Kennelijk onbehoorlijk bestuur bij faillissement: wanneer is een bestuurder aansprakelijk?

Kantoor in de schemering met één bureaulamp aan

Gepubliceerd op 8 november 2025 · Laatst bijgewerkt op 30 oktober 2026

Een bestuurder is bij faillissement van zijn bv persoonlijk aansprakelijk voor het tekort als het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en dat een belangrijke oorzaak van het faillissement is (artikel 2:248 BW). De belangrijkste uitzondering: een bestuurder die bewijst dat hem persoonlijk niets te verwijten valt en dat hij niet nalatig was in het afwenden van de gevolgen, ontloopt die aansprakelijkheid.

De drempel is hoog. “Kennelijk” onbehoorlijk betekent dat geen redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden zo zou hebben gehandeld. In de praktijk wordt dat soms beschreven als een fout die “bij klaarlichte dag” zichtbaar is. Dat is beeldspraak en geen wettelijk criterium: artikel 2:248 BW spreekt alleen van “kennelijk onbehoorlijk”.

Een zakenman zit aan een bureau met financiële documenten en een laptop in een modern kantoor, met grafieken op de achtergrond die dalende cijfers tonen.

Wat regelt artikel 2:248 BW?

Artikel 2:248 BW maakt iedere bestuurder van een bv hoofdelijk aansprakelijk tegenover de faillissementsboedel voor het tekort. Voor de nv staat dezelfde regel in artikel 2:138 BW.

Het tekort is het bedrag van de schulden dat niet uit de opbrengst van de overige bezittingen kan worden betaald. Daaronder vallen ook de faillissementskosten, zoals het salaris van de curator. Omdat de aansprakelijkheid hoofdelijk is, kan de curator iedere bestuurder voor het volledige bedrag aanspreken.

Alleen de curator kan deze vordering instellen, namens alle schuldeisers samen. Een individuele schuldeiser die schade lijdt, moet een eigen grondslag hebben, zoals een onrechtmatige daad van de bestuurder (artikel 6:162 BW). Meer daarover leest u bij externe bestuurdersaansprakelijkheid.

Wat moet de curator aantonen?

  1. Het bestuur als geheel heeft zijn taak kennelijk onbehoorlijk vervuld.
  2. Het is aannemelijk dat dit een belangrijke oorzaak van het faillissement is. Het hoeft niet de enige oorzaak te zijn.
  3. Het onbehoorlijk bestuur vond plaats in de drie jaar voorafgaand aan het faillissement; eerder gedrag telt voor artikel 2:248 BW niet mee.

Wanneer is bestuur kennelijk onbehoorlijk?

Bestuur is kennelijk onbehoorlijk als geen redelijk denkend bestuurder, met dezelfde kennis en in dezelfde omstandigheden, zo zou hebben gehandeld. Dat is vaste rechtspraak van de Hoge Raad.

Een verkeerde zakelijke inschatting is dus niet genoeg. Ondernemen brengt risico’s mee, en een investering die achteraf mislukt, maakt een bestuurder nog niet aansprakelijk. De rechter kijkt naar wat de bestuurder op het moment van beslissen wist of had moeten weten, niet naar wat achteraf bekend is.

Situaties die in de rechtspraak geregeld als kennelijk onbehoorlijk worden aangemerkt, zijn onder meer:

  • doorgaan met een onderneming en nieuwe verplichtingen aangaan terwijl duidelijk is dat de vennootschap die niet kan nakomen;
  • geld of goederen aan de vennootschap onttrekken zonder gelijkwaardige tegenprestatie, bijvoorbeeld via privé-uitgaven ten laste van de vennootschap of onzakelijke betalingen aan een groepsmaatschappij;
  • selectieve betalingen vlak voor het faillissement aan schuldeisers waarbij de bestuurder zelf belang heeft;
  • stelselmatig geen belasting of premies afdragen om de onderneming in leven te houden;
  • een gebrekkige administratie of het niet op tijd openbaar maken van de jaarrekening (zie hierna).
Een zakelijke professional zit aan een bureau met juridische documenten en een laptop in een kantooromgeving met boeken op de achtergrond.

Wat gebeurt er bij een slechte administratie of te late deponering?

Dan staat volgens artikel 2:248 lid 2 BW vast dat het bestuur zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld, en wordt vermoed dat dit een belangrijke oorzaak van het faillissement is. De curator hoeft het oorzakelijk verband dan niet meer te bewijzen.

Wettelijke plichtWat de wet eistGevolg bij schending
Administratieplicht (artikel 2:10 BW)Een administratie waaruit de rechten en verplichtingen van de vennootschap op elk moment kunnen worden gekend; bewaren gedurende zeven jaarOnbehoorlijk bestuur staat vast en het oorzakelijk verband wordt vermoed
Publicatieplicht (artikel 2:394 BW)Openbaarmaking van de jaarrekening bij de Kamer van Koophandel, in de praktijk uiterlijk twaalf maanden na afloop van het boekjaarHetzelfde, tenzij het verzuim onbelangrijk is

Een onbelangrijk verzuim telt niet mee. Volgens de rechtspraak is daarvan alleen sprake als er voor de overtreding een aanvaardbare verklaring bestaat. Een paar dagen te laat deponeren wordt in de praktijk zelden als onbelangrijk aangemerkt. Meer hierover leest u in ons artikel over bestuurdersaansprakelijkheid bij te late deponering.

