facebook lawandmore.nl   instagram lawandmore.nl   linkedin lawandmore.nl   twitter lawandmore.nl

Afspraak

Law & More Logo

Echtscheiding Wie Krijgt De Woning - Law & More
Blog, Echtscheiding

Wie mag tijdens en na de echtscheiding in de echtelijke woning blijven wonen?

Nadat echtgenoten hebben besloten om te gaan scheiden, blijkt het vaak niet meer mogelijk om nog langer samen onder een dak in de echtelijke woning te blijven wonen. Om onnodige spanningen te voorkomen zal een van de partijen dan ook moeten vertrekken. Vaak lukt het de echtgenoten om hier samen afspraken over te maken, maar wat zijn de mogelijkheden als dat niet lukt?

Gebruik van de echtelijke woning tijdens de echtscheidingsprocedure

Wanneer de echtscheidingsprocedure bij de rechtbank nog niet is afgerond, kan er in een afzonderlijke procedure om voorlopige voorzieningen worden gevraagd. Een voorlopige voorziening is een soort spoedprocedure waarbij een uitspraak wordt gegeven voor de duur van de echtscheidingsprocedure. Een van de voorzieningen die men kan vragen, is het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning. De rechter kan dan beslissen dat het exclusief gebruik van de echtelijke woning aan een van de echtgenoten wordt toegekend en dat het de andere echtgenoot niet meer is toegestaan om de woning te betreden.

Het kan soms ook voorkomen dat beide echtgenoten om het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning verzoeken. In zo een geval zal de rechter een belangenafweging maken en aan de hand daarvan bepalen wie er het meeste recht en belang bij heeft om het gebruik van de woning te krijgen. Bij de beslissing van de rechter wordt rekening gehouden met alle omstandigheden van het geval.

Daarbij kunt u bijvoorbeeld denken aan het volgende: wie heeft de beste mogelijkheden om tijdelijk ergens anders te verblijven, wie zorgt voor de kinderen, is een van de partners voor zijn of haar werk gebonden aan het huis, zijn er speciale voorzieningen aanwezig in de woning voor invaliden etc. Nadat de rechter een beslissing heeft genomen, dient de echtgenoot aan wie het gebruiksrechtsrecht niet is toegekend, de woning te verlaten. Deze echtgenoot mag de echtelijke woning daarna ook niet meer betreden zonder toestemming.

Birdnesting

Het komt in de praktijk ook steeds vaker voor dat rechters kiezen voor de methode van birdnesting. Dit houdt in dat de kinderen van partijen in de woning blijven wonen en dat de ouders om en om in de echtelijke woning verblijven. De ouders kunnen een omgangsregeling afspreken waarbij de zorgdagen van de kinderen worden verdeeld. De ouders kunnen dan op basis van de omgangsregeling bepalen wie, wanneer in de echtelijke woning verblijft en wie dus op die dagen elders dient te verblijven.

Een voordeel van birdnesting is dat voor de kinderen een zo rustig mogelijke situatie wordt gecreëerd omdat zij een vaste basis zullen hebben. Ook zal het voor beide echtgenoten eenvoudiger te realiseren zijn om een woonruimte voor zichzelf te vinden in plaats van een woonruimte voor het hele gezin.

Gebruik van de echtelijke woning na de echtscheiding

Het kan soms ook voorkomen dat de echtscheiding is uitgesproken, maar dat partijen nog steeds blijven discussiëren over de vraag wie de echtelijke woning mag bewonen totdat deze definitief is verdeeld. In dat geval kan bijvoorbeeld de partij die op het moment dat de echtscheiding werd ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand de woning bewoonde, aan de rechtbank verzoeken om deze woning gedurende een periode van zes maanden te mogen blijven bewonen met uitsluiting van de andere ex-echtgenoot.

De partij die het gebruik van de echtelijke woning kan voortzetten, dient in de meeste gevallen een gebruiksvergoeding te betalen aan de vertrekkende partij. De periode van zes maanden gaat in op het moment dat de echtscheiding wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Na afloop van deze termijn, hebben beide echtgenoten in principe weer recht op gebruik van de echtelijke woning. Indien de woning na deze termijn van zes maanden nog gemeenschappelijk is, kunnen partijen de kantonrechter verzoeken om een uitspraak te doen over het gebruik van de woning.

Wat gebeurt er met de eigendom van de woning na de echtscheiding?

Partijen zullen in het kader van de echtscheiding ook afspraken moeten maken over de verdeling van de woning, indien zij de woning in gemeenschappelijk eigendom hebben. De woning kan in dat geval worden toegedeeld aan een van partijen of worden verkocht aan een derde. Hierbij is het belangrijk dat er goede afspraken worden gemaakt over de verkoop- of overnameprijs, de verdeling van de overwaarde, het dragen van de restschuld en het ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld.

Indien u er niet samen uit kunt komen, dan kunt u zich ook tot de rechter wenden met het verzoek om de woning aan een van partijen toe te delen of te bepalen dat de woning moet worden verkocht. Indien u samen in een huurwoning woont, kunt u de rechter verzoeken om het huurrecht van de woning aan een van partijen toe te kennen.

Bent u verwikkeld in een echtscheiding en heeft u discussie over het gebruik van de echtelijke woning? Dan kunt u uiteraard contact opnemen met onze scheidingsadvocaten. Onze ervaren advocaten voorzien u graag van advies.

Scheiden en verblijfsvergunning: Wat te doen?
Blog, Immigratierecht

De gevolgen van scheiden voor uw verblijfsvergunning

Heeft u een verblijfsvergunning in Nederland op basis van een huwelijk met uw partner? Dan kan het verbreken van uw huwelijk gevolgen hebben voor uw verblijfsvergunning. Immers, wanneer uw huwelijk wordt verbroken en u gaat scheiden, voldoet u niet meer aan de voorwaarden, vervalt uw recht op de verblijfsvergunning en kan deze door de IND derhalve worden ingetrokken. Voor de vraag of en op welke grond u na de scheiding in Nederland kan blijven, dienen de volgende situaties te worden onderscheiden.

U heeft kinderen

Wordt uw huwelijk met uw partner verbroken, maar heeft u gezamenlijke kinderen die minderjarig zijn? Dan bestaat er in de volgende gevallen een mogelijkheid om de verblijfsvergunning in Nederland te behouden:

U had een relatie met een Nederlander en uw kinderen zijn Nederlander. In dat geval kunt u uw verblijfsvergunning behouden indien u aantoont dat tussen en uw Nederlandse minderjarige kind een zodanige afhankelijkheidsrelatie bestaat dat uw kind gedwongen zou zijn om het grondgebied van de EU te verlaten als u geen verblijfsrecht wordt verleend. Van een afhankelijkheidsrelatie is doorgaans sprake wanneer u daadwerkelijke zorg- en/of opvoedingstaken verricht.

U had een relatie met een Unieburger en uw kinderen zijn Unieburger. U heeft dan de mogelijkheid om uw verblijfsvergunning te behouden indien sprake is van eenhoofdig gezag of van een door de rechter vastgestelde omgangsregeling de uitvoering waarvan in Nederland dient plaats te vinden. U dient daarbij wel aan te tonen dat u beschikt over voldoende middelen om het gezin te onderhouden, zodat er geen beroep zal worden gedaan op de publieke kas. Gaan uw kinderen in Nederland naar school? Dan komt u mogelijk in aanmerking voor een vrijstelling van het voorgaande.

U had een relatie met een niet-Unieburger en uw kinderen zijn niet-Unieburger. In dat geval wordt het lastig om uw verblijfsvergunning te behouden. U kunt dan slechts behoud van verblijfsrecht bij de minderjarige kinderen verzoeken op grond artikel 8 van het EVRM. Dit artikel regelt het recht op bescherming van familie en gezinsleven. Voor de vraag of het beroep op dit artikel daadwerkelijk wordt gehonoreerd zijn diverse factoren van belang. Het is daarom zeker geen gemakkelijke weg.

U heeft geen kinderen

Wanneer u geen kinderen heeft en u gaat scheiden, komt uw verblijfsvergunning te vervallen omdat u dan niet meer samen bent met de persoon waarvan uw verblijfsrecht afhankelijk was. Wilt u na uw scheiding in Nederland blijven? Dan heeft u een nieuwe verblijfsvergunning nodig. Om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning moet u voldoen aan bepaalde voorwaarden. De IND toetst of u voldoet aan deze voorwaarden. Voor welke verblijfsvergunning u in aanmerking komt, is afhankelijk van uw situatie. Er kunnen volgende situaties worden onderscheiden:

U komt uit een EU-land. Heeft u de nationaliteit van een EU-land, EER-land of Zwitserland? Dan mag u volgens de Europese regels in Nederland wonen, werken of een bedrijf beginnen en studeren. Gedurende de periode waarin u (één van) deze activiteiten verricht, kunt u zonder uw partner in Nederland verblijven.

U heeft meer dan 5 jaar een verblijfsvergunning. In dat geval kunt u een zelfstandige verblijfsvergunning aanvragen. U dien daartoe wel aan de volgende voorwaarden voldoen: u heeft minimaal 5 jaar een verblijfsvergunning voor verblijf bij dezelfde partner gehad, uw partner is Nederlander of heeft een verblijfsvergunning voor een niet-tijdelijk verblijfsdoel en u heeft een inburgeringsdiploma of een vrijstelling hiervoor.

U bent van Turkse afkomst. Voor Turkse werknemers en hun gezinsleden gelden gunstigere regels om in Nederland te blijven na een echtscheiding. Vanwege de afspraken tussen Turkije en de Europese Unie kunt u al na 3 jaar een zelfstandige verblijfsvergunning aanvragen. Bent u al drie jaar getrouwd, dan kunt u al na 1 jaar een verblijfsvergunning aanvragen om op zoek te gaan naar werk.

Wordt uw verblijfsvergunning als gevolg van scheiding ingetrokken en wordt uw aanvraag met betrekking tot een andere verblijfsvergunning afgewezen? Dan is er sprake van een terugkeerbesluit en wordt u een termijn gegeven waarbinnen u Nederland moet verlaten. Dit termijn wordt verlengd wanneer tegen de afwijzing of intrekking bezwaar of beroep wordt ingesteld. De verlenging duurt tot de beslissing op bezwaar van de IND of de uitspraak van de rechter. Wanneer u in Nederland bent uitgeprocedeerd en u Nederland niet binnen de gestelde termijn verlaat, is uw verblijf in Nederland illegaal. Dit kan voor u vergaande consequenties hebben.

Bij Law & More begrijpen wij dat scheiding voor u een emotioneel zware tijd betekent. Tegelijkertijd is het verstandig om na te denken over uw verblijfsvergunning als u in Nederland wilt blijven. Een goed inzicht in de situatie en de mogelijkheden is daarbij van belang. Law & More kan u helpen om uw juridische positie te bepalen en desgewenst de aanvraag voor het behoud dan wel nieuwe verblijfsvergunning voor u uit handen nemen. Heeft u nog andere vragen of herkent u zich in een van de bovenstaande situaties? Neem dan contact op met de scheidingsadvocaten van Law & More.

Arbeidsrecht en Coronacrisis: Uw Rechten en Plichten
Blog, Arbeidsrecht

Arbeidsrecht en de Coronacrisis

De gevolgen van de Coronacrisis voor uw bedrijf en wat u kunt doen

Een groot risico op besmetting met het Coronavirus is een feit geworden. Nu steeds meer mensen hiermee worden geconfronteerd, nemen de zorgen bij werkgevers toe. Uit voorzorg raadt het kabinet aan om tot en met 6 april 2020 zoveel mogelijk thuis te werken. In dit blog leest u welke gevolgen het coronavirus vanuit arbeidsrechtelijk perspectief voor uw bedrijf kan hebben en wat u hiertegen kunt doen.

Zorgplicht werkgever

In Nederland geldt dat werkgevers tegenover werknemers een zorgplicht hebben. Op grond van artikel 7:658 van het Burgerlijke Wetboek (BW) en de Arbowetgeving heeft de werkgever de verplichting om zoveel als in redelijkheid mogelijk zorg te dragen voor de veiligheid van de werkomgeving waarin zijn werknemers werkzaam zijn en de gezondheid van deze werknemers. Op grond van die verplichting dient een werkgever maatregelen te nemen die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat een werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. In dit kader adviseert de overheid werkgevers dan ook om het personeel goed in te lichten over de symptomen van het coronavirus en om daarnaast duidelijk op hygiënevoorschriften te wijzen.

Hierbij kunt u denken aan het regelmatig aanvullen van de zeepdispensers, het aanbieden van desinfecterende gels en tissues op de werkplekken en het instrueren van de schoonmaakkrachten om extra aandacht te geven aan voorwerpen die het meest aangeraakt worden. Indien er geen gehoor wordt gegeven aan overheidsmaatregelen kan de werkgever de werknemer middels het instructierecht uit artikel 7:660 BW verplichte opvolging opleggen. De werknemer is dan verplicht om hieraan gehoor te geven. Ook zou een werkgever werknemers, voor zover de werkzaamheden dit natuurlijk toelaten, meer mogelijkheden kunnen bieden om thuis te werken.

Hoe ver de zorgplicht van de werkgever strekt, zal per branche verschillen. In branches waar besmetting meer voor de hand ligt, zoals de zorg of het openbare vervoer, mag van een werkgever meer verwacht worden ten aanzien van de te nemen voorzorgsmaatregelen.

Als een werknemer zich meldt met het vermoeden van een besmetting, dan kan de werkgever de werknemer – uit hoofde van de zorgplicht voor andere werknemers – de toegang tot de werkplek ontzeggen. Geadviseerd wordt om de werknemers vervolgens direct telefonisch contact op te laten nemen met de huisarts of bedrijfsarts en deze over de symptomen te informeren. Het is overigens niet toegestaan om een werknemer te verplichten om zich te laten testen op het coronavirus. Een werkgever mag strikt genomen bij een eventuele ziekmelding ook niet vragen naar de aard van de ziekte en dus of de werknemer het coronavirus heeft: een bedrijfsarts mag dat wel.

In het kader van het belang van de werkgever en andere personeelsleden – met betrekking tot de openbare orde en om verdere uitbraak te voorkomen binnen het bedrijf zodat andere werknemers worden beschermd – prevaleert nationale veiligheid boven de privacy van de werknemer en mag van dit uitgangspunt in sommige gevallen afgeweken worden. Indien van deze situatie sprake is, kan de werkgever het beste ervoor kiezen om geen naam of andere herkenbare gegevens van de werknemer met het coronavirus te benoemen.

