Economische delicten: wanneer is een bedrijf strafbaar?

Bankafschriften met een markeerstift op tafel, van bovenaf

Gepubliceerd op 27 oktober 2025 · Laatst bijgewerkt op 29 oktober 2026

Economische delicten zijn overtredingen van voorschriften die de Wet op de economische delicten (WED) uitdrukkelijk als zodanig aanwijst, zoals regels over arbeidsomstandigheden, milieu, douane, voedselveiligheid en financieel toezicht. Een bedrijf is strafbaar als de gedraging het op grond van artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht redelijkerwijs kan worden toegerekend; daarnaast kan de feitelijk leidinggevende persoonlijk worden vervolgd.

De belangrijkste uitzondering: lang niet elk delict dat een onderneming raakt, valt onder de WED. Witwassen, valsheid in geschrift, omkoping en belastingfraude staan elders in de wet, en kartelvorming is in Nederland helemaal geen strafbaar feit. Hieronder leest u hoe de toerekening werkt volgens de Hoge Raad, wanneer een bestuurder zelf in beeld komt en wat u bij een controle wel en niet hoeft te doen.

Hoe werkt de WED als kapstokwet?

Een economisch delict is geen zelfstandig omschreven misdrijf zoals diefstal of mishandeling. Artikel 1 en artikel 1a van de Wet op de economische delicten bevatten een lange opsomming van bepalingen uit tientallen andere wetten. Overtreedt u een van die bepalingen, dan is dat een strafbaar feit met de strafmaxima en de bijzondere bevoegdheden van de WED.

De WED zegt dus niet wat u moet doen; dat staat in de bijzondere wet. Zij zegt wat er gebeurt als u het niet doet. Daarom denken ondernemers zelden aan strafrecht bij een controle op de bewaartemperatuur van een koeling, een ontbrekende risico-inventarisatie of een onjuiste douaneaangifte: de norm staat in een technische wet, de sanctie in een strafwet.

Onder de WED vallen onder meer voorschriften uit de Arbeidsomstandighedenwet, de Omgevingswet, de Warenwet, de Wet dieren, de Meststoffenwet, de Algemene douanewet, de Wet op het financieel toezicht, de Telecommunicatiewet en de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft).

Welke ondernemingsdelicten vallen juist niet onder de WED?

Het onderscheid bepaalt welke instantie onderzoek doet, welke bevoegdheden zij heeft, welke verjaringstermijn geldt en of u een boetebesluit of een dagvaarding krijgt.

GedragingEconomisch delict (WED)?Waar geregeldHandhaving
Overtreding Arbo-, milieu-, voedsel- of douaneregelsJaBijzondere wet plus art. 1 en 1a WEDToezichthouder, bijzondere opsporingsdienst, functioneel parket
Geen cliëntenonderzoek of geen melding ongebruikelijke transactieJaWwft plus WEDToezichthouder of OM
WitwassenNeeArt. 420bis tot en met 420quater SrPolitie, FIOD, OM
Valsheid in geschriftNeeArt. 225 SrOM
OmkopingNeeOnder meer art. 177 en 328ter SrOM
BelastingfraudeNeeAlgemene wet inzake rijksbelastingenBelastingdienst, FIOD, OM
KartelafspraakNee, geen strafbaar feitMededingingswetACM, bestuurlijke boete

Bij de Wwft is het verschil goed te zien. Witwassen zelf is een commuun delict. Wat wel een economisch delict is, is het schenden van de Wwft-verplichtingen, zoals het nalaten van cliëntenonderzoek. Bij kartelafspraken legt de Autoriteit Consument en Markt bestuurlijke boetes op, die de onderneming en soms de feitelijk leidinggevende treffen.

Wanneer is een economisch delict een misdrijf en wanneer een overtreding?

Artikel 2 WED maakt dat afhankelijk van twee factoren: in welke categorie van artikel 1 WED het voorschrift staat, en of het feit opzettelijk is begaan. Opzettelijk begane feiten uit de zwaarste categorieën zijn misdrijven; de overige zijn overtredingen. Dat verschil werkt door in de strafmaat, de verjaringstermijn (artikel 70 Sr) en de gevolgen voor uw justitiële documentatie.