Een voorbeeld uit de rechtspraak

De rechtbank Den Haag oordeelde op 9 oktober 2024 dat een oud-bestuurder aansprakelijk was voor het boedeltekort (ECLI:NL:RBDHA:2024:16586). De jaarrekeningen waren ruim anderhalf jaar en een half jaar te laat openbaar gemaakt; dat was geen onbelangrijk verzuim. De bestuurder slaagde er niet in het vermoeden te weerleggen. Daarnaast had hij ruim € 349.000 aan privé-uitgaven ten laste van de vennootschap gebracht, wat de rechtbank zelfstandig als kennelijk onbehoorlijk bestuur aanmerkte.

Opvallend is dat de rechtbank de administratieplicht in die zaak niet geschonden achtte: de bewaarplicht rustte op de bestuurder die op dat moment in functie was, niet op de oud-bestuurder. De rechtbank stelde een voorschot vast van € 100.000; de rest wordt bij staat opgemaakt.

Kan de bestuurder het vermoeden weerleggen?

Ja, het vermoeden dat het onbehoorlijk bestuur een belangrijke oorzaak was, is weerlegbaar. De bestuurder moet dan aannemelijk maken dat andere feiten of omstandigheden een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest, bijvoorbeeld het wegvallen van een grote afnemer of een plotselinge marktomslag.

De Hoge Raad verduidelijkte op 9 juli 2021 dat zo’n andere oorzaak ook het handelen van een bestuurder kan zijn, bijvoorbeeld van een medebestuurder, zolang dat handelen op zichzelf geen kennelijk onbehoorlijk bestuur oplevert (ECLI:NL:HR:2021:1099). Het hof had dat ten onrechte uitgesloten; de zaak ging terug naar een ander hof. Het bewijs blijft in de praktijk lastig: u moet de andere oorzaak concreet onderbouwen met cijfers en stukken.

Kan een individuele bestuurder aan aansprakelijkheid ontkomen?

Ja, via de disculpatie van artikel 2:248 lid 3 BW. De bestuurder moet bewijzen dat de onbehoorlijke taakvervulling niet aan hem te wijten is en dat hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen af te wenden.

Dat vraagt meer dan stilzwijgen. Een bestuurder die het niet eens is met de koers van een medebestuurder, moet bezwaar maken, dat laten vastleggen en zo nodig de algemene vergadering of de raad van commissarissen inschakelen. Zie ook ons artikel over wat u kunt doen als uw medebestuurder onrechtmatig handelt.

Kan de rechter het bedrag verlagen?

Ja, de rechter kan het bedrag verminderen als het hem bovenmatig voorkomt (artikel 2:248 lid 4 BW). Hij kijkt dan naar de aard en ernst van het onbehoorlijk bestuur, de andere oorzaken van het faillissement en de manier waarop het faillissement is afgewikkeld.

Wie wordt als bestuurder aangemerkt?

Niet alleen de formeel benoemde bestuurder. Wie zonder benoeming het beleid van de vennootschap heeft bepaald of mede heeft bepaald alsof hij bestuurder was, wordt volgens artikel 2:248 lid 7 BW gelijkgesteld met een bestuurder. Dit wordt de feitelijk beleidsbepaler genoemd.

Ook een rechtspersoon die bestuurder is, kan aansprakelijk zijn. In dat geval zijn de bestuurders van die bestuurder-rechtspersoon op grond van artikel 2:11 BW ook zelf hoofdelijk aansprakelijk; zo was het ook in de Haagse zaak, waarin de oud-bestuurder indirect bestuurder was. Een commissaris kan op grond van artikel 2:259 BW aansprakelijk zijn als hij zijn toezichtstaak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld.

Zakelijke mensen in een moderne kantooromgeving bespreken documenten aan een vergadertafel, gericht op juridische en financiële thema's.

Welke andere gevolgen kan onbehoorlijk bestuur hebben?

Naast betaling van het tekort kan de curator de rechter vragen de bestuurder een civielrechtelijk bestuursverbod op te leggen van maximaal vijf jaar (artikel 106a Faillissementswet). Dat kan onder meer bij kennelijk onbehoorlijk bestuur en bij ernstige schending van de administratieplicht.

Daarnaast kan de curator rechtshandelingen vernietigen die de schuldeisers benadelen (actio pauliana, artikel 42 Faillissementswet). Wie als bestuurder bewust schuldeisers benadeelt, kan bovendien strafrechtelijk worden vervolgd voor bijvoorbeeld bedrieglijke bankbreuk (artikelen 341 en 343 Wetboek van Strafrecht).

Hoe voorkomt u als bestuurder aansprakelijkheid?

Door de twee wettelijke kernplichten na te komen en besluiten bij financiële problemen zorgvuldig vast te leggen. Lees ook onze juridische noodremmen om faillissement te voorkomen.