Geen arbeid, toch loon

Mensen die besmet zijn met het virus en daarvan klachten ondervinden, hebben recht op doorbetaling van loon op grond van de hoofdregel van artikel 7:629 lid 1 BW. Zij zijn immers ziek. Ook mensen die niet besmet zijn met het virus kunnen niet in staat zijn om te komen werken. Denk hierbij aan mensen die in contact zijn geweest met een coronapatiënt of mensen die verkoudheidsklachten hebben. In dat geval is geen sprake van ziekte, maar heeft een werknemer toch recht op loon. Sterker nog, met de huidige strikte quarantaineregels wordt het steeds moeilijker om niet thuis te blijven en te gaan werken.

Met de (gefaseerde) inwerkingtreding van de Wet Werk en Zekerheid (WWZ) is de hoofdregel van artikel 7:628 BW per 1 januari 2020 gewijzigd. De hoofdregel “geen arbeid, geen loon, tenzij” is gewijzigd in “geen arbeid, wel loon, tenzij”. Een werknemer behoudt dus wanneer hij geen arbeid verricht zijn recht op loon, tenzij het gaat om een omstandigheid die in redelijkheid voor rekening van de werknemer dient te komen.

Er zijn bepaalde exceptionele risicogevallen, welke in sommige gevallen niet voor rekening van werkgever – en dus wel voor rekening van werknemer – behoren te komen. Denk daarbij aan gevallen waarin geen arbeid kan worden verricht als gevolg van een natuurramp, noodtoestand of oorlogssituatie. Vooralsnog wordt de wereldwijde corona-uitbraak echter niet als een dergelijk exceptioneel risico aangemerkt, zodat ook bij ziekte als gevolg van een besmetting recht blijft bestaan op loon.

Dit recht op loon zal ook bestaan indien een werknemer (uit voorzorg) verplicht in quarantaine moet. Let op: dit staat niet ter beoordeling van de werknemer zelf. Er dient sprake te zijn van arbeidsongeschiktheid of door de overheid opgelegde maatregelen. Een werknemer die uit angst of vanwege opvolgbehoefte ’iedereen doet het dus ik ook’ thuisblijft zal dus geen recht hebben op loondoorbetaling.

Nu het coronavirus zich in Nederland verder verspreidt, zullen werkgevers mogelijk te maken krijgen met een hoger ziekteverzuim. Het uitgangspunt van het Nederlands arbeidsrecht is dat situaties van ziekte bij een werknemer voor rekening van de werkgever komen. Ook een werknemer die besmet raakt met het coronavirus en hierdoor (tijdelijk) geen werkzaamheden kan verrichten, behoudt dus aanspraak op (een gedeelte van het) loon.

Bij medewerkers die op dit moment, op bevel van buitenlandse overheden, in quarantaine zijn geplaatst kan niet worden gezegd dat het niet werken in redelijkheid voor rekening van de werknemer behoort te komen. Oftewel, het salaris moet gewoon worden doorbetaald. Voor medewerkers die doelbewust afreizen naar gebieden waar het coronavirus heerst en waar mogelijk zelfs een verscherpt of negatief reisadvies geldt, ligt dit anders. Doet deze laatste situatie zich voor, dan is het verstandig de medewerker schriftelijk te wijzen op mogelijke consequenties van de keuze die hij maakt om toch naar besmet gebied af te reizen.

Calamiteitenverlof en thuiswerken

Nu het coronavirus zich ook binnen Nederland verder verspreidt, is besloten dat de scholen tijdelijk te sluiten. Voor een werknemer kan het problematisch zijn om op een dergelijk korte termijn voor opvang van de kinderen te zorgen. In dat geval zal een werknemer op grond van de Wet Arbeid en Zorg (WaZo) mogelijk aanspraak kunnen maken op enkele uren (tot enkele dagen) calamiteitenverlof. Dit calamiteitenverlof zal wel slechts van korte duur zijn. Heeft een werknemer meer tijd nodig, dan zal gedacht kunnen worden aan het opnemen van vakantiedagen of onbetaald verlof.

Indien de werkzaamheden van de werknemer dit toelaten, is het tevens denkbaar dat afspraken worden gemaakt over thuiswerken. Werkgevers zouden ook voor de periode waarin het besmettingsrisico geldt een (tijdelijk) thuiswerkbeleid kunnen opstellen. Zo zou thuiswerken ook een oplossing kunnen zijn indien het bedrijf tijdelijk wordt gesloten. Wenst een werknemer op eigen initiatief thuis te werken en is dit voor de werknemer niet gebruikelijk? Dan zullen hierover in overleg met werkgever vooraf afspraken moeten worden gemaakt.

Loonrisico wel voor de werknemer?

Hoewel een werknemer die besmet is met het coronavirus in beginsel aanspraak zal hebben op loon, zijn hierop uitzonderingen mogelijk. Zo kan een werknemer het recht op loon verliezen indien de ziekte bijvoorbeeld door opzet is ontstaan. Hiervan zou onder omstandigheden bijvoorbeeld sprake kunnen zijn indien een werknemer ondanks een negatief reisadvies en duidelijke instructies van de werkgever toch een risicogebied heeft bezocht. Of sprake is van opzet zal uiteindelijk echter door de rechter moeten worden getoetst. Aangezien opzet in het kader van ziekte niet snel wordt aangenomen, vooral op dit moment, is moeilijk te voorspellen hoe deze toets uitpakt.

Noodpakket

Het kabinet heeft het noodpakket banen en economie afgekondigd. Dit noodpakket bestaat uit zeven maatregelen waarvan er twee zijn gericht op behoud van banen en doorbetaling van het salaris. Alleen de arbeidsrechtelijke onderwerpen van het noodpakket zullen hieronder verder uitgelegd worden.

Afschaffing regeling Werktijdverkorting

Indien een werkgever als gevolg van het coronavirus tijdelijk minder werk had voor zijn werknemers, bestond de mogelijkheid om een vergunning voor werktijdverkorting aan te vragen bij het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SWZ). De werkgever kwam hiervoor in aanmerking als er 2 tot 24 weken ten minste 20% minder werk was binnen het bedrijf.

Deze compensatie gold echter enkel voor werkvermindering en dus niet voor de werknemers die ziek of op last van de overheid thuiszaten. Door veel werkgevers is van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. Er zijn maar liefst 78.000 aanvragen ontvangen, terwijl de regeling werktijdverkorting is ontworpen om ongeveer 200 bedrijven per jaar te helpen. Dit heeft geleid tot problemen in de uitvoering van deze regeling. De regeling werktijdverkorting is daarom op 17 maart 2020 om 18.45 uur met onmiddellijke ingang ingetrokken.

De regeling werktijdverkorting is (tijdelijk) vervangen door de Noodmaatregel Overbrugging voor Werkbehoud (NOW). Deze regeling voorziet in een tegemoetkoming in de loonkosten in geval van omzetverlies van bedrijven dat is geleden vanaf 1 maart 2020. Om in aanmerking te komen voor de tegemoetkoming moet sprake zijn van een verwacht omzetverlies van minimaal 20%. Daarnaast mag het personeel niet worden ontslagen op grond van bedrijfseconomische redenen en moet het loon volledig moet worden doorbetaald. De hoogte van de tegemoetkoming in de loonkosten is afhankelijk van de terugval in omzet en is maximaal 90%.

De tegemoetkoming moet worden aangevraagd bij het UWV. Het UWV zal een voorschot verstrekken van 80% van de gevraagde tegemoetkoming. Achteraf wordt vastgesteld wat het daadwerkelijke verlies in omzet is geweest en kan een correctie plaatsvinden. Het is aan te raden om een accountant of een juridische deskundige in te schakelen voor deze kwestie. De tegemoetkoming in de loonkosten kan worden aangevraagd voor een periode van drie maanden. Deze periode kan eenmalig worden verlengd met nog eens drie maanden.

Doordat de NOW in de plaats treedt van de huidige regeling Werktijdverkorting, kan er geen werktijdverkorting meer worden aangevraagd. De aanvragen die al zijn gedaan, maar nog niet zijn afgehandeld, zullen volgens de nieuwe regeling worden afgehandeld.

Extra tijdelijke ondersteuning

Voor zelfstandige ondernemers, bijvoorbeeld eenmanszaken met financiële problemen, komt er een tijdelijke voorziening voor drie maanden. De voorziening bestaat uit een aanvullende uitkering voor levensonderhoud en een lening voor het bedrijfskapitaal. De uitkering voor levensonderhoud vult het inkomen aan tot het sociaal minimum. De hoogte van de inkomensondersteuning is afhankelijk van het inkomen en de samenstelling van het huishouden. Deze bedraagt maximaal ca. € 1.500 per maand netto. Deze ondersteuning hoeft niet te worden terugbetaald. Een versnelde procedure geldt ook voor aanvragen voor een lening voor een bedrijfskapitaal tot maximaal € 10.157. Het mogen uitstellen van de aflossingsverplichting is mogelijk. Ook zal een lagere rente worden gehanteerd.

WW-premiedifferentiatie

De hoge WW-premie voor flexibele contracten geldt niet voor vaste werknemers die door het coronavirus in een kalenderjaar meer dan 30% hebben overgewerkt. De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zal deze aanpassing van de wet voor kalenderjaar 2020 zo spoedig mogelijk uitwerken. Het uitstel, dat werkgevers hebben gekregen om een vaste arbeidsovereenkomst op schrift te stellen, wordt verlengd tot 1 juli 2020. Ook de coulanceregeling om het lage WW-percentage te hanteren voor werknemers, die op 31 december 2019 voor onbepaalde tijd in dienst waren, wordt verlengd tot en met 30 juni 2020.

Noodloket

Er komt een noodloket waar ondernemers een gift voor de eerste nood kunnen vragen. Deze gift geldt voor ondernemers die direct zijn getroffen door overheidsmaatregelen ter bestrijding van de coronacrisis en die daardoor een groot deel van hun omzet verliezen. De tegemoetkoming en de voorwaarden moeten nog worden uitgewerkt. Het betreft een eenmalig forfaitair bedrag van € 4.000 voor de periode van drie maanden.

Meer informatie

Heeft u vragen over welke maatregelen u binnen uw organisatie moet nemen? Dan kunt u uiteraard contact opnemen met een van de advocaten van Law & More.

Overmacht door de Coronacrisis begrijpen
Blog, Civiel Recht

Contractuele verplichtingen en de coronacrisis

Gevolgen van de coronacrisis voor contractuele verplichtingen

De verspreiding van het coronavirus COVID-19 (‘coronavirus’) raakt steeds meer Nederlandse ondernemers, zeker nu steeds strengere maatregelen worden genomen om nog meer besmettingen met het coronavirus te voorkomen. Een veel voorkomend probleem is dan ook dat de productie en het transport van producten op een laag pitje staat. Ook in de dienstverlenende sector is er op het moment geen normale doorgang van de levering van diensten.

Bedrijven zijn genoodzaakt om maatregelen te nemen om zoveel als mogelijk te voorkomen dat het eigen personeel besmet raakt met het coronavirus. Dit brengt confronterende, maar vaak onvermijdelijke situaties met zich mee zoals bijvoorbeeld het geval dat een toeleverancier niet meer in staat is om de gevraagde producten te leveren en als gevolg daarvan zijn afnemer zijn eigen verplichtingen richting de afnemers ook niet meer na kan komen. Ondernemers vragen zich dan ook terecht af welke gevolgen het coronavirus heeft voor de (niet-)nakoming van contractuele verplichtingen.

Overeenkomst

Het uitgangspunt in het Nederlandse contractenrecht is dat afspraken moeten worden nagekomen, zoals de Latijnse uitdrukking luidt: ‘pacta sunt servanda’. Wordt een verbintenis niet nagekomen, dan kunnen daar diverse gevolgen aan verbonden zijn. Een belangrijk gevolg van het niet-nakomen van een overeenkomst is het ontstaan van een schadevergoedingsverplichting. Uit artikel 6:74 van het Burgerlijk Wetboek (‘’BW’’) volgt dat de partij die tekortschiet in de nakoming van zijn verbintenis, verplicht is om de schade te vergoeden die daardoor is ontstaan.

Wel is vereist dat de tekortkoming van een partij toerekenbaar is. Een tekortkoming in de nakoming die toerekenbaar is, wordt ook wel wanprestatie genoemd. Andere mogelijke gevolgen zijn een beroep op nakoming door de andere partij, opschorting van de verplichtingen van de wederpartij of ontbinding van de overeenkomst.

Overmacht

Van overmacht, ook wel ‘force majeure’ genoemd, is sprake wanneer een tekortkoming in de nakoming niet aan een partij kan worden toegerekend. Dit is volgens artikel 6:75 BW het geval indien een tekortkoming niet te wijten is aan zijn schuld, noch krachtens wet, rechtshandeling of in het verkeer geldende opvatting voor zijn rekening komt. Van de partij die in overmacht verkeert kan in beginsel geen nakoming en schadevergoeding worden verlangd. In overeenkomsten geldt vaak een uitgebreidere definitie van overmacht dan die volgens artikel 6:75 BW.

Verhindering

Het gaat in overmachtssituaties aldus om een tekortkoming die bestaat uit een verhindering om een verbintenis na te komen. Let op: niet iedere verhindering kan leiden tot een geslaagd beroep op overmacht. Van doorslaggevende betekenis is vooral of de verhindering dermate ernstig is dat nakoming voor de desbetreffende partij onmogelijk moet worden geacht. Overigens geldt dat niet alleen de absolute onmogelijkheid om na te komen overmacht oplevert.

Ook bij zogenaamde relatieve onmogelijkheid kan sprake zijn van overmacht. Bij relatieve onmogelijkheid is een partij fysiek nog wel in staat om na te komen, maar is nakoming zo nadelig dat het in redelijkheid niet van de partij kan worden gevergd. Of in een concreet geval sprake is van overmacht, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. De vraag of de huidige verspreiding van het coronavirus een beroep op overmacht rechtvaardigt, is dan ook niet eenduidig te beantwoorden.

Het simpele feit dat nakoming door het coronavirus lastiger of duurder is, rechtvaardigt een beroep op een overmachtsclausule vaak niet. Een belangrijk aandachtspunt is voorts de verplichting van de partij die met overmacht wordt geconfronteerd, om maatregelen te nemen teneinde de gevolgen van de situatie zo veel mogelijk beperkt te houden; zijn er alternatieve mogelijkheden om de verplichtingen na te komen? Kan de fabrikant bijvoorbeeld gebruikmaken van andere basisgrondstoffen?