Opzet in het strafrecht is ruimer dan “expres”. Ook voorwaardelijk opzet telt: wie zich bewust is van de aanmerkelijke kans dat een voorschrift wordt overtreden en die kans aanvaardt, handelt opzettelijk. Een leidinggevende die signalen over een lekkende opslagtank naast zich neerlegt, kan zich er dus niet op beroepen dat hij het niet zo bedoelde.

Het opzet bij een economisch delict is bovendien kleurloos. Het hoeft alleen gericht te zijn op de gedraging zelf, niet op de wetenschap dat die gedraging verboden is. Wie bewust afval stort of goederen zonder vergunning uitvoert, handelt opzettelijk, ook als hij het voorschrift niet kende. De rechter leidt opzet af uit de omstandigheden: eerdere waarschuwingen of controles, de deskundigheid die van de onderneming mocht worden verwacht en het stelselmatige karakter van de overtreding. Kan opzet niet worden bewezen, dan blijft een overtreding over.

Voor die overtreding hoeft het Openbaar Ministerie geen opzet of schuld te bewijzen. De verdachte kan zich wel beroepen op afwezigheid van alle schuld, door aan te tonen dat de onderneming alles heeft gedaan wat redelijkerwijs kon worden verwacht om de overtreding te voorkomen. Wanneer dat verweer slaagt, leest u in ons artikel over strafuitsluitingsgronden.

Wanneer is het bedrijf zelf strafbaar? Het Drijfmestarrest

Artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht maakt strafbare feiten door rechtspersonen mogelijk. De maatstaf formuleerde de Hoge Raad op 21 oktober 2003 in het Drijfmestarrest (ECLI:NL:HR:2003:AF7938). In die zaak was drijfmest gebracht op niet-beteelde grond. De Hoge Raad vernietigde de uitspraak van het hof, omdat het hof niet concreet had vastgesteld waarom die gedraging aan de rechtspersoon kon worden toegerekend.

Een gedraging kan in beginsel worden toegerekend als zij heeft plaatsgevonden “in de sfeer van de rechtspersoon”. De Hoge Raad noemt daarvoor vier omstandigheden:

  • de gedraging is verricht door iemand die voor de rechtspersoon werkzaam is, ook zonder dienstverband;
  • de gedraging past in de normale bedrijfsvoering;
  • de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest;
  • de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging plaatsvond, en zij werd door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard. Onder aanvaarden valt ook het niet betrachten van de zorg die redelijkerwijs van de rechtspersoon kon worden gevergd om de gedraging te voorkomen.

Die laatste omstandigheid is in de praktijk beslissend: kon de onderneming ingrijpen en heeft zij dat nagelaten? Daaruit volgt meteen het belangrijkste verweer. Wie kan laten zien dat er duidelijke instructies waren, dat op naleving werd toegezien en dat bij signalen werd ingegrepen, ondergraaft de toerekening. Een compliancehandboek dat niemand kent, doet dat niet. Hoe u voorkomt dat een fout van één werknemer de vennootschap strafbaar maakt, staat in onze uitleg over strafrecht en ondernemingen.

Wanneer bent u als bestuurder feitelijk leidinggever?

Naast de rechtspersoon kan het OM ook vervolgen wie tot het feit opdracht heeft gegeven of daaraan feitelijk leiding heeft gegeven (artikel 51 lid 2 Sr). Het beoordelingskader staat in het arrest van de Hoge Raad van 26 april 2016 (ECLI:NL:HR:2016:733).

Eerst moet vaststaan dat de rechtspersoon het feit heeft begaan. Een bestuurlijke positie is voor feitelijk leidinggeven niet voldoende, maar ook niet vereist. Ook een passieve rol kan volstaan: wie bevoegd en redelijkerwijs gehouden is maatregelen te treffen en dat nalaat, kan de verboden gedraging zo bevorderen dat van feitelijk leidinggeven sprake is. Daarbij geldt een eigen opzetvereiste: de leidinggevende moet ten minste bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat de verboden gedraging zich zou voordoen.

Ook een manager zonder statutaire titel of een aandeelhouder die zich met de operatie bemoeit, kan dus feitelijk leidinggever zijn. Waar die grens ligt, beschrijven wij in het artikel over de feitelijk bestuurder. Omgekeerd is een bestuurder die aantoonbaar heeft ingegrepen, geen leidinggever aan het feit. De vervolging van de rechtspersoon staat los van die van natuurlijke personen: het OM kan alleen de vennootschap dagvaarden, alleen de leidinggevende, of beiden.