  • Voer een volledige, actuele administratie die aan artikel 2:10 BW voldoet en bewaar die zeven jaar.
  • Maak de jaarrekening ruim binnen twaalf maanden na afloop van het boekjaar openbaar bij de Kamer van Koophandel.
  • Maak bij liquiditeitsproblemen een onderbouwde liquiditeitsprognose en leg vast waarom u doorgaat of juist stopt.
  • Ga geen nieuwe verplichtingen aan als u weet of behoort te weten dat de vennootschap die niet kan nakomen.
  • Meld betalingsonmacht voor loonheffingen en omzetbelasting tijdig bij de Belastingdienst; anders kunt u daarvoor ook persoonlijk aansprakelijk worden.
  • Maak bij onenigheid in het bestuur uw bezwaar schriftelijk kenbaar.

Als de curator u aanspreekt

Een aansprakelijkstelling door de curator begint meestal met een brief waarin hij het faillissementsverslag en zijn bevindingen noemt. Reageer inhoudelijk en binnen de gestelde termijn.

  • Controleer welke periode de curator verwijt en of die binnen de drie jaar vóór het faillissement valt.
  • Ga na of de administratie werkelijk tekortschoot, of dat de curator alleen stukken mist die u alsnog kunt leveren. Was u al vertrokken, kijk dan wie de bewaarplicht had.
  • Stel vast wanneer de jaarrekeningen openbaar zijn gemaakt en of er een aanvaardbare verklaring is voor een vertraging.
  • Verzamel bewijs van andere oorzaken van het faillissement, ook handelen van medebestuurders dat zelf geen onbehoorlijk bestuur is, en van uw eigen bezwaren binnen het bestuur.
  • Kijk of een bestuurdersaansprakelijkheidsverzekering (D&O-polis) dekking biedt en meld de aanspraak direct.

Wat wij doen bij bestuurdersaansprakelijkheid bij faillissement

  • Wij beoordelen de aansprakelijkstelling van de curator en de onderbouwing aan de hand van artikel 2:248 BW.
  • Wij stellen het verweer op, inclusief een beroep op weerlegging van het bewijsvermoeden, disculpatie of matiging.
  • Wij onderhandelen met de curator over een schikking en houden daarbij rekening met de dekking van uw D&O-polis.
  • Wij adviseren bestuurders vooraf bij financiële problemen, zodat besluiten en administratie goed zijn vastgelegd. Zie ook onze dienst ondernemingsrecht advocaat.

In het kort

  • Bestuurders zijn bij faillissement hoofdelijk aansprakelijk voor het tekort als het bestuur kennelijk onbehoorlijk was en dat een belangrijke oorzaak van het faillissement is (artikel 2:248 BW).
  • Bij schending van de administratieplicht of te late openbaarmaking staat onbehoorlijk bestuur vast en wordt het oorzakelijk verband vermoed.
  • Dat vermoeden weerlegt u met een andere belangrijke oorzaak; volgens de Hoge Raad kan dat ook handelen van een medebestuurder zijn.
  • Een bestuurder kan zich disculperen, en de rechter kan het bedrag matigen.

Veelgestelde vragen

Kan een schuldeiser zelf een bestuurder aanspreken op grond van artikel 2:248 BW?

Nee, die bevoegdheid heeft alleen de curator. Een schuldeiser kan een bestuurder wel aanspreken op grond van onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW), bijvoorbeeld als de bestuurder namens de vennootschap verplichtingen aanging terwijl hij wist dat die niet konden worden nagekomen.

Geldt artikel 2:248 BW ook voor een stichting of vereniging?

Ja. Sinds de Wet bestuur en toezicht rechtspersonen (1 juli 2021) geldt een vergelijkbare regel voor alle verenigingen en stichtingen (artikelen 2:50a en 2:300a BW). Het bewijsvermoeden bij een gebrekkige administratie of te late openbaarmaking geldt alleen voor verenigingen en stichtingen die wettelijk een jaarrekening moeten opstellen.

Kan een gewezen bestuurder nog worden aangesproken?

Ja, als hij in de drie jaar voor het faillissement bestuurder was en het verweten bestuur in zijn bestuursperiode viel. Ontslag kort voor het faillissement beschermt dus niet tegen aansprakelijkheid voor eerder gedrag, zoals de Haagse zaak van 2024 laat zien.

Lees ook: bestuurdersaansprakelijkheid bij de bv en faillissement en doorstart voor schuldeisers.

Wilt u weten of wij u kunnen helpen?

Plan een gratis kennismaking. Daarin bespreken wij of wij u kunnen helpen en wat dat kost. Inhoudelijk advies valt er niet onder. Wij beoordelen geen zaken of stukken per e-mail zonder opdracht.

Dit artikel geeft algemene informatie en vervangt geen advies over uw specifieke situatie.

Wilt u weten of wij u kunnen helpen?

Plan een gratis kennismaking. Daarin bespreken wij of wij u kunnen helpen en wat dat kost. Inhoudelijk advies valt er niet onder. Wij beoordelen geen zaken of stukken per e-mail zonder opdracht.

Dit artikel geeft algemene informatie en vervangt geen advies over uw specifieke situatie.