagt bijzondere omstandigheden, bijvoorbeeld gedrag waardoor de betaler er redelijkerwijs op mocht vertrouwen dat het lagere bedrag volstond. Dat wordt van geval tot geval beoordeeld.
Wat kan het inningsbureau wel en niet?
Het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen kan op verzoek van de onderhoudsgerechtigde de invordering overnemen, mits er een executoriale titel ligt. Daarvoor geldt een eigen, beperktere grens: de gerechtigde moet aannemelijk maken dat de onderhoudsplichtige in de zes maanden voorafgaand aan het verzoek is tekortgeschoten (artikel 1:408 BW).
Dat is uitdrukkelijk geen beperking van de civielrechtelijke vordering tot zes maanden. Het is alleen een grens aan wat het bureau op verzoek van de gerechtigde invordert. De onderliggende aanspraak, met de verjaringstermijn van vijf jaren, blijft daarnaast bestaan. Wie een langere achterstand wil incasseren, moet die dus via de deurwaarder of de rechter aanpakken en niet aannemen dat het bureau alles meeneemt. Welke stappen in de praktijk het snelst tot betaling leiden, zetten wij op een rij bij niet betalen van alimentatie.
Hoe werkt indexering bij een bedrag met terugwerkende kracht?
Stelt de rechter alimentatie vast met ingang van een datum die voor de uitspraak ligt, dan rijst de vraag wat er met de indexering over die tussenliggende periode gebeurt. De wettelijke indexering van artikel 1:402a BW ziet in beginsel op de periode na de uitspraak. Dat betekent niet dat de terugliggende periode buiten beeld blijft.
De Hoge Raad heeft dat op 18 juli 2025 verduidelijkt (ECLI:NL:HR:2025:1165). Een partij kan om indexering over de terugliggende periode verzoeken, bijvoorbeeld op grond van een convenant, en de rechter moet zich bij het vaststellen van het bedrag over dat tijdvak ambtshalve rekenschap geven van het effect dat indexering zou hebben gehad en dat effect in het bedrag verdisconteren. Wie een verzoek met terugwerkende kracht doet, doet er dus goed aan de indexering expliciet aan de orde te stellen in plaats van erop te vertrouwen dat zij vanzelf meeloopt.
Waarom loopt de verhoging achter bij de inflatie?
De wettelijke indexering volgt de loonontwikkeling, niet de prijsontwikkeling. In jaren waarin de prijzen harder stijgen dan de lonen, blijft de verhoging achter bij het koopkrachtverlies van de ontvanger. Dat is geen rekenfout maar een gevolg van de gekozen maatstaf: de wetgever heeft aangesloten bij het loonindexcijfer van het Centraal Bureau voor de Statistiek.
Partijen kunnen daarvan afwijken door zelf een andere, voldoende duidelijk omschreven regeling af te spreken, bijvoorbeeld een koppeling aan de consumentenprijsindex. Vindt u dat het bedrag door gestegen lasten niet meer volstaat, dan is het middel daarvoor niet de indexering maar een wijzigingsverzoek op grond van artikel 1:401 BW. Bij partneralimentatie speelt daarnaast de duur: sinds 1 januari 2020 geldt op grond van artikel 1:157 BW als hoofdregel de helft van de huwelijksduur met een maximum van vijf jaar, met drie uitzonderingen. Wat dat voor uw situatie betekent, leest u bij partneralimentatie: hoe lang en hoeveel. Kinderalimentatie loopt door tot het kind 21 jaar wordt (artikel 1:395a BW); bij samengestelde gezinnen verdeelt de rechter de last over alle onderhoudsplichtigen, zoals wij uitleggen bij kinderalimentatie bij samengestelde gezinnen.
Wat geldt er als een van beiden in het buitenland woont?
Bij een internationale situatie is de Nederlandse indexering niet vanzelfsprekend. Eerst moet worden vastgesteld welk recht op de onderhoudsverplichting van toepassing is; binnen de Europese Unie wijst Verordening (EG) nr. 4/2009 daarvoor door naar het Haags Protocol van 2007. Pas als Nederlands recht van toepassing is, geldt de indexering van artikel 1:402a BW.