Wie houdt toezicht en wie spoort op?

Het toezicht ligt bij sectorale toezichthouders: de Nederlandse Arbeidsinspectie voor arbeidsomstandigheden en arbeidsmarktfraude, de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) voor voedsel, dieren en consumentenproducten, de Inspectie Leefomgeving en Transport en de omgevingsdiensten voor milieu, de AFM en De Nederlandsche Bank voor de financiële sector, de Kansspelautoriteit voor kansspelen en de Douane voor grensoverschrijdend goederenverkeer.

De opsporing ligt bij de bijzondere opsporingsdiensten, waaronder de FIOD en de opsporingsdiensten van de NVWA en de ILT, onder gezag van het functioneel parket van het Openbaar Ministerie. Dat parket brengt zaken voor de economische kamer van de rechtbank; bij eenvoudige zaken oordeelt de economische politierechter. Wat er gebeurt wanneer een controle in een strafzaak overgaat, beschrijven wij bij de strafrechtelijke kant van de NVWA, en uw positie in een fraudeonderzoek bij een FIOD-onderzoek.

Meewerken of zwijgen bij een controle of inval?

Zolang het om toezicht gaat, gelden de bevoegdheden van hoofdstuk 5 van de Algemene wet bestuursrecht. Een toezichthouder mag plaatsen betreden, inzage vorderen in de administratie en monsters nemen. Op grond van artikel 5:20 Awb bent u verplicht daaraan mee te werken; weigeren is zelf strafbaar.

Zodra u als verdachte wordt aangemerkt, kantelt het beeld. Dan geldt het zwijgrecht van artikel 29 Sv en moet u voor een verhoor de cautie krijgen. Bij een voorgenomen bestuurlijke boete geeft artikel 5:10a Awb dezelfde bescherming. De plicht om mee te werken blijft bestaan voor materiaal dat onafhankelijk van uw wil bestaat, zoals administratie, maar niet voor verklaringen.

Leg bij een controle vast wie er komt, met welke bevoegdheid en op welke grondslag. Vraag om een schriftelijke vordering, geef geen inhoudelijke toelichting zonder overleg en zorg dat medewerkers weten dat zij niet hoeven te verklaren zodra zij verdachte zijn. Correspondentie met uw advocaat valt onder het verschoningsrecht (artikel 218 Sv) en hoort niet in beslag te worden genomen; wijs daar bij een doorzoeking uitdrukkelijk op.

Krijgt u een bestuurlijke boete of een strafvervolging?

Voor hetzelfde feit krijgt u het een of het ander, niet allebei. Artikel 5:44 Awb en artikel 243 lid 2 Sv leggen dat una-via-beginsel vast: is voor een feit een bestuurlijke boete opgelegd, dan is strafvervolging voor datzelfde feit uitgesloten, en omgekeerd.

Wat wel voorkomt, is dat verschillende sporen naast elkaar lopen: een last onder dwangsom om de overtreding te beëindigen, intrekking of schorsing van een vergunning, en daarnaast een strafrechtelijke afdoening voor het feit zelf. Herstelsancties zijn geen straf. Hoe die sporen zich tot elkaar verhouden, leest u in ons artikel over samenloop van bestuurlijke en strafrechtelijke sancties.

De keuze tussen beide sporen wordt gemaakt in overleg tussen de toezichthouder en het OM, aan de hand van de ernst van het feit, de mate van opzet, recidive en het behaalde voordeel. Daarom loont het om vroeg met een onderbouwd verhaal te komen.

Kiest de toezichthouder voor een bestuurlijke boete, dan ontvangt u eerst een voornemen, waarop u een zienswijze kunt geven. Tegen het boetebesluit staat bezwaar open (zes weken, artikel 6:7 Awb) en daarna beroep bij de bestuursrechter, die de hoogte en evenredigheid van de boete volledig toetst. Een bestuurlijke boete wordt niet in de justitiële documentatie opgenomen, maar de financiële en reputatiegevolgen kunnen groot zijn.

Welke straffen en maatregelen kent de WED?