Of het Coronavirus kwalificeert als overmacht, hangt helemaal af van de formulering van de overmachtsclausule in het contract of de algemene voorwaarden. Partijen bij een overeenkomst kunnen namelijk zelf bepalen welke omstandigheden overmacht opleveren en kunnen deze dus ook zelf beperken. Vaak worden stakingen, weersomstandigheden, oorlogen of natuurrampen, maar ook transportproblemen ten gevolge van een tekort van transportmiddelen en overheidsmaatregelen genoemd in overmachtsclausules. Soms wordt ook een algemene omschrijving gebruikt zoals: “alle van buiten komende oorzaken waarop het bedrijf geen invloed heeft “.  Of ziektes, epidemieën en pandemieën onder dit soort algemene definities kunnen worden geschaard, is geen uitgemaakte zaak. Voor Corona lijkt ons dit, gezien de buitengewone ernst en omvang van deze crisis, echter wel in meerdere omstandigheden verdedigbaar.

Overmachtsclausule

Veel overeenkomsten en algemene voorwaarden bevatten een regeling over overmacht. Wat in deze regeling is opgenomen, kan de beoordeling of er sprake is van overmacht beïnvloeden. Ook kan in een regeling worden opgenomen wat de gevolgen van een overmachtssituatie zijn en hoe partijen moeten omgaan met een dreigende overmachtssituatie. De gevolgen kunnen nogal variëren. Hieronder wordt een opsomming gegeven van de meest voorkomende gevolgen:

  • Vervallen van aansprakelijkheid voor de gevolgen van de niet-nakoming;
  • Het recht op volledige opschorting van contractuele verplichtingen;
  • Opnieuw in onderhandeling treden over de contractvoorwaarden;
  • Uitstel van de termijn tot nakoming (of levering);
  • De verplichting om eventuele schade zoveel mogelijk te beperken;
  • Het recht om de overeenkomst te beëindigen door één of beide partijen.

Een belangrijk advies is dan ook om in uw contract of algemene voorwaarden een goede regeling op te nemen voor overmacht die is afgestemd op uw onderneming. Daarin moet geregeld zijn wanneer er sprake is van overmacht en wat dat betekent voor de verplichtingen over en weer tussen partijen. En wat betekent dit voor het voortbestaan van het contract? Het al dan niet een beroep kunnen doen op overmacht kan namelijk grote gevolgen hebben voor uw bedrijf.

Let op: als u nu – ten tijde van de coronacrisis – een contract afsluit kunt u géén beroep meer doen op overmacht of onvoorziene omstandigheden. U zult dan specifiek voor deze situatie iets moeten vastleggen in een ‘corona-bepaling’.

Let op: controleer ook of u bepaalde garanties heeft afgegeven in uw contract. Als dat het geval is, zal een beroep op overmacht wellicht niet slagen.

Geen overmachtsclausule

Als er geen schriftelijke afspraken zijn gemaakt of een overmachtsclausule ontbreekt, valt u terug op het toepasselijk recht. Dat kan Nederlands recht zijn, maar bijvoorbeeld ook het recht van het land waar de wederpartij gevestigd is. Als Nederlands recht van toepassing is verklaard, hangt de vraag of sprake is van overmacht af van de specifieke omstandigheden van het geval. Indien u geen beroep kunt doen op overmacht, kunt u mogelijk alsnog niet aansprakelijk gesteld worden indien u een exoneratieclausule heeft opgenomen.

Onvoorziene omstandigheden

Als u geen beroep kunt doen op een overmachtsclausule, is een beroep op onvoorziene omstandigheden wellicht nog het proberen waard. Het moet daarbij gaan om omstandigheden die op het moment van sluiten van de overeenkomst nog in de toekomst lagen en die dusdanig zijn dat de wederpartij van degene die herziening van de overeenkomst verlangt, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding niet mag verwachten. De rechter dient zich daarbij echter terughoudend op te stellen. Slechts bij hoge uitzondering kan een contract wegens onvoorziene omstandigheden worden aangetast. Of het Coronavirus kwalificeert als een onvoorziene omstandigheid hangt wederom af van alle omstandigheden van het geval.

Risico op schade verkleinen en preventief handelen

Nu de gevolgen van het coronavirus steeds omvangrijker worden en ook steeds meer voelbaar, is het verstandig om uw contracten na te lopen om uw rechten en verplichtingen ten opzichte van uw contractspartijen te kunnen bepalen. Het risico op schade kan voorts verkleind worden door de volgende stappen te ondernemen:

  • Check zelf of laat door een deskundige checken of in het contract een overmachtsclausule is opgenomen, of het coronavirus als overmacht kwalificeert en wat de rechtsgevolgen van een beroep op overmacht zijn;
  • Informeer de wederpartij tijdig over de vertraging (vaak is in contracten een termijn opgenomen waarbinnen melding van de overmacht moet worden gedaan) of vraag aan de leverancier om een inschatting te maken van de gevolgen en de duur van de overmachtssituatie;
  • Ga eventueel op zoek naar een alternatieve wijze om alsnog aan het contract te kunnen voldoen indien de schade die anders te ontstaat té groot is;
  • Check of de schade eventueel onder de dekking van een verzekering valt;
  • Ga na of het verstandig is om op korte termijn nieuwe overeenkomsten aan te gaan gelet op het coronavirus.
  • Neem bij het aangaan van nieuwe contracten een overmacht-bepaling op die voor uw specifieke bedrijfsactiviteiten “corona-proof” en werkbaar is.

Meer informatie

Heeft u vragen over of u een beroep kunt doen op overmacht vanwege het Coronavirus en/of uw contracten in dat kader voldoende bescherming bieden, dan helpen wij u graag. Neem contact op met één van onze advocaten.

Good Manufacturing Practice (GMP) uitgelegd
Blog, Civiel Recht

Good Manufacturing Practice (GMP)

Binnen bepaalde industrieën worden fabrikanten aan strenge productienormen onderworpen. Dat is het geval bij de (humane en veterinaire) farmaceutische industrie, de cosmetica-industrie en de voedingsmiddelenindustrie. In deze branches is de Good Manufacturing Practice (GMP) een bekende term. GMP is een kwaliteitsborgingssysteem welke waarborgt dat het productieproces goed geregistreerd wordt en kwaliteit dus verzekerd is. Vanwege de grote rol binnen de farmaceutische en cosmetica-industrie wordt hierna slechts ingegaan op de GMP binnen die branches.

Geschiedenis

Al sinds het ontstaan van de beschaving zijn de mensen bezorgd over de kwaliteit en de veiligheid van voedsel en medicijnen. In 1202 ontstond de eerste Engelse levensmiddelenwetgeving. Pas veel later, in 1902, volgde de Wet op de biologische controle. Die werd ingevoerd in de VS voor de regulering van biologische producten. Er werd wettelijk vormgegeven aan het testen van producten op zuiverheid. De oorspronkelijke Food and Drug Act, die in 1906 werd gelanceerd, maakte het illegaal om besmette (vervalste) levensmiddelen te verkopen en eiste waarheidsgetrouwe etikettering.

Daarna zijn nog een aantal andere wetten in werking getreden. In 1938 werd de Food, Drug en Cosmetic Act ingevoerd. Die wet eiste van bedrijven een bewijs waaruit afgeleid kon worden dat hun producten veilig en zuiver waren voordat ze op de markt werden gebracht. De FDA heeft onderzoek gedaan naar besmette tabletten en onthulde dat zich in de fabriek ernstige onregelmatigheden afspeelden en dat niet meer herleid kon worden hoeveel andere tabletten nog besmet waren.

Dit incident heeft de FDA ertoe aangezet om de situatie hardhandig aan te pakken en recidive te voorkomen door de facturatie en kwaliteitscontroles in de gehele industrie in te voeren op basis van controlestandaarden voor alle farmaceutische producten. Dit leidde tot wat later GMP werd genoemd. De uitdrukking ”Goede manier van produceren” verscheen in de jaren 1962 als amendement op de Amerikaanse Food, Drug en Cosmetic Act.

De huidige Europese GMP-regels zijn ontwikkeld in Europa en de Verenigde staten. Uiteindelijk zijn Europese landen ook gaan samenwerken en hebben zij gemeenschappelijke GMP-richtlijnen opgesteld welke door de Europese Unie zijn geaccepteerd.

Daarnaast is er op dit moment nog veel meer internationale wet- en regelgeving waarin GMP-regels zijn opgenomen.

Wat is GMP?

GMP vertaalt letterlijk als ‘’een goede manier van produceren’’. GMP-regels zijn opgenomen in allerlei wetten, maar deze regels hebben in de kern hetzelfde doel. GMP wordt vooral grootschalig toegepast in de farmaceutische industrie. Zoals gezegd is het een kwaliteitswaarborgingssysteem. Bij GMP gaat het er in wezen om dat de kwaliteit van het productieproces gewaarborgd wordt. Alle stappen moeten nauwkeurig worden vastgelegd. De kwaliteit van een product kan nooit helemaal vastgesteld worden door de samenstelling te analyseren.

Niet alle onzuiverheden kunnen worden aangetoond en niet elk product kan worden geanalyseerd. De kwaliteit kan daarom alleen gewaarborgd worden indien ook het hele productieproces op een nauwkeurig voorgeschreven en gecontroleerde wijze wordt uitgevoerd. Een goede manier van produceren is onderdeel van de kwaliteitszorg bij het maken van geneesmiddelen. Alleen een zorgvuldig vastgelegd en gecontroleerd productieproces verzekert de kwaliteit van een geneesmiddel. Deze manier van produceren, genaamd Good Manufacturing Practice, is daarom een vereiste voor de productie van bijvoorbeeld geneesmiddelen.

GMP is tevens van aanmerkelijk belang in internationale samenwerkingsverbanden. De meeste landen accepteren alleen de invoer en verkoop van geneesmiddelen die volgens internationaal erkende GMP geproduceerd zijn. Overheden die de export van geneesmiddelen willen bevorderen, kunnen dit doen door GMP verplicht te stellen voor alle farmaceutische productie en door hun inspecteurs op te leiden in de GMP-voorschriften.

Bij GMP wordt nauwkeurig vastgelegd hoe en onder welke omstandigheden een geneesmiddel wordt gemaakt. Tijdens de productie worden alle grondstoffen, tussenproducten en het eindproduct gecontroleerd en wordt het proces precies bijgehouden op het zogenaamde bereidingsprotocol. Mocht er achteraf toch iets mis blijken te zijn met een bepaalde partij producten, dan kan men altijd achterhalen hoe het gemaakt is, wie het getest heeft en waar en welke grondstoffen er gebruikt zijn. Er kan eenvoudig gezien worden waar het precies mis is gegaan.

Terwijl een goede controle nodig is om de kwaliteit te waarborgen van farmaceutische producten, moet men zich realiseren dat het uiteindelijke doel van de kwaliteitscontrole het bereiken van perfectie in het productieproces is. Kwaliteitscontrole is in het leven geroepen om de consument te verzekeren dat een product voldoet aan de kwaliteitsnormen, juiste labeling en aan alle wettelijke eisen. Echter is kwaliteitscontrole alleen niet voldoende om alle doelen te bereiken. Er moet een toewijding zijn aan het opbouwen van kwaliteit en betrouwbaarheid in elk product, elke batch. Deze toewijding kan het beste omschreven worden als GMP.

Wet- en regelgeving

De GMP-richtlijnen zijn voor de verschillende industrieën in verschillende wetten en regels vastgelegd. Er is internationale wet- en regelgeving, maar er zijn ook regels op Europees en op nationaal niveau.

Internationaal

Voor bedrijven die exporteren naar Amerika zijn de GMP-regels die zijn vastgesteld door de Amerikaanse overheidsinstantie Food and Drug Administration (FDA) van toepassing. Zij handhaven de regels op grond van titel 21 van de Code of Federal Regulations. De richtsnoeren zijn daar bekend onder de term ‘’Current Good Manufacturing Practice (cGMP)’’

Europees

De GMP-richtlijnen die gelden binnen de EU zijn vastgelegd in Europese regelgeving. Deze regels gelden voor alle producten die binnen de Europese Unie verhandeld worden ongeacht of de fabrikant buiten de EU gevestigd is.

Voor geneesmiddelen die voor menselijk gebruik bestemd zijn, zijn de belangrijkste regelingen de Regulation No. 1252/2014 en de Richtlijn 2003/94/EG.[1] Voor geneesmiddelen die bestemd zijn voor de dierengeneeskunde is de Richtlijn 91/412/EG in het leven geroepen. Daarnaast zijn er uiteraard nog aanverwante wetten en regels die de geneesmiddelenmarkt reguleren. De GMP-eisen zijn voor de humane en de veterinaire geneesmiddelenindustrie gelijk.

Voor de interpretatie van de normen die in deze wetgeving zijn neergelegd, geeft de EudraLex richtsnoeren. EudraLex is een verzameling van regels die binnen de EU gelden voor geneesmiddelen. Volume 4 van de EudraLex bevat de GMP-regels. Het is in feite een handleiding voor het toepassen van de GMP-richtlijnen en principes. Deze regels gelden zowel voor de menselijke geneeskunde als voor de dierengeneeskunde.

Nationaal (Nederland)

Op nationaal niveau bepaalt het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport welke farmaceutische zorg onder welke voorwaarden en bij welke medische indicaties ingevoerd mogen worden. De Geneesmiddelenwet beschrijft de bepalingen voor de vervaardiging van het geneesmiddel, het in de handel brengen en de distributie tot aan de patiënt. De Opiumwet verbiedt het bezit van bepaalde middelen die staan vermeld op lijst l en ll van de Opiumwet.

Er is ook een regelgeving voor precursoren. Volgens deze regelgeving mogen apothekers chemicaliën die kunnen worden gebruikt om drugs of explosieven mee te maken (precursoren) alleen onder bepaalde voorwaarden op voorraad houden en/of verhandelen. Tevens zijn er ook regels en richtlijnen zoals de verordening FMD (maatregel tegen vervalsing van serienummers) en de KNMP-richtlijnen voor farmaceutisch zorg en de Nederlandse apotheek Norm.

De Europese overheidsinstantie European Medicines Agency (EMA) is verantwoordelijk voor de wetenschappelijke evaluatie, het toezicht en de veiligheidscontrole van geneesmiddelen in de EU.

In het Warenwetbesluit cosmetische producten worden eisen gesteld aan de productie van cosmetica.

Eisen van GMP

GMP is onderdeel van kwaliteitsborging . In zijn algemeenheid omvat kwaliteitsborging naast GMP ook terreinen als productontwerp en productontwikkeling. Kwaliteitsborging is het geheel van handelingen die ervoor moeten zorgen dat er voldoende zekerheid over is, dat een product of dienst aan de gestelde kwaliteitseisen voldoet. Kwaliteitsborging is een van de basiselementen van kwaliteitsmanagement. Het belang van kwaliteitsmanagement is cruciaal. Men hoeft zich maar even voor te stellen wat er zou gebeuren als er fouten worden gemaakt bij de productie van geneesmiddelen en die te laat ontdekt zouden worden.