Wordt een Nederlandse titel in een andere lidstaat ten uitvoer gelegd, dan gebeurt dat in beginsel onder dezelfde voorwaarden als een binnenlandse beslissing, inclusief de geindexeerde bedragen. Omgekeerd geldt de Nederlandse verhoging niet automatisch voor een buitenlandse titel. Welke rechter bevoegd is en welk recht geldt bij een grensoverschrijdend gezin, behandelen wij bij kinderalimentatie bij internationaal gezinsverkeer.
Wat doet u bij een vermoede achterstand?
Begin bij de bron: zoek op wanneer het bedrag voor het laatst is vastgesteld of aangepast en of de indexering ergens uitdrukkelijk is uitgesloten, geheel of voor een bepaalde periode. Verzamel daarna de wijzigingspercentages van alle jaren sinds die datum en reken cumulatief door, jaar voor jaar, zodat u het bedrag krijgt dat op elk moment verschuldigd was. Vergelijk die reeks met wat feitelijk is betaald en bepaal het verschil per jaar.
Meld een achterstand vervolgens schriftelijk, met de berekening erbij, en maak daarbij ondubbelzinnig aanspraak op betaling: dat stuit de verjaring en zet een nieuwe termijn in gang. Houd daarbij in de gaten hoe ver de vordering terugstrekt, want de vijfjaarstermijn loopt per termijn afzonderlijk. Blijft betaling uit, weeg dan af of u het inningsbureau inschakelt voor de recente maanden of meteen een deurwaarder of de rechter inzet voor het volledige bedrag. Loopt er nog een echtscheiding, dan kan een voorlopige voorziening uitkomst bieden; die route beschrijven wij bij voorlopige voorzieningen bij echtscheiding.
Veelgestelde vragen
Moet ik de indexering zelf doorgeven aan mijn ex-partner?
Nee. De aanpassing werkt van rechtswege en hangt niet af van een mededeling. In de praktijk is een korte schriftelijke melding met de berekening wel verstandig: zij voorkomt discussie en, als er niet wordt betaald, stuit zij de verjaring.
Geldt de indexering ook voor kinderalimentatie?
Ja. Artikel 1:402a BW maakt geen onderscheid tussen kinderalimentatie en partneralimentatie. Beide bedragen worden per 1 januari met hetzelfde percentage aangepast, tenzij de indexering uitdrukkelijk is uitgesloten.
Mijn ex-partner heeft jarenlang te weinig betaald. Kan ik dat nog vorderen?
In beginsel wel, voor termijnen die niet langer dan vijf jaar geleden opeisbaar zijn geworden (artikel 3:308 BW). Of het volledige verschil toewijsbaar is, hangt af van de omstandigheden, onder meer of de verjaring tijdig is gestuit. Schakelt u het inningsbureau in, dan geldt daarvoor bovendien de eigen grens van zes maanden uit artikel 1:408 BW; die beperkt de invordering, niet de vordering zelf.
Kan ik de indexering laten vervallen?
Dat kan door een uitdrukkelijke afspraak of een rechterlijke beslissing: geheel, voor een bepaalde tijdsduur, of door een andere periodieke regeling af te spreken. Beslissend is steeds de precieze tekst en de uitleg daarvan.
Waar vind ik het officiele percentage?
Het percentage wordt jaarlijks bekendgemaakt in de Staatscourant. De beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2026 stelt het vast op 4,6 procent. De wettekst zelf staat in Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en het arrest over terugwerkende kracht vindt u bij de Hoge Raad van 18 juli 2025.
Laat uw alimentatiebedrag nakijken
Wilt u weten of het bedrag dat u betaalt of ontvangt nog klopt, of loopt er een achterstand door vergeten indexering? De advocaten personen- en familierecht van Law & More rekenen het na, stellen de achterstand vast met oog voor verjaring en stuiting, en zetten waar nodig de inning in gang. Wij werken vanuit Eindhoven en ontvangen u ook in Amsterdam. Dit artikel geeft algemene informatie; de uitkomst in een concrete zaak hangt af van de feiten en de peildatum.