Artikel 6 WED bevat de strafmaxima. Voor de zwaarste opzettelijk begane economische misdrijven loopt de gevangenisstraf op tot zes jaren, met daarnaast een geldboete. Voor rechtspersonen draait het om de geldboete. Artikel 23 lid 7 Sr staat de rechter toe een boete uit de naast hogere categorie op te leggen als de gewone categorie geen passende bestraffing toelaat; bij de hoogste categorie kan de boete dan oplopen tot tien procent van de jaaromzet van de rechtspersoon.

Artikel 7 WED voegt bijkomende straffen toe die in de praktijk vaak zwaarder wegen dan de boete zelf:

  • gehele of gedeeltelijke stillegging van de onderneming;
  • verbeurdverklaring van goederen en van het met het delict behaalde voordeel;
  • ontzetting van bepaalde rechten en ontneming van voordelen die uit de bedrijfsvoering voortvloeien;
  • openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.

Artikel 8 WED kent daarnaast maatregelen, waaronder onderbewindstelling van de onderneming. Los van de WED kan het OM op grond van artikel 36e Sr het wederrechtelijk verkregen voordeel ontnemen; die vordering wordt afzonderlijk ingesteld en kan groter zijn dan de boete.

Hoe verloopt een strafzaak over een economisch delict?

  1. Controle, melding of signaal: de toezichthouder constateert een overtreding en stelt een rapport op. Vaak wordt al bewijs veiliggesteld: administratie, e-mail, logbestanden en verklaringen van medewerkers.
  2. Afdoeningsbeslissing van het OM: sepot, transactie, strafbeschikking of dagvaarding.
  3. Strafbeschikking: een straf zonder rechter. Verzet moet binnen veertien dagen na bekendmaking worden gedaan (artikel 257e Sv); daarna komt de zaak alsnog bij de rechter.
  4. Zitting bij de economische kamer: de rechter beoordeelt of het voorschrift is overtreden, of het feit aan de rechtspersoon kan worden toegerekend en of er een rechtvaardigings- of schulduitsluitingsgrond is.
  5. Hoger beroep bij het gerechtshof binnen veertien dagen (artikel 408 Sv), en daarna cassatie bij de Hoge Raad.

Houd ook de verjaring in het oog: de termijnen van artikel 70 Sr zijn gekoppeld aan het strafmaximum, zodat overtredingen sneller verjaren dan misdrijven. Een transactie of strafbeschikking betekent bovendien niet dat de zaak geruisloos verdwijnt; bij grotere zaken maakt het OM de afdoening openbaar.

Hoe maakt u naleving aantoonbaar binnen uw onderneming?

Begin bij de vraag welke bijzondere wetten uw bedrijfsvoering raken. Een transportbedrijf heeft met andere voorschriften te maken dan een levensmiddelenproducent of een financieel dienstverlener. Vertaal die normen naar concrete handelingen op de werkvloer en leg vast wie waarvoor verantwoordelijk is. Een verantwoordelijkheid die nergens is belegd, is precies het gat waardoor de toerekening uit het Drijfmestarrest loopt.

Registreer keuringen, trainingen, interne meldingen en de opvolging daarvan. Richt een meldkanaal in waarlangs medewerkers misstanden kunnen aankaarten, en handel meldingen ook af: een interne waarschuwing die niet is opgevolgd, is in een strafzaak het meest schadelijke document dat er is. Milieuvoorschriften verdienen bijzondere aandacht, omdat handhaving daar snel strafrechtelijk wordt; zie onze uitleg over milieudelicten en strafrechtelijke handhaving.

Vergeet de keten niet. Een onderneming kan ook worden aangesproken op gedragingen van ingeschakelde derden, zoals een onderaannemer, een uitzendbureau of een afvalverwerker. De toerekening loopt dan via de vraag of u over de gedraging vermocht te beschikken en of u de naleving hebt gecontroleerd. Neem nalevingsverplichtingen op in uw inkoopvoorwaarden, beding een auditrecht en registreer de uitgevoerde controles.

Ontdekt u zelf een overtreding, laat dan eerst juridisch beoordelen wat u meldt en aan wie. Een melding kan meewegen in de afdoening, maar een ondoordachte melding levert het onderzoek ook meteen het bewijs. Beëindig de overtreding, leg de feiten intern vast en bepaal daarna pas de route naar buiten.

Wat betekent een economisch delict voor vergunningen en opdrachten?

De sanctie is zelden het einde van het verhaal. Op grond van de Wet Bibob mogen bestuursorganen een vergunning weigeren of intrekken als er ernstig gevaar bestaat dat die mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen of om voordelen uit strafbare feiten te benutten. Daarbij telt ook het verleden van bestuurders en van gelieerde vennootschappen mee.

De Aanbestedingswet 2012 kent verplichte uitsluitingsgronden voor bepaalde onherroepelijke veroordelingen en facultatieve gronden voor onder meer een ernstige beroepsfout. U kunt uitsluiting afwenden door aan te tonen dat u de schade hebt vergoed, hebt meegewerkt aan het onderzoek en concrete maatregelen hebt genomen om herhaling te voorkomen. Leg verbetermaatregelen daarom schriftelijk vast op het moment dat u ze neemt.

Ook bij de aanvraag van een verklaring omtrent het gedrag voor rechtspersonen beoordeelt Justis de antecedenten van de rechtspersoon en van de betrokken bestuurders. Reken die gevolgen mee bij de vraag of u een transactie of strafbeschikking accepteert.

Wat wij doen bij een verdenking van een economisch delict

  • Beoordelen op welke grondslag de toezichthouder of opsporingsdienst optreedt en waaraan u op grond van artikel 5:20 Awb moet meewerken.
  • Bestuurders en medewerkers voorbereiden op een verhoor en het zwijgrecht van artikel 29 Sv bewaken.
  • Toetsen of het feit volgens de Drijfmest-criteria aan de rechtspersoon kan worden toegerekend en of u als feitelijk leidinggever kunt worden aangemerkt.
  • Een aangeboden transactie of strafbeschikking beoordelen en zo nodig binnen veertien dagen verzet doen.
  • Een zienswijze geven op een boetevoornemen en bezwaar en beroep voeren tegen een bestuurlijke boete.

Economische delicten in vijf punten

  • Een economisch delict is de overtreding van een voorschrift dat de WED uitdrukkelijk noemt; witwassen, omkoping en belastingfraude vallen er niet onder.
  • Een bedrijf is strafbaar als de gedraging in zijn sfeer plaatsvond (HR 21 oktober 2003, Drijfmest); beslissend is vaak of het kon ingrijpen.
  • Een bestuurder of manager kan ook bij een passieve rol feitelijk leidinggever zijn, mits hij de aanmerkelijke kans bewust aanvaardde (HR 26 april 2016).
  • Aan toezicht moet u meewerken; als verdachte heeft u zwijgrecht, maar bestaande administratie moet u verstrekken.
  • Voor hetzelfde feit volgt een bestuurlijke boete of strafvervolging, niet allebei.

Veelgestelde vragen

Krijgt een bestuurder een strafblad van een economisch delict?

Als de bestuurder zelf wordt veroordeeld of een strafbeschikking accepteert, wordt dat in de justitiële documentatie opgenomen. Een veroordeling van uitsluitend de rechtspersoon staat niet op het strafblad van de bestuurder, maar kan wel meewegen bij een Bibob-toets of een VOG voor de rechtspersoon.

Kan de onderneming direct worden stilgelegd?

Als bijkomende straf kent artikel 7 WED gehele of gedeeltelijke stillegging. Daarnaast kan een toezichthouder langs bestuursrechtelijke weg activiteiten laten staken, bijvoorbeeld met een last onder bestuursdwang. Daartegen staan bezwaar en een verzoek om een voorlopige voorziening open.

Wilt u weten of wij u kunnen helpen?

Plan een gratis kennismaking. Daarin bespreken wij of wij u kunnen helpen en wat dat kost. Inhoudelijk advies valt er niet onder. Wij beoordelen geen zaken of stukken per e-mail zonder opdracht.

Dit artikel geeft algemene informatie en vervangt geen advies over uw specifieke situatie.

Wilt u weten of wij u kunnen helpen?

Plan een gratis kennismaking. Daarin bespreken wij of wij u kunnen helpen en wat dat kost. Inhoudelijk advies valt er niet onder. Wij beoordelen geen zaken of stukken per e-mail zonder opdracht.

Dit artikel geeft algemene informatie en vervangt geen advies over uw specifieke situatie.