Naast het menselijk leed dat hierdoor veroorzaakt zou kunnen worden, zou het voor de reputatie van het farmaceutische bedrijf een ramp betekenen.  ‘Good manufacturing practice’ bij farmaceutische producten is vooral gericht op risico’s die inherent zijn aan de geneesmiddelenproductie, zoals kruisverontreiniging (verontreiniging van het ene geneesmiddel met bestanddelen van een ander geneesmiddel) en verwisselingen (vergissingen) veroorzaakt door foute etiketten.

De eisen die GMP stelt aan de vervaardiging van producten komen internationaal overeen. In deze blog worden de eisen geschetst die voorvloeien uit de regelgeving met betrekking tot de farmaceutische industrie. Over het algemeen gelden voor iedere industrie dezelfde basisprincipes. Deze basisprincipes zijn internationaal vrijwel gelijk.

De Europese wetgeving vereist dat geneesmiddelen overeenkomstig de beginselen en richtsnoeren van goede praktijken vervaardigd worden. De aspecten waarop de richtsnoeren zien zijn kwaliteitsbewaking, personeel, gebouwen en apparatuur, documentatie, productie, kwaliteitscontrole, uitbesteding, klachten en het terugroepen van producten en zelfinspectie. De wetgeving verplicht de fabrikant om een systeem voor de farmaceutische kwaliteitsborging op te stellen en ten uitvoer te leggen. De regels gelden ook voor geneesmiddelen die bestemd zijn voor de uitvoer.

De volgende GMP-richtlijnen dienen in acht te worden genomen:

  • Goed getraind, gekwalificeerd personeel,
  • Er is grondige handhaving van de hygiëne. Als iemand, bijvoorbeeld vanwege een besmettelijke ziekte of open wond, een gevaar vormt voor de productkwaliteit, is er een meldingsplicht en vervolgstappenprotocol.
  • Regelmatige medische keuringen van personeel
  • Voor personeel dat visuele keuringen verricht is er ook nog extra keuring van het gezichtsvermogen,
  • Geschikte apparatuur,
  • Goede materialen, containers en etiketten,
  • Goedgekeurde werkvoorschriften,
  • Geschikte opslag en transport,
  • Adequaat personeel, laboratoria en instrumenten voor interne kwaliteitscontroles,
  • Werkinstructies (Standard Operating Procedures); werkinstructies zijn in duidelijke taal geschreven en toegespitst op de plaatselijke situatie,
  • Training; bedieningspersoneel is getraind in het uitvoeren van de werkinstructies,
  • Documentatie; alles moet duidelijk op papier staan en de geschiktheid van personeel, gebouwen en installaties moet zijn aangetoond,
  • Informatie op etiketten en wijze van etikettering van grondstoffen, tussen- en eindproducten,
  • Er zijn helder beschreven, bewezen, betrouwbare fabricageprocessen aanwezig,
  • Inspecties en validaties worden uitgevoerd,
  • Tijdens de fabricage wordt (handmatig of geautomatiseerd) geregistreerd of alle stappen juist zijn uitgevoerd,
  • Afwijkingen van de instructies worden uitgebreid vastgelegd en onderzocht,
  • De complete geschiedenis van elke partij (van grondstof tot klant) wordt zo bewaard dat hij gemakkelijk nagezocht kan worden,
  • De producten worden op de juiste wijze opgeslagen en vervoerd,
  • Er is een methode om partijen zo nodig terug te halen uit de verkoop,
  • Klachten over kwaliteitsproblemen worden adequaat afgehandeld en onderzocht. Zo nodig worden maatregelen genomen om herhaling te voorkomen.

Verantwoordelijkheden

GMP legt een reeks verantwoordelijkheden bij personeel met sleutelposities (key personnel), zoals hoofd productie en/of kwaliteitsbewaking en de geautoriseerde persoon. De geautoriseerde persoon is ervoor verantwoordelijk, dat alle procedures in overeenstemming zijn met de richtlijnen en dat de geneesmiddelen in overeenstemming met die procedures worden gefabriceerd en behandeld.

Hij of zij tekent (letterlijk) voor elke partij geneesmiddelen die van de fabriek af komt. Er is tevens ook een hoofdmanager, deze is verantwoordelijk dat de producten voldoen aan de wettelijke eisen van de nationale autoriteit voor geneesmiddelen, geen gevaar opleveren voor patiënten door gebrekkige veiligheid, kwaliteit of werkzaamheid. Het zou vanzelfsprekend moeten zijn, maar tevens is de eis dat de medicijnen geschikt zijn voor het doel waarvoor ze bestemd zijn.

Toezicht en GMP-certificaat

Zowel op Europees als op nationaal niveau zijn er spelers die belast zijn met de toezichthoudende taak. Het betreft hier het Europees Geneesmiddelenbureau (EMA) en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ). In Nederland geeft de IGJ een GMP-certificaat af aan de fabrikant van geneesmiddelen als deze zich houdt aan de GMP-richtlijnen.

IGJ voert met het oog daarop periodiek inspecties uit bij fabrikanten in Nederland om te onderzoeken of zij zich houden aan de regels voor GMP. Indien niet voldaan wordt aan de GMP-regels wordt de fabrikant niet alleen weerhouden van een GMP-certificaat, maar ook van een productievergunning. De IGJ inspecteert ook fabrikanten in landen buiten de Europese Unie. Dit gebeurt in opdracht van het EMA en het College ter beoordeling van geneesmiddelen (CBG).

Verder adviseert de IGJ op verzoek van het CBG over de fabrikanten uit het dossier van de handelsvergunning (site clearance). Werkt een fabrikant niet volgens de GMP-kwaliteitseisen, dan kan het CBG besluiten deze fabrikant te laten verwijderen uit het dossier van de handelsvergunning. Het CBG doet dit in overleg met de IGJ en andere Europese inspectieautoriteiten en de Europese organen zoals Coordination Group for Mutual Recognition and Decentralised Procedures – Human (CMDh) en EMA.  Als hierdoor een tekort van een geneesmiddel voor Nederland kan ontstaan, dan moet de vergunninghouder dit melden bij het Meldpunt geneesmiddelentekorten en -defecten.

Cosmetica en GMP

Voor cosmetica is er aparte regelgeving die de kwaliteit daarvan moet waarborgen. Op Europees niveau is er de Cosmeticaverordening 1223/2009/EG. Dit is een internationale norm, maar deze norm is ook goedgekeurd door het Europees Comité voor Normalisatie (CEN). Dit is een Europese normalisatie-instelling. Dit soort instellingen creëren normen waar veel vraag naar is vanuit de markt. De toepassing van die normen is niet verplicht, maar laat naar de buitenwereld wel zien dat de producten of diensten aan kwaliteitsnormen voldoen. De normalisatie-instellingen ontwikkelen ook ‘geharmoniseerde normen’ op verzoek van de Europese Unie.

Voor cosmetica zijn de GMP-regels te vinden in de ISO 22716:2007 (hierna ‘de norm’).Deze norm bevat de basisprincipes van de GMP die toegespitst zijn op bedrijven die afgewerkte cosmetica produceren.

Deze GMP-regels die in de norm worden voorgeschreven, hebben in principe hetzelfde doel als die voor de farmaceutische industrie: het waarborgen van de kwaliteit en de veiligheid van het product. De norm is slechts toegespitst op de cosmetica-industrie. De norm heeft betrekking op productie-, opslag-, verpakkings-, test-, en transportprocessen. Tevens heeft het ook invloed op onderzoek en ontwikkeling en de distributie van afgewerkte cosmetica, de veiligheid van productiemedewerkers en de bescherming van het milieu.

De norm zorgt niet alleen voor de toepassing van productcriteria en vereisten voor de productie van goederen. Het toepassen van de norm maakt het mogelijk voor de producent om de kwaliteits- en de veiligheidseisen van de toeleveringsketen te beheren en om de gevaren en risico’s van cosmetica te bewaken. De GMP-regels komen overeen met de regels die eerder uitgebreid benoemd zijn in de paragraaf ‘’eisen van GMP’’.

Heeft u advies of ondersteuning nodig over wetgeving voor farmaceuten, geneesmiddelenrecht of cosmeticawetgeving? Of heeft u vragen naar aanleiding van deze blog? Neem dan contact op met advocaten van Law & More. Wij zullen u vragen beantwoorden en u waar nodig juridisch bijstaan.

[1] Deze richtlijn heeft Richtlijn 91/356/EEG vervangen.

Recht op compensatie bij vertraging? Ontdek het hier
Blog, Civiel Recht

Compensatie vertragingsschade bij vluchten

Compensatie bij vluchtvertraging volgens EU-regels

Sinds 2009 staat u als passagier bij een vertraagde vlucht niet zondermeer met lege handen. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft namelijk in het Sturgeon-arrest de verplichting van de luchtvaartmaatschappijen tot het betalen van compensatie uitgebreid. Sindsdien kunnen de passagiers niet alleen in het geval van annulering, maar ook in het geval van vertraging van de vlucht in aanmerking komen voor compensatie. Het Hof heeft geoordeeld dat de luchtvaartmaatschappijen in beide gevallen slechts een marge van drie uur hebben om af te wijken van de oorspronkelijke planning. Wordt de betreffende marge door de luchtvaartmaatschappij overschreden en komt u met meer dan drie uur vertraging aan op uw bestemming? Dan dient de luchtvaartmaatschappij u de vertragingsschade te compenseren.

Echter, wanneer de luchtvaartmaatschappij kan aantonen dat zij niet verantwoordelijk is voor de betreffende vertraging en aldus sprake is van buitengewone omstandigheden die niet voorkomen hadden kunnen worden, is zij niet gehouden de compensatie te betalen vanwege de opgelopen vertraging van meer dan drie uur. Gelet op de rechtspraktijk slaagt het beroep van de luchtvaartmaatschappij op buitengewone omstandigheden zelden. Daarvan is namelijk slechts sprake als het gaat om:

  • zeer slechte weersomstandigheden (zoals stormen of plotselinge vulkaanuitbarsting)
  • natuurrampen
  • terrorisme
  • medische noodlandingen
  • onaangekondigde stakingen (van bijvoorbeeld luchthavenpersoneel)

Technische mankementen aan het vliegtuig ziet het Hof van Justitie niet als een omstandigheid dat als buitengewoon kan worden aangemerkt. Ook de stakingen van eigen personeel van de luchtvaartmaatschappij vallen volgens de Nederlandse rechter niet onder dergelijke omstandigheden. In dit soort gevallen heeft u als passagier gewoon recht op compensatie.

Compensatie vertragingsschade bij vluchten

Komt u voor de compensatie in aanmerking en is er geen sprake van buitengewone omstandigheden? Dan dient de luchtvaartmaatschappij de compensatie aan u uit te betalen. U hoeft daarom niet akkoord te gaan met een ander mogelijk alternatief, zoals een tegoedbon, die de luchtvaartmaatschappij u presenteert. Wel heeft u onder omstandigheden tevens recht op verzorging en/of accommodatie en dient de luchtvaartmaatschappij dit te faciliteren.

De hoogte van de compensatie kan doorgaans oplopen van 125,- tot 600,- euro per passagier, afhankelijk van de lengte van de vlucht en de duur van de vertraging. Bij vertraging van vluchten korter dan 1500 km kunt u rekenen op 250,- euro aan compensatie. Gaat het om vluchten tussen 1500 en 3500 km, dan is compensatie van 400,- euro als redelijk aan te merken. Vliegt u meer dan 3500 km, dan kan uw compensatie bij meer dan drie uur vertraging oplopen tot 600,- euro.

Met betrekking tot de zojuist beschreven compensatie geldt voor u als passagier tenslotte nog een belangrijke voorwaarde. U heeft namelijk alleen recht op de betreffende compensatie van vertragingsschade als uw vluchtvertraging valt onder de Europese Verordening 261/2004. Dat is het geval wanneer uw vlucht start vanuit een EU-land of wanneer u vliegt naar een land binnen de EU met een Europese vliegtuigmaatschappij.

Heeft u te maken met vertraging van uw vlucht, wilt u weten of u recht heeft op compensatie van vertragingsschade of bent u van plan enige actie tegen de luchtvaartmaatschappij te ondernemen? Neem dan contact op met de advocaten van Law & More. Onze advocaten zijn deskundig op het gebied van vertragingsschade en voorzien u graag van advies.

Onderneming registreren met een Virtueel Kantoor in Nederland
Blog, Ondernemingsrecht

Kun je een onderneming registreren op een virtueel kantooradres?

Onderneming registreren met een Virtueel Kantoor in Nederland

Een veel voorkomende vraag bij de ondernemers is of je een bedrijf kunt registreren op een virtueel kantooradres. In het nieuws lees je vaak over buitenlandse bedrijven met een postadres in Nederland. Voor deze bedrijven kleven veel voordelen aan een zogeheten postbus onderneming. Dat deze mogelijkheid bestaat, is bij het merendeel van de ondernemers bekend maar hoe je dit organiseert en aan welke eisen je moet voldoen, is voor velen nog onduidelijk.

Het begint allemaal met inschrijving bij de Kamer van Koophandel. Het is mogelijk om je onderneming in te schrijven ook als je in het buitenland woont. Hiervoor geldt wel een hoofdvoorwaarde; jouw bedrijf moet een Nederlands bezoekadres hebben of de ondernemingsactiviteiten van jouw bedrijf moeten in Nederland plaatsvinden.

Wettelijke eisen webshop

Als eigenaar van een webshop heb je wettelijke verplichtingen jegens de klant. Het is verplicht om een duidelijk retourbeleid te hebben, je moet bereikbaar zijn voor vragen van de klanten, je bent aansprakelijk voor de garantie en je bent verplicht om minimaal één achteraf-betaaloptie aan te bieden. Is er sprake van een consumentenkoop, dus wanneer een particulier iets koopt, dan is ook het uitgangspunt dat een consument niet meer dan 50% van het aankoopbedrag vooruit hoeft te betalen.

Het mag natuurlijk wel, als de consument dat vrijwillig doet, maar een (web)winkelier mag dat niet verplichten. Deze regel geldt overigens alleen bij het kopen van roerende zaken. Voor diensten mag dus wel volledige vooruitbetaling gevraagd worden.

Vermelding van het adres verplicht?

Op de webwinkel moet de locatie van de contactinformatie duidelijk en logisch vermeld worden. De reden hierachter is dat een klant het recht heeft om te weten met wie hij/zij zakendoet. Deze verplichting komt voort uit de wet en is dus voor elke webwinkel verplicht. De verplichte contactinformatie bestaat uit drie onderdelen:

  • De identiteit van de onderneming
  • De contactgegevens van de onderneming
  • Het geografisch adres van de onderneming.

Onder de identiteit van de onderneming worden de inschrijfgegevens van de onderneming zoals het KVK-nummer, het BTW nummer en de bedrijfsnaam bedoeld. Bij de contactgegevens gaat het om de gegevens waarmee de consumenten contact kunnen opnemen met de webwinkel. Met het geografisch adres wordt vervolgens het adres bedoeld van waaruit de onderneming haar zaken onderneemt.

Dit laatste moet een fysiek adres zijn en mag geen postbusadres zijn. Bij veel kleine webwinkels zal het contactadres dan ook gelijk zijn aan het geografisch adres. Door bepaalde omstandigheden kan het lastig zijn om te voldoen aan de eis van het vermelden van de contactgegevens. Hieronder lees je meer over hoe je toch aan deze eis kan voldoen.

Virtueel adres

Als je fysieke adres van je onderneming niet wilt of kunt vermelden op je webwinkel dan kan je gebruik maken van een virtueel adres. Dit adres kan ook beheerd worden door de organisatie waar je huur aan betaalt. Dit soort organisaties hebben ook verschillende services zoals bijvoorbeeld bijhouden en doorsturen van de poststukken. Het hebben van een Nederlands adres is goed voor het vertrouwen bij de bezoekers van je webwinkel. Vandaar is het hebben van een virtueel kantooradres in sommige gevallen een goede oplossing.

Voor wie?

Je kunt voor verschillende redenen een virtueel kantooradres nodig hebben. Een virtueel kantooradres is onder andere voor:

  • Personen met een onderneming aan huis; die zaken en privé gescheiden willen houden.
  • Personen met een onderneming in het buitenland, die over een vestiging in Nederland willen beschikken;
  • Personen met een onderneming in Nederland, die graag over een virtuele nevenvestiging willen beschikken.

Onder bepaalde voorwaarden mag een virtueel adres ingeschreven worden bij de Kamer van Koophandel.

Inschrijving bij Kamer van Koophandel

Als je de onderneming inschrijft bij KVK dan worden een of meer vestigingen van je bedrijf geregistreerd. Bij een vestiging wordt het postadres en het bezoekadres vastgelegd. Een adres kan alleen als bezoekadres worden ingeschreven als er voldoende vastgesteld kan worden dat je vestiging daar ook daadwerkelijk zit. Dit wordt nagetrokken doormiddel van een huurcontract. Dit geldt ook voor een vestiging in een bedrijfsverzamelgebouw.

Blijkt uit het huurcontract dat je permanent kantoorruimte of een bureau op het adres huurt, dan mag je dit als je bezoekadres inschrijven in het Handelsregister. Dit wil niet zeggen dat je altijd aanwezig moet zijn, maar dat je de mogelijkheid hebt om permanent aanwezig te kunnen zijn. Als je een bureau of kantoor voor bijvoorbeeld twee uur per week huurt, dan voldoe je niet aan de eis voor de registratie.

Voor het inschrijven van je onderneming moet je een aantal documenten beschikbaar hebben:

  • Het inschrijfformulieren van Kamer van Koophalen;
  • Een ondertekend huur, – koop, – of pachtcontract van het Nederlandse bezoekadres;
  • Een gelegaliseerde kopie van een geldig legitimatiebewijs (Dit kun je bij de Nederlandse ambassade of een notaris laten regelen);
  • Een origineel uittreksel of gelegaliseerde kopie van het bevolkingsregister van de buitenlandse gemeente waar je woont, of een ander document van een officiële instantie waarop jouw buitenlandse adres staat.

Regelgeving Kamer van Koophandel betreffende ‘Virtueel Kantoor’

In de afgelopen jaren was een virtueel kantoor een kantoor waar een bedrijf gevestigd was maar waar de eigenlijke werkzaamheden niet uitgevoerd werden. De KVK heeft aantal jaren geleden de regels voor een virtueel kantoor gewijzigd. In het verleden kwam het veel voor dat zogenaamde ‘Spook’ bv’s zich vestigden op een adres van een virtueel kantoor. Om dit soort problemen tegen te gaan controleert de KVK  of bedrijven die een virtueel kantoor hebben, ook vanaf dit adres haar activiteiten uitvoeren. De KVK noemt dit duurzame bedrijfsuitoefening. Dit betekent niet dat ondernemers die een virtueel kantoor hebben daar ook permanent aanwezig moeten zijn, maar wel dat deze de mogelijkheid hebben om er permanent aanwezig te kunnen zijn.

Heeft u vragen naar aanleiding van dit blog en/of ervaart u problemen met de Kamer van Koophandel, neem dan contact op met de advocaten van Law & More. Wij zullen u vragen beantwoorden en u waar nodig juridisch bijstaan.

Hoe Collectief Massaschade Eisen?
Blog, Civiel Recht

Collectief naar de rechter voor schadevergoeding bij massaschade

Massaschade collectief verhalen met een gezamenlijke rechtszaak

Burgers en bedrijven die massaal schade lijden kunnen vanaf 1 januari 2020 samen naar de rechter om hun schade vergoed te krijgen. De wet van minister Dekker (voor Rechtsbescherming) die massaschade afwikkelt in een collectieve actie treedt dan in werking. Massaschade is schade die door een omvangrijke groep gedupeerden geleden wordt. Voorbeelden hiervan zijn letselschade door gevaarlijke medicijnen, financiële schade door gesjoemelde auto’s of materiële schade door aardbevingen als gevolg van gaswinning. Nu kan dergelijke massaschade voortaan voor alle gedupeerden op collectieve wijze worden afgewikkeld.

In Nederland bestaat al sinds jaren de mogelijkheid om bij de rechter collectieve aansprakelijkheid vast te laten stellen (collectieve actie). De rechter kon enkel onrechtmatig handelen vaststellen; voor de schadevergoeding moesten alle gedupeerden nog een individuele procedure starten en kon er geen gezamenlijke schadevergoeding worden geëist. In de praktijk is zo’n procedure meestal complex, tijdrovend en duur. In de meeste gevallen wegen de kosten en gemoeide tijd van een individuele procedure niet op tegen de geleden schade.

Collectief naar de rechter voor schadevergoeding bij massaschade Image

Verder bestaat in Nederland ook al enige tijd de mogelijkheid om bij de rechter een collectieve schikking tussen een belangenorganisatie en een aangesproken partij algemeen verbindend te laten verklaren voor alle gedupeerden op grond van de Wet Collectieve Afwikkeling Massaschade (WCAM). Met een collectieve schikking kan een belangenorganisatie een groep gedupeerden helpen om bijvoorbeeld een schikking te treffen zodat zij hun schade vergoed krijgen. Echter als de schadeveroorzaker niet meewerkt, staan gedupeerden alsnog met lege handen. Gedupeerden moeten dan alsnog zelf naar de rechter om op grond van artikel 3:305a van het Burgerlijk Wetboek een schadevergoeding te eisen.

Met de komst van de Wet Afwikkeling Massaschade in Collectieve Actie (WAMCA) per 1 januari 2020 zijn de mogelijkheden van een collectieve actie uitgebreid. Met ingang van de nieuwe wet kan de rechter een veroordeling tot een collectieve schadevergoeding uitspreken. Hierdoor kan de hele zaak in één gezamenlijke procedure worden afgewikkeld. Partijen krijgen in één keer duidelijkheid. Het is eenvoudiger, tijd en geld besparend en het voorkomt eindeloze rechtszaken. Op deze manier komt er voor een grote groep gedupeerden een oplossing en kan de zaak worden afgedaan.

Er is vaak onduidelijkheid over de belangenorganisaties. Gedupeerden en aangesproken partijen weten dan niet welke organisaties betrouwbaar zijn en voor wie zij opkomen. Met het oog op rechtsbescherming van de gedupeerden zijn de voorwaarden voor een collectieve actie aangescherpt. Niet iedere belangenorganisatie kan zomaar aan de slag om een claim in te dienen. De interne organisatie en financiën van zo’n instantie moeten op orde zijn. Voorbeelden van belangenorganisaties zijn Consumentenbond, Vereniging Effectenbezitters (VEB) en speciaal opgerichte organisaties (ad hoc) voor een bepaalde collectieve actie.

Tot slot komt er een centraal register voor collectieve vorderingen. Zo kunnen gedupeerden en de belangenorganisaties die voor hen opkomen beslissen of zij voor dezelfde gebeurtenis ook een collectieve vordering willen instellen. De Raad voor de rechtspraak wordt de houder van het centrale register. Het register wordt voor iedereen toegankelijk.
De afwikkeling van massaschade is bijzonder complex, voor zowel de gedupeerden, de aangesproken partijen als voor de verzekeraars. Het team van Law & More heeft uitgebreide expertise en ervaring op het gebied van het behandelen en monitoren van massaschade kwesties.

Partneralimentatie Verplichtingen Checken? - Law & More
Blog, Echtscheiding

Herziening wetgeving partneralimentatie

Nieuwe regels voor partneralimentatie vanaf 2020

Op 1 januari 2020 is het zover: de nieuwe wetgeving over partneralimentatie treedt in werking. Wat houdt deze nieuwe wetgeving precies in?

De kern van de nieuwe wet is dat de maximale alimentatieduur van de huidige 12 jaar wordt teruggebracht naar de helft van de duur van het huwelijk tot maximaal 5 jaar vanaf de datum van echtscheiding. Het is de bedoeling dat hiermee evenwicht ontstaat tussen de positie van de alimentatiegerechtigde en die van de alimentatieplichtige.

Er bestaan drie uitzonderingen op deze nieuwe wet:

  1. Indien op het tijdstip van indiening van het verzoek tot echtscheiding de duur van het huwelijk langer is dan 15 jaar én de leeftijd van de alimentatiegerechtigde ten hoogste 10 jaar lager is dan de op dat moment geldende AOW-leeftijd, dan eindigt de verplichting bij het bereiken van de AOW-leeftijd. Dit is dus maximaal 10 jaar als de betrokkene precies 10 jaar vóór de AOW-leeftijd zit op het moment van scheiding. Het mogelijk opschuiven van de AOW-leeftijd nadien heeft geen gevolgen voor de duur van de verplichting. Deze uitzondering geldt dus voor langdurige huwelijken, omdat een alimentatieduur van 5 jaar in dat geval te kort is voor de alimentatiegerechtigde om zich aan te passen aan de nieuwe wet.
  2. De tweede uitzondering ziet op gezinnen met jonge kinderen. In dat geval loopt de verplichting door tot het tijdstip waarop het jongste uit het huwelijk geboren kind 12 jaar is geworden. De alimentatie kan dan dus maximaal 12 jaar duren.
  3. De derde uitzondering is een overgangsregeling en verlengt de alimentatieduur voor alimentatiegerechtigden van 50 jaar en ouder indien het huwelijk tenminste 15 jaar heeft geduurd. Alimentatiegerechtigden die op of voor 1 januari 1970 zijn geboren, krijgen maximaal 10 jaar in plaats van maximaal 5 jaar alimentatie. Dit geldt dus voor personen die ten tijde van inwerkingtreding 50 jaar of ouder zijn.

Houd er echter rekening mee dat de alimentatieplicht voor een partner per direct en onherroepelijk vervalt als degene die de alimentatie ontvangt met iemand anders trouwt, een geregistreerd partnerschap aangaat of gaat samenwonen.

Er zullen geen wijzigingen inwerkingtreden op het gebied van kinderalimentatie. De huidige regels blijven gewoon bestaan. Dit betekent dat de wettelijke plicht tot betaling van kinderalimentatie eindigt als uw kind 21 jaar is geworden.

ontslag ondernemingsdirecteur image 1x1
Blog, Ondernemingsrecht

Ontslag ondernemingsdirecteur

Het komt weleens voor dat een directeur van een onderneming wordt ontslagen. Op welke manier het ontslag van de directeur kan plaatsvinden, is afhankelijk van zijn rechtspositie. Binnen een onderneming kunnen namelijk twee soorten directeuren worden onderscheiden: statutair en titulair directeur.

Het onderscheid

Een statutair directeur verkeert binnen een onderneming in een bijzondere rechtspositie. Enerzijds is hij een officieel bestuurder van de onderneming, benoemd door de algemene vergadering van aandeelhouders (AvA) of door de Raad van Commissarissen (RvC) op grond van de wet of statuten en is hij als zodanig bevoegd de onderneming te vertegenwoordigen. Anderzijds is hij op basis van een arbeidsovereenkomst aangesteld als werknemer van de onderneming. Een statutair directeur is weliswaar in dienst van de onderneming, maar hij is geen ‘gewone’ werknemer.

In tegenstelling tot de statutair directeur is een titulair directeur geen officieel bestuurder van de onderneming en is hij enkel directeur omdat dat de naam van zijn functie is. Vaak wordt een titulair directeur ook wel ‘manager’ of ‘vice-president’ genoemd. Een titulair directeur wordt niet aangesteld door de algemene vergadering van aandeelhouders (AvA) of door de Raad van Commissarissen (RvC) en hij is niet automatisch tot vertegenwoordiging van de onderneming bevoegd. Hij kan daartoe wel worden gemachtigd. De aanstelling van een titulair directeur geschiedt door de werkgever en is hij derhalve een ‘gewone’ werknemer, in dienst van de onderneming.

Wijze van ontslag

Wil een statutair directeur rechtsgeldig worden ontslagen, dan dient zowel zijn vennootschapsrechtelijke als arbeidsrechtelijke verhouding worden beëindigd.

Voor een vennootschapsrechtelijk ontslag is een rechtsgeldig besluit van de AvA of de RvC voldoende. Immers, op grond van de wet kan iedere statutair directeur altijd worden geschorst en ontslagen door diegene die bevoegd is tot benoeming. Voor ontslag van de directeur dient vooraf advies te worden gevraagd bij de Ondernemingsraad. Daarnaast dient er een redelijke grond voor ontslag te zijn, zoals een bedrijfseconomische reden waardoor de functie komt te vervallen, verstoorde arbeidsrelatie met de aandeelhouders of arbeidsongeschiktheid van de directeur. Tenslotte dienen bij vennootschapsrechtelijk ontslag de volgende formele vereisten in acht te worden genomen: de rechtsgeldige oproeping van de AvA, de mogelijkheid van bestuurder om door de AvA te worden gehoord en de AvA over het ontslagbesluit te adviseren.

Voor beëindiging van de arbeidsrechtelijke verhouding moet normaalgesproken een redelijke grond voor ontslag aanwezig zijn en toetst de UWV of de rechter of een dergelijke redelijke grond daadwerkelijk aanwezig is. Pas daarna kan de werkgever de arbeidsovereenkomst met de werknemer rechtsgeldig beëindigen. Echter, voor een statutair directeur geldt op deze gang van zaken een uitzondering. Voor het ontslag van de statutaire directeur is weliswaar een redelijke grond vereist, maar geldt de preventieve ontslagtoets niet. Als uitgangspunt ten aanzien van de statutair directeur geldt derhalve, mede gelet op de jurisprudentie, dat een ontslagbesluit in beginsel tevens de beëindiging van zijn arbeidsrechtelijke verhouding tot gevolg heeft, tenzij er een opzegverbod of andere afspraken gelden.

In tegenstelling tot een statutair directeur is een titulair directeur enkel een werknemer. Dat betekent dat de ‘gewone’ ontslagregels op hem van toepassing zijn en hij derhalve een betere ontslagbescherming geniet dan een statutair directeur. De redenen die de werkgever heeft om tot ontslag over te gaan, worden in het geval van titulair directeur wel vooraf getoetst. Wanneer een onderneming tot ontslag van een titulair directeur wil overgaan, dan zijn de volgende situaties mogelijk:

  • ontslag met wederzijds goedvinden
  • ontslag via een ontslagvergunning van het UWV
  • ontslag op staande voet
  • ontslag via de kantonrechter

Betwisting van het ontslag

Bestaat er geen redelijke grond voor ontslag, dan kan de statutair directeur een hoge billijke vergoeding, maar, in tegenstelling tot titulair directeur, geen herstel van de arbeidsovereenkomst eisen. Daarnaast komt de statutair directeur wel, net als een gewone werknemer, een transitievergoeding toe. De statutair directeur kan, gelet op zijn bijzondere positie en in tegenstelling tot titulair directeur, het ontslagbesluit zowel op formele als inhoudelijke gronden betwisten.

De inhoudelijke gronden betreffen de redelijkheid van het ontslag. De directeur kan betogen dat het ontslagbesluit nietig dient te worden verklaard wegens strijd met redelijkheid en billijkheid gelet op hetgeen wettelijk is bepaald omrent de opzegging van een arbeidsovereenkomst en hetgeen de partijen zijn overeengekomen. Een dergelijk betoog van een statutair directeur leidt echter zelden tot succes. Een beroep op een eventueel formeel gebrek van het ontslagbesluit heeft vaak meer kans van slagen.

De formele gronden vloeien voort uit het vennootschapsrecht en betreffen het besluitvormingsproces binnen de algemene aandeelhoudersvergadering. Blijkt dat daaraan niet is voldaan, dan kan een formele fout tot vernietiging of nietigverklaring van de beslissing van de AvA leiden. Het gevolg daarvan kan zijn dat de statutair directeur wordt geacht nooit ontslagen te zijn geweest en kan de onderneming met een flinke loonvordering worden geconfronteerd. Om dit te voorkomen is het derhalve van belang dat de formele vereisten van het ontslagbesluit worden nageleefd.

Bij Law & More begrijpen we dat ontslag van een directeur een grote impact zowel op de onderneming als op de directeur zelf kan hebben. Daarom staat persoonlijke en efficiënte aanpak bij ons voorop. Onze advocaten zijn deskundig op het gebied van arbeids- en ondernemingsrecht en kunnen u daarom optimaal juridisch ondersteunen tijdens dit proces. Wilt u dit graag? Of heeft u andere vragen? Neem dan contact op met Law & More.

Vingerafdruk en AVG-wetgeving
Blog, Privacy

Vingerafdruk in strijd met AVG

In de moderne tijd waarin we nu leven is het steeds gebruikelijker om vingerafdrukken te gebruiken als een identificatiemiddel; denk hierbij bijvoorbeeld aan ontgrendeling van een smartphone door middel van een vingerafdrukidentificatie. Maar hoe zit het met privacy als het niet meer in een privésfeer gebeurt waarbij sprake is van bewuste vrijwilligheid. Kan werk-gerelateerde vingeridentificatie verplicht gesteld worden in het kader van beveiliging? Mag een organisatie zijn werknemers verplichten om vingerafdrukken af te staan voor bijvoorbeeld toegang tot een beveiligingssysteem? En hoe verhoudt deze handeling zich tot de privacyregels?

Vingerafdruk als een bijzonder persoonsgegeven

De vraag is of een vingerscan een persoonsgegeven is in de zin van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Een vingerafdruk is een biometrisch persoonsgegeven dat het resultaat is van een specifieke technische verwerking van fysieke, fysiologische of gedrag gerelateerde kenmerken van een persoon.[1] Biometrische gegevens kunnen worden beschouwd als informatie betreffende een natuurlijk persoon, aangezien het gaat om gegevens die door hun aard informatie verstrekken over een bepaald persoon. Door middel van een biometrisch gegeven zoals een vingerafdruk is de persoon identificeerbaar en kan hij/zij van een andere persoon worden onderscheiden. In artikel 4 AVG wordt dit bij de definitiebepalingen ook met zoveel woorden bevestigd.[2]

Vingerscan in strijd met privacy?

De kantonrechter Amsterdam heeft onlangs een uitspraak gedaan over de toelaatbaarheid van een vingerscan als een identificatiesysteem op de werkvloer.

De schoenketen Manfield heeft een vingerscan-autorisatiesysteem gebruikt waarmee werknemers toegang kregen tot een kassasysteem. Volgens Manfield was het gebruik van de vingerscan de enige mogelijkheid om toegang tot het kassasysteem te krijgen. Het was noodzakelijk, onder andere om financiële informatie en persoonsgegevens van werknemers te beveiligen. Andere methodes waren niet meer geschikt en fraudegevoelig. Eén van de medewerkers van de schoenenketen maakte bezwaar tegen het gebruik van haar vingerafdruk. Zij stelde zich op het standpunt dat deze autorisatiemethode inbreuk maakte op haar privacy, refererend naar artikel 9 AVG. Volgens dit artikel is de verwerking van biometrische gegevens met het oog op de unieke identificatie van een persoon verboden.

Noodzakelijkheid

Dit verbod is niet van toepassing wanneer de verwerking noodzakelijk is voor authenticatie of beveiligingsdoeleinden. Het bedrijfsbelang van Manfield was het tegen gaan van omzetderving door toedoen van frauduleus personeel. De kantonrechter verwierp het beroep van de werkgever. Het aangedragen bedrijfsbelang van Manfield maakte het systeem niet ‘noodzakelijk voor authenticatie- of beveiligingsdoeleinden’, zoals in het artikel 29 Uitvoeringswet AVG is bepaald. Uiteraard is Manfield vrij om op te treden tegen fraude, maar dit mag niet geschieden in strijd met de bepalingen van de AVG. Bovendien had de werkgever het filiaal van de werkneemster op geen enkele andere wijze van beveiliging voorzien.

Er was onvoldoende onderzoek gedaan naar alternatieve autorisatiemethodes; denk hierbij aan het gebruik van een toegangspas of cijfercode, al dan niet een combinatie van beiden.  De werkgever had geen zorgvuldige afweging gemaakt van de voor- en nadelen van verschillende soorten beveiligingssystemen en kon niet voldoende motiveren waarom hij voor specifiek de vingerscan had gekozen. Mede hierdoor had de werkgever op basis van de Uitvoeringswet AVG het gebruik van het vingerscan-autorisatiesysteem niet mogen verplichten.

Wilt u een nieuw beveiligingssysteem invoeren, dan zal beoordeeld moeten worden of dergelijke systemen in het kader van de AVG en de Uitvoeringswet AVG zijn toegestaan. Heeft u vragen hierover neem dan contact op met de advocaten van Law & More. Wij zullen u vragen beantwoorden en u waar nodig juridisch bijstaan.

[1] https://autoriteitpersoonsgegevens.nl/nl/onderwerpen/identificatie/biometrie

[2] ECLI:NL:RBAMS:2019:6005

Wat Is Bestuurdersaansprakelijkheid? Ontdek De Gevolgen
Blog, Ondernemingsrecht

Bestuurdersaansprakelijkheid

1. Introductie

Steeds meer mensen starten hun eigen onderneming. Dit brengt verschillende voordelen met zich mee: je kan zelf je tijd indelen en bepalen hoeveel uur je werkt, je hebt de mogelijkheid om je eigen stempel op het bedrijf te drukken en belastingtechnisch kan het ondernemerschap ook interessant zijn. Wat veel (toekomstige) ondernemers echter onderschatten, is dat het starten van een onderneming ook nadelen en risico’s met zich meebrengt.

Wanneer een onderneming in de vorm van een rechtspersoon opgestart wordt, denken ondernemers en bestuurders vaak dat zij gevrijwaard zijn van persoonlijke aansprakelijkheid. Dit is echter niet het geval: het risico van bestuurdersaansprakelijkheid is altijd aanwezig.

1.1. Rechtspersoon

Wanneer er een rechtspersoon opgericht wordt, ontstaat er een eigen juridische entiteit met rechtspersoonlijkheid. Op grond van artikel 2:5 BW staat een rechtspersoon wat het vermogensrecht betreft, met een natuurlijk persoon gelijk. Dit betekent dat een rechtspersoon dezelfde juridische rechten en plichten kan hebben als een natuurlijk persoon.

Een rechtspersoon kan dan ook rechtshandelingen verrichten en bijvoorbeeld een overeenkomst aangaan, bezittingen en schulden hebben of een rechtszaak aanspannen. Hierbij heeft de rechtspersoon echter wel hulp nodig. Een rechtspersoon bestaat alleen op papier en is geen fysieke persoon. De rechtspersoon kan dan ook niet voor zichzelf handelen, maar moet vertegenwoordigd worden door een natuurlijk persoon.

1.2. Vertegenwoordiging

De rechtspersoon wordt vertegenwoordigd door het bestuur.[1] Bestuurders kunnen uit naam van de rechtspersoon rechtshandelingen aangaan. In beginsel bindt de bestuurder hiermee de rechtspersoon en niet zichzelf. Hierdoor kunnen oprichters en bestuurders voorkomen dat zij met hun privévermogen aansprakelijk worden voor schulden van de rechtspersoon.

Dit kan echter niet altijd voorkomen worden. In sommige gevallen kan een bestuurder ook persoonlijk aansprakelijk zijn, eventueel naast de rechtspersoon. Meestal gaat het hierbij om gevallen waarbij de handelende bestuurder ernstige verwijten gemaakt kunnen worden met betrekking tot zijn functioneren. Er bestaan twee soorten bestuurdersaansprakelijkheid: interne en externe aansprakelijkheid. Interne bestuurdersaansprakelijkheid is aansprakelijkheid van de bestuurder tegenover de rechtspersoon.

De bestuurder wordt hierbij aangesproken door de rechtspersoon zelf. Externe bestuurdersaansprakelijkheid is aansprakelijkheid van de bestuurder tegenover derden. Hierbij wordt de rechtspersoon aangesproken door bijvoorbeeld een leverancier of een klant. In deze paper worden de gronden voor bestuurdersaansprakelijkheid nader besproken.

2. Interne bestuurdersaansprakelijkheid

 De interne aansprakelijkheid van bestuurders vloeit voort uit artikel 2:9 BW. Op grond van dit artikel moet een bestuurder zijn taak op behoorlijke wijze vervullen. Wanneer er sprake is van onbehoorlijke taakvervulling, kan de bestuurder hiervoor op grond van artikel 2:9 BW  persoonlijk worden aangesproken door de rechtspersoon.

Artikel 2:9 BW geeft geen duidelijke beschrijving van het begrip ‘behoorlijke taakvervulling’. Nadere invulling van dit begrip is dan ook te vinden in de rechtspraak. Volgens de Hoge Raad is sprake van onbehoorlijk bestuur indien aan de bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Dit is inmiddels ook opgenomen in artikel 2:9 BW. In dit artikel staat dat een bestuurder aansprakelijk is voor onbehoorlijk bestuur, tenzij hem geen ernstig verwijt kan worden gemaakt.

De bestuurder mag ook niet nalatig zijn geweest in het nemen van maatregelen om onbehoorlijk bestuur te voorkomen.  Wanneer is er nu sprake van een ernstig verwijt? Dit dient beoordeeld te worden aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Met de volgende omstandigheden moet in ieder geval rekening gehouden worden:

  • de aard van de uitgeoefende activiteiten;
  • de daaruit voortvloeiende risico’s;
  • de taakverdeling binnen het bestuur;
  • de eventueel voor het bestuur geldende richtlijnen;
  • de gegevens waarover de bestuurder beschikte of behoorde te beschikken ten tijde van door hem genomen beslissingen of gedragingen;
  • het inzicht en de zorgvuldigheid die verwacht mogen worden van een bestuurder.[2]

Het handelen in strijd met de statutaire bepalingen van de rechtspersoon wordt aangemerkt als een zwaarwegende omstandigheid. Hierbij wordt bestuurdersaansprakelijkheid in beginsel aangenomen. De statuten vormen als het ware namelijk de ruggengraat van de rechtspersoon. Een bestuurder kan echter feiten en omstandigheden aanvoeren waaruit blijkt dat het handelen in strijd met de statuten geen ernstig verwijt oplevert. De rechter dient deze feiten en omstandigheden dan uitdrukkelijk in zijn oordeel te betrekken.3 De volgende handelingen van het bestuur leveren in de regel bovendien ook onbehoorlijke taakvervulling op:

  • het onttrekken van middelen aan de rechtspersoon door daarover te beschikken als ware het privévermogen;
  • het vermengen van privézaken met de zaken van de rechtspersoon, het aandoen van concurrentie aan de vennootschap en met name het ondergeschikt maken van het vennootschapsbelang aan privébelangen of belangen van anderen;
  • het onbevoegd verbinden van de rechtspersoon aan derden;
  • het nemen van onnodig grote financiële risico’s, het nemen van beslissingen met verregaande financiële consequenties zonder behoorlijke voorbereiding en het aangaan van transacties die de financiële spankracht van de rechtspersoon aanmerkelijk te buiten gaan, bijvoorbeeld door onverantwoordelijke hoofdelijke aansprakelijkheidsstellingen;
  • het niet voorkomen of tegengaan van onderkapitalisatie of van een slechte ‘debt equity ratio’ en het verwaarlozen van kredietbewaking;
  • het niet afsluiten van de gebruikelijke verzekeringen.

2.1. Hoofdelijke interne aansprakelijkheid en disculpatie

Zodra er sprake is van onbehoorlijk bestuur op grond van artikel 2:9 BW zijn in beginsel alle bestuurders hoofdelijk aansprakelijk. Hierbij is de rol van de bestuurder binnen het onbehoorlijke bestuur niet van belang. Dit blijkt uit de zin ‘hij is voor het geheel aansprakelijk voor onbehoorlijk bestuur’, uit artikel 2:9 BW. Ernstige verwijtbaarheid wordt dus het hele bestuur collectief aangerekend.

Op deze regel bestaat echter een uitzondering. Een bestuurder kan zich disculperen van bestuurdersaansprakelijkheid. Disculperen betekent letterlijk ‘verontschuldigen’. Uit artikel 2:9 lid 2 BW blijkt dat interne disculpatie uit twee delen bestaat. De bestuurder moet aantonen dat de tekortkoming niet aan hem te wijten is en hij moet aantonen dat hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om het onbehoorlijke bestuur te voorkomen.

2.1.1. Bewijslast bij disculpatie

Een succesvol beroep op disculpatie is geen makkelijke opgave, vanwege het beginsel van collegiaal bestuur. Wanneer een bestuurder slechts heeft geprotesteerd tegen het gevoerde beleid, zal disculpatie niet aangenomen worden. Bestuurders moeten geen besluiten nemen waar zij niet achter staan en moeten er alles toe doen wat ze kunnen om de gevolgen van onbehoorlijk bestuur zo veel mogelijk te beperken. De bewijslast hiervan ligt op de bestuurder.

Zo kan een bestuurder bijvoorbeeld schriftelijk vastleggen dat hij heeft gewaarschuwd voor mogelijke negatieve gevolgen en vastleggen welke maatregelen hij heeft genomen om deze gevolgen te voorkomen. Indien een bestuurder dan nog niet door zijn medebestuurders gehoord wordt, zal hij mogelijk zelfs ontslag moeten nemen om aansprakelijkheid te voorkomen.

2.1.2 Taakverdeling binnen het bestuur

Een taakverdeling binnen het bestuur kan relevant kan zijn voor de vraag of een individuele bestuurder aansprakelijk is. Bestuurders kunnen zich echter niet zomaar disculperen omdat zij toevallig andere taken hadden dan de taken die onbehoorlijk werden uitgevoerd. Van een bestuurder mag worden verwacht dat hij op de hoogte is van alle feiten en omstandigheden die van belang zijn om besluiten te nemen met betrekking tot kerntaken van de organisatie. Sommige taken worden gezien als taken die het hele bestuur aangaan, bijvoorbeeld taken met betrekking tot de financiën.

Een onderlinge taakverdeling brengt hier geen verandering in. Zeker wanneer een bestuurder voor bepaalde informatie afhankelijk is van zijn medebestuurders, moet hij zich kritisch opstellen en zijn medebestuurders om details vragen omtrent de feiten en omstandigheden.4 Onkunde kan in beginsel ook niet dienen als disculpatiegrond.

Van bestuurders mag verwacht worden dat zij zich goed laten voorlichten en dat zij doorvragen naar bepaalde informatie. Er kunnen echter gevallen zijn waarin dit niet van een bestuurder verlangd kan worden. Wanneer dat het geval is, kan disculpatie wel aangenomen worden.5  De vraag of een bestuurder zich succesvol kan beroepen op disculpatie is dus voor een groot deel afhankelijk van de feiten en omstandigheden van het geval.

3. Externe bestuurdersaansprakelijkheid

Bij externe bestuurdersaansprakelijkheid is de bestuurder niet aansprakelijk jegens de rechtspersoon zelf, maar tegenover derden. Bij externe bestuurdersaansprakelijkheid wordt de aansprakelijkheid doorbroken. De juridische muur van de rechtspersoon wordt als het ware omvergeduwd. De rechtspersoon vormt niet langer een schild voor de natuurlijke personen die bestuurder zijn.

Externe bestuurdersaansprakelijkheid van een bestuurder is mogelijk in faillissement van de rechtspersoon en daarbuiten. De gronden hiervoor zijn onbehoorlijk bestuur op grond van artikel 2:138 BW en artikel 2:248 BW (in faillissement) en onrechtmatige daad op grond van artikel 6:162 BW (buiten faillissement). 

3.1. Externe bestuurdersaansprakelijkheid binnen faillissement

Externe bestuurdersaansprakelijkheid binnen faillissement is van toepassing op de N.V. en de B.V. Deze aansprakelijkheid vloeit voort uit artikel 2:138 BW (voor de N.V.) en artikel 2:248 BW (voor de B.V.). Deze artikelen zijn van toepassing wanneer een vennootschap failliet is gegaan en schuldeisers blijven zitten met een onbetaalde vordering.

Normaal gesproken zouden zij de rechtspersoon daarvoor aan kunnen spreken, maar vanwege het faillissement is dit niet meer mogelijk. In principe is dit een risico dat schuldeisers lopen wanneer zij andere bedrijven krediet geven. Dit is anders wanneer het faillissement is veroorzaakt door mismanagement en fouten van het bestuur. Bij faillietverklaring wordt er altijd een curator benoemd.

De curator vertegenwoordigt na een faillissement alle schuldeisers. Eén van de taken van de curator is dat hij moet onderzoeken of er sprake is van bestuurdersaansprakelijkheid. In dat geval kan hij de schulden op grond van artikel 2:138 BW of artikel 2:248 BW op de bestuurders van de vennootschap verhalen. Wanneer er sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur door de bestuurders, kan namelijk externe bestuurdersaansprakelijkheid ontstaan.

3.1.1. Kennelijk onbehoorlijk bestuur

Externe aansprakelijkheid kan op grond van artikel 2:138 BW en artikel 2:248 BW aangenomen worden wanneer het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft uitgevoerd en het aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak van het faillissement is. In dat geval is elke bestuurder jegens de boedel hoofdelijk aansprakelijk voor de schulden.

Het begrip kennelijk onbehoorlijk bestuur speelt hierbij een belangrijke rol. De bewijslast van deze kennelijke onbehoorlijke taakvervulling ligt op de curator. De curator moet aannemelijk maken dat een redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden niet zo gehandeld zou hebben.6 De volgende handelingen leveren in beginsel kennelijk onbehoorlijk bestuur op:

  • medewerking verlenen aan paulianeuze transacties;
  • onrechtmatig vermogen aan de rechtspersoon onttrekken;
  • dividenduitkeringen doen in strijd met de statuten of die gelet op de toestand van de vennootschap onverantwoord zijn;
  • het aangaan van transacties ten behoeve van cliënten, terwijl daarvoor niet of onvoldoende zekerheid van cliënten is verlangd en gekregen;
  • het aangaan van verplichtingen terwijl redelijkerwijs bekend was dat de vennootschap de verplichtingen niet kon nakomen.

In al deze gevallen worden de schuldeisers benadeeld door de verrichte handelingen. De rode draad die door deze jurisprudentie loopt, is dat misbruik door bestuurders tegengegaan moet worden.

3.1.2. Bewijsvermoedens

Verder heeft de wetgever de curator in artikel 2:138 lid 2 BW en artikel 2:248 lid 2 BW ook enkele handvatten gegeven om kennelijk onbehoorlijk bestuur aan te tonen. Dit zijn de zogenaamde bewijsvermoedens. Op grond van artikel 2:10 BW moet het bestuur een behoorlijke administratie bijhouden en op grond van artikel 2:394 BW moet het bestuur ook een jaarrekening deponeren. Wanneer het bestuur zich niet aan deze wettelijke verplichtingen houdt, dan ontstaat er een bewijsvermoeden.

Hierbij wordt vermoed dat onbehoorlijk bestuur een belangrijke oorzaak van het faillissement van de vennootschap is geweest. Hiermee komt het bewijsrisico bij de bestuurder te liggen. De Hoge Raad heeft aangegeven hoe bestuurders de bewijsvermoedens kunnen weerleggen. Hiervoor is het voldoende dat een bestuurder aannemelijk maakt dat het faillissement niet te wijten is aan een onbehoorlijke taakvervulling, maar dat andere feiten en omstandigheden de oorzaak zijn geweest. Hier worden echter wel hoge eisen aan gesteld.

Onbehoorlijk bestuur kan bestaan uit een doen of een nalaten. Een bestuurder kan dus verweten worden dat hij heeft nagelaten het faillissement te voorkomen. Dit is ook het geval indien de oorzaak van het faillissement van buitenaf kwam. In dat geval zal de bestuurder opnieuw feiten en omstandigheden aan moeten geven waaruit blijkt dat dit nalaten geen onbehoorlijke taakvervulling oplevert.

[3] De kans van slagen van de verweren van de bestuurder zal ook hier weer afhangen van de feiten en omstandigheden van het geval. Een vordering van de curator wegens kennelijk onbehoorlijke taakvervulling kan op grond van artikel 2:138 lid 6 BW en artikel 2:248 lid 6 BW bovendien slechts ingesteld worden in de periode van drie jaren voorafgaande aan het faillissement. 

3.1.3. Hoofdelijke externe aansprakelijkheid en disculpatie 

Op grond van artikel 2:138 lid 1 BW en artikel 2:248 lid 1 BW is elke bestuurder bij kennelijk onbehoorlijk bestuur hoofdelijk aansprakelijk voor de schulden van de vennootschap. Er bestaat voor bestuurders echter een mogelijkheid om te ontsnappen aan deze hoofdelijke aansprakelijkheid. Net als bij de interne aansprakelijkheid uit artikel 2:9 BW, kunnen bestuurders zich ook bij externe aansprakelijkheid binnen faillissement disculperen. Op grond van artikel 2:138 lid 3 BW en artikel 2:248 lid 3 BW is een bestuurder niet aansprakelijk, indien hij bewijst dat de onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur niet aan hem te wijten is. Ook mag hij niet nalatig geweest zijn in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden.

3.1.4. Bewijslast bij disculpatie

De bestuurder draagt de bewijslast van de disculpatie. Dit blijkt uit een arrest van de Hoge Raad. In deze zaak oordeelde het hof dat de oorzaak van het faillissement van een vennootschap in de hoge managementvergoedingen lag. Deze vergoedingen bestonden al op het moment dat de bestuurder met haar werkzaamheden begon. Naar oordeel van het hof, had de curator aannemelijk moeten maken dat de bestuurder verwijtbaar zodanige steken had laten vallen dat de vennootschap failliet is gegaan.

De Hoge Raad volgt deze redenatie echter niet. Uit artikel 2:248 lid 3 BW blijkt dat de bestuurder moet bewijzen dat de onbehoorlijke taakvervulling niet aan hem te wijten is. Het was dus niet aan de curator om aannemelijk te maken dat dit wel het geval was.8 De bewijslast bij disculpatie binnen faillissement ligt dus duidelijk bij de aangesproken bestuurder.

3.2. Externe aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad

Naast de interne bestuurdersaansprakelijkheid op grond van artikel 2:9 BW en de externe bestuurdersaansprakelijkheid op grond van artikel 2:138 BW en artikel 2:248 BW, kunnen bestuurders ook aansprakelijk gesteld worden op grond van onrechtmatige daad. Bovengenoemde artikelen bieden een specifieke grondslag voor bestuurdersaansprakelijkheid.

Artikel 6:162 BW geeft een algemene grondslag voor bestuurdersaansprakelijkheid, namelijk de onrechtmatige daad. Externe bestuurdersaansprakelijkheid op grond van kennelijk onbehoorlijk bestuur kan alleen door de curator ingeroepen worden. Bestuurdersaansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad kan ook door een individuele schuldeiser ingeroepen worden. De Hoge Raad onderscheidt twee vormen van bestuurdersaansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad.

3.2.1. Beklamelnorm

Allereerst kan aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad aangenomen worden op grond van de zogenaamde Beklamelnorm. In dit geval is een bestuurder namens de vennootschap een overeenkomst aangegaan met een derde, terwijl hij wist of redelijkerwijs behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen. De bestuurder wist of behoorde dus te weten dat de vennootschap geen verhaal zou bieden met betrekking tot de overeenkomst.9 Om deze reden kan de onrechtmatige daad aangenomen worden.

3.2.2. Frustratie van verhaal

De tweede maatstaf houdt in dat bestuurdersaansprakelijkheid aangenomen kan worden indien een bestuurder zelf heeft veroorzaakt dat de vennootschap de schuldeisers niet betaalt en tevens geen verhaal biedt. Dit is kortweg frustratie van verhaal. De vennootschap komt hierbij door het gedrag van de bestuurder haar betalingsverplichting niet na.

Het handelen of nalaten van de bestuurder ten opzichte van de schuldeiser is hierbij zo onzorgvuldig, dat de bestuurder een persoonlijk verwijt kan worden gemaakt.10 In dit geval ligt de bewijslast bij de schuldeiser; hij moet aantonen dat de bestuurder wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat zijn handelen tot gevolg zou hebben dat de vennootschap haar verplichtingen niet na kon komen. Vanwege deze zware bewijslast, zal een beroep op deze norm niet snel slagen.

4. Aansprakelijkheid van de rechtspersoon-bestuurder

In Nederland kan zowel een natuurlijke persoon als een rechtspersoon bestuurder van een rechtspersoon zijn. Dit brengt echter niet met zich mee dat bestuurdersaansprakelijkheid van natuurlijke personen zomaar omzeild kan worden door een rechtspersoon bestuurder te maken. Dit blijkt uit artikel 2:11 BW. Er wordt onderscheid gemaakt tussen rechtspersoon-bestuurders en natuurlijke bestuurders. Wanneer een rechtspersoon-bestuurder aansprakelijk gesteld kan worden, rust deze aansprakelijkheid ook op de natuurlijke bestuurders van deze rechtspersoon-bestuurder.

Het gaat hierbij om de personen die ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid bestuurders van de rechtspersoon-bestuurder waren. Op grond van artikel 2:11 BW is het bestaan van aansprakelijkheid van de rechtspersoon-bestuurder een voorwaarde voor het aannemen van aansprakelijkheid van de bestuurders van de rechtspersoon-bestuurder. Pas wanneer de rechtspersoon-bestuurder aansprakelijk is, rust deze aansprakelijkheid ook op de natuurlijke bestuurders van de rechtspersoon-bestuurder.

4.1. Reikwijdte van artikel 2:11 BW

Artikel 2:11 BW is zonder meer van toepassing in gevallen dat bestuurdersaansprakelijkheid aangenomen kan worden op grond van artikel 2:9 BW, artikel 2:138 BW en artikel 2:248 BW. Zoals al eerder besproken, zijn dit specifieke aansprakelijkheidsgrondslagen. Bestuurdersaansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW is een algemene grondslag voor aansprakelijkheid. Er ontstond discussie omtrent de vraag of artikel 2:11 ook toepasbaar is bij bestuurdersaansprakelijkheid die voortvloeit uit onrechtmatige daad.

De Hoge Raad heeft in een recent arrest bepaald dat dit wel het geval is en verwijst hierbij naar de wetsgeschiedenis. Artikel 2:11 BW heeft als doel om te voorkomen dat een natuurlijk persoon zich achter een rechtspersoon-bestuurder verschuilt om aansprakelijkheid te voorkomen. Hier volgt dan ook uit dat artikel 2:11 BW van toepassing is op alle gevallen waarin een rechtspersoon-bestuurder aansprakelijk is op grond van de wet.

Dus ook in het geval van bestuurdersaansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad. In dergelijke gevallen geldt ook niet de aanvullende eis dat de natuurlijke bestuurder van de rechtspersoon-bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Aansprakelijkheid van de rechtspersoon-bestuurder is voldoende grondslag voor aansprakelijkheid van de natuurlijke bestuurder.

Aansprakelijkheid kan echter wel afgewend worden indien de bestuurder van een rechtspersoon-bestuurder stelt, en zo nodig bewijst, dat hem persoonlijk geen ernstig verwijt kan worden gemaakt van de gedragingen waarop de aansprakelijkheid van de rechtspersoon-bestuurder is gebaseerd.11 In feite kan een bestuurder van een rechtspersoon-bestuurder zich dan disculperen voor aansprakelijkheid. Uit dit arrest blijkt dus dat bestuurdersaansprakelijkheid voor natuurlijke bestuurders van rechtspersoon-bestuurders aangenomen kan worden bij alle uit de wet voortvloeiende vormen van bestuurdersaansprakelijkheid. 

5. Décharge van het bestuur

Bestuurdersaansprakelijkheid kan afgewend worden doordat aan de bestuurders décharge wordt verleend. Décharge houdt in dat het beleid dat een bestuurder tot op het moment van décharge heeft gevoerd, door de vennootschap wordt goedgekeurd. Er is dus sprake van een ontheffing van aansprakelijkheid van de bestuurders. Décharge is geen wettelijk begrip, maar is wel in bijna alle statuten van rechtspersonen terug te vinden. Décharge wordt binnen vennootschappen verleend door de Algemene Vergadering van Aandeelhouders.

Bij verenigingen wordt décharge verleend door de Algemene Ledenvergadering. Het gaat hierbij om een intern ontslag van aansprakelijkheid. Décharge heeft dan ook alleen betrekking op de interne aansprakelijkheid van bestuurders. Derden kunnen de bestuurder nog steeds aansprakelijk stellen op basis van de eerdergenoemde gronden. Dit blijkt ook uit artikel 2:138 lid 6 BW en artikel 2:248 lid 6 BW, waarin staat dat een eventuele aan de bestuurder verleende kwijting (décharge) het instellen van een vordering niet in de weg staat.

5.1. Décharge biedt geen garantie

Daarnaast ziet de décharge enkel toe op feiten en omstandigheden die op het moment van déchargeverlening bekend waren bij de aandeelhouders.12 Het gaat hierbij om zaken die kenbaar zijn uit de jaarstukken of die expliciet aan de vergadering van aandeelhouders zijn medegedeeld. Voor onbekende feiten blijft de bestuursaansprakelijkheid gewoon bestaan. Wanneer achteraf dus nog onbekende feiten aan het licht komen, dan is daarvoor geen décharge verleend aan de bestuurder.

Décharge moet bovendien als apart agendapunt tijdens de algemene vergadering opgevoerd worden en moet expliciet verleend worden. Dit blijkt uit artikel 2:49 lid 3 BW, artikel 2:101 lid 3 BW en artikel 2:211 lid 3 BW. Décharge is dus niet honderd procent veilig en biedt geen garantie; décharge wendt externe bestuurdersaansprakelijkheid niet af en wordt bovendien alleen verleend voor feiten die bekend waren aan het orgaan dat décharge verleend heeft.

6. Conclusie

Ondernemen kan een uitdagende bezigheid zijn, maar komt helaas niet zonder risico’s. Veel ondernemers denken dat zij met het oprichten van een rechtspersoon privéaansprakelijkheid uit kunnen sluiten. Deze ondernemers komen echter bedrogen uit; onder bepaalde omstandigheden kan bestuurdersaansprakelijkheid aangenomen worden. Hierbij kan een bestuurder zowel intern, door de rechtspersoon, als extern, door een derde, aansprakelijk gesteld worden. Dit kan verregaande gevolgen hebben; een bestuurder is dan namelijk met zijn privévermogen aansprakelijk voor schulden van de rechtspersoon.

Het voeren van onbehoorlijk bestuur is een belangrijke maatstaf om te bepalen of bestuurdersaansprakelijkheid al dan niet aangenomen kan worden. Hierbij moet de bestuurder een ernstig verwijt gemaakt kunnen worden. Er bestaan echter mogelijkheden voor bestuurders om aansprakelijkheid af te wenden, doordat décharge verleend is of doordat zij zich kunnen disculperen. Hier worden door de rechter echter strenge eisen aan gesteld en bovendien ligt de bewijslast op de bestuurder.

Ook is het niet mogelijk om bestuurdersaansprakelijkheid te ontlopen door een rechtspersoon bestuurder te maken. Ondernemen kan dus een uitdagende en lucratieve bezigheid zijn, maar de risico’s met betrekking tot aansprakelijkheid moeten niet onderschat worden. Wanneer bestuurdersaansprakelijk aangenomen wordt, heeft dit grote gevolgen voor het persoonlijke leven van desbetreffende bestuurder. Bestuurders van rechtspersonen doen er dan ook verstandig aan om mogelijke bestuurdersaansprakelijkheid te voorkomen door zich aan de wettelijke verplichtingen te houden en op een open en weloverwogen manier bestuur over de rechtspersoon te voeren.

__________________________________

[1] Hoewel er ook nog andere organen kunnen zijn die de rechtspersoon vertegenwoordigen, zoals de aandeelhoudersvergaring, een Raad van Commissarissen of een Ondernemingsraad.

[2] ECLI:NL:HR:1997:ZC2243 (Staleman/Van de Ven).

3 ECLI:NL:HR:2002:AE7011 (Berghuizer Papierfabriek).

4 ECLI:NL:RBMNE:2013:CA3225.

5 ECLI:NL:GHAMS:2010:BN6929.

6 ECLI:NL:HR:2001:AB2053 (Panmo).

[3] ECLI:NL:HR:2007:BA6773 (Blue Tomato).

8 ECLI:NL:HR:2015:522 (Glascentrale Beheer B.V.).

9 ECLI:NL:HR:1989:AB9521 (Beklamel).

10 ECLI:NL:HR:2006:AZ0758 (Ontvanger/Roelofsen).

11 ECLI:NL:HR:2017:275.

12 ECLI:NL:HR:1997:ZC2243 (Staleman/Van de Ven); ECLI:NL:HR:2010:BM2332.

Vergoeding affectieschade: Wat betekent het voor u?
Civiel Recht, Nieuws

Vergoeding affectieschade…

Vergoeding voor Affectieschade en de Erkenning van Emotioneel Verdriet

Een vergoeding voor affectieschade was tot voor kort in het Nederlandse recht niet mogelijk. Affectieschade is immateriële schade die bestaat uit het verdriet dat wordt veroorzaakt door een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is, waarbij er sprake is van ernstig gewond raken of het overlijden van een naaste. De vergoeding heeft meer een symbolisch karakter, aangezien een vergoeding in werkelijkheid geen compensatie kan bieden voor het verdriet van een naaste.

Op 18 december 2013 werd er door staatssecretaris Teeven in de Tweede Kamer aangegeven dat er een nieuw wetsvoorstel zou komen dat voorzag in vergoedingen van affectieschade. Dit wetsvoorstel is op 16 juli 2015 ingediend en is uiteindelijk op 10 april 2018 door de Eerste Kamer aangenomen. Er werd al jarenlang gepleit om de positie van naasten te verbeteren om zo te helpen bij de verwerking. Deze vergoeding leidt tot erkenning van het verdriet en genoegdoening voor degenen die de emotionele gevolgen dragen van een ongeval.

Vergoeding affectieschade bij ongeval

Voor ondernemers betekent dit dat naasten recht kunnen hebben op een vergoeding wanneer een slachtoffer door een bedrijfsongeval overlijdt of ernstig blijvend letsel oploopt en de ondernemer hiervoor aansprakelijk is. Als naasten gelden:

  • de partner van het slachtoffer
  • de kinderen
  • de stiefkinderen
  • de ouders

De vergoedingen bij affectieschade kunnen per situatie verschillen. Het kan gaan om bedragen tussen de € 12.500 en € 20.000. De wet affectieschade treedt in werking per 1 januari 2019.

Wat is het Klimaatakkoord? Alle Informatie Hier!
Actualiteiten, Nieuws

Het Nederlandse Klimaatakkoord

Klimaatakkoord en de Strijd Tegen Klimaatverandering in Nederland

De laatste weken wordt veel over het klimaatakkoord gesproken. Voor veel mensen is het echter onduidelijk wat het klimaatakkoord precies is en inhoud. Het begint allemaal bij het Klimaatakkoord van Parijs. Dit is een afspraak tussen bijna alle landen ter wereld om klimaatverandering tegen te houden en de opwarming van de aarde te beperken. Dit akkoord gaat per 2020 in. Om de doelen uit het Klimaatakkoord van Parijs te behalen, moeten in Nederland bepaalde afspraken gemaakt worden. Deze afspraken worden vastgelegd in een Nederlands Klimaatakkoord.

Het grote doel van het klimaatakkoord is om in Nederland in 2030 bijna de helft minder broeikasgassen uit te stoten dan dat we in 1990 deden. Hierbij wordt vooral aandacht besteedt aan het verminderen van de CO2-uitstoot in de lucht. Bij de totstandkoming van het klimaatakkoord zijn verschillende partijen betrokken. Zo zitten onder andere overheden, werkgevers, vakbonden en milieuorganisatie aan tafel. Deze organisaties zijn over verschillende sectortafels verdeeld, namelijk elektriciteit, gebouwde omgeving, industrie, landbouw en landgebruik en mobiliteit.

Het-Nederlandse-Klimaatakkoord

Om de doelen uit het Klimaatakkoord van Parijs te behalen, moeten er maatregelen genomen worden. Het is duidelijk dat het nemen van dergelijke maatregelen kosten met zich meebrengt. Het uitgangspunt hierbij is dat de transitie naar minder CO2 uitstoot voor iedereen haalbaar en betaalbaar moet blijven. De lasten moeten op rechtvaardige wijze verdeeld worden om het draagvlak te behouden. Elke sectortafel heeft de opdracht gekregen om een aantal tonnen CO2 te besparen.

Dit moet uiteindelijk leiden tot een nationaal klimaatakkoord. Op dit moment is er een voorlopig klimaatakkoord opgesteld. Niet elke partij die aan de onderhandelingstafel heeft gezeten, is op dit moment echter bereid om dit akkoord te ondertekenen. Onder andere een aantal milieuorganisatie en de FNV zijn het niet eens met de afspraken zoals in het voorlopige klimaatakkoord opgenomen zijn. Deze ontevredenheid heeft vooral betrekking op de voorstellen op het vlak van de industrie. Het bedrijfsleven zou volgens de organisaties harder aangepakt moeten worden, zeker omdat de industrie voor een groot deel van de uitstoot van broeikasgassen verantwoordelijk is.

Op dit moment zou de gewone burger meer met de kosten en gevolgen geconfronteerd worden dan de industrie. Daar zijn voorgenoemde organisaties het niet mee eens. Wanneer het akkoord niet aangepast worden, zullen dus niet alle organisaties hun handtekening onder het uiteindelijke akkoord zetten. Bovendien moeten de voorgestelde afspraken uit het voorlopige klimaatakkoord nog doorgerekend worden en moeten de Tweede en de Eerste Kamer hiermee instemmen. Het is dus duidelijk dat de lange onderhandelingen over het klimaatakkoord nog niet tot een bevredigend resultaat geleid hebben en het zou nog wel even kunnen duren voordat er een definitief klimaatakkoord is bereikt.

Consumentenbescherming: Wat zijn je rechten?
Civiel Recht, Nieuws

Consumentenbescherming bij algemene voorwaarden

Consumentenbescherming en de Juiste Toepassing in Algemene Voorwaarden

Ondernemers die producten verkopen of diensten verlenen, maken vaak gebruik van algemene voorwaarden om de verhouding met de afnemer van het product of de dienst te regelen. Wanneer de afnemer een consument is, geniet deze consumentenbescherming. Consumentenbescherming is in het leven geroepen om de ‘zwakke’ consument te beschermen tegen de ‘sterke’ verkoper. Om te bepalen of een afnemer consumentenbescherming geniet, moet eerst bepaald worden wat een consument is. Een consument is een natuurlijke persoon die geen vrij beroep of bedrijf uitoefent of een natuurlijke persoon die buiten zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit handelt. Een consument is dus kortgezegd iemand die een product koop of dienst afneemt voor niet-bedrijfsmatige, persoonlijke doeleinden.

Consumentenbescherming bij algemene voorwaarden houdt in dat ondernemers niet zo maar alles in hun algemene voorwaarden op mogen nemen. Wanneer een bepaling onredelijk bezwarend is, dan geldt deze bepaling niet voor de consument. In het Burgerlijk Wetboek zijn een zogenaamde zwarte en grijze lijst opgenomen. In de zwarte lijst staan bepalingen die altijd onredelijk bezwarend zijn, in de grijze lijst staan bepalingen die meestal (vermoedelijk) onredelijk bezwarend zijn. Bij een bepaling uit de grijze lijst moet de onderneming aantonen dat deze bepaling wel redelijk is. Hoewel het altijd aangeraden wordt om de algemene voorwaarden goed door te nemen, wordt de consument door de Nederlandse wet ook beschermd tegen onredelijke bepalingen.

Ondertekenen Zonder Begrip? Dit Moet Je Weten
Civiel Recht, Nieuws

Veel mensen ondertekenen een contract zonder de inhoud te begrijpen

Waarom Veel Mensen Een Contract Ondertekenen Zonder Het Te Begrijpen

Veel mensen ondertekenen een contract zonder de inhoud te begrijpen. Uit onderzoek blijkt dat veel mensen een contract ondertekenen, zonder de inhoud daarvan daadwerkelijk te begrijpen. Hierbij gaat het in de meeste gevallen om huur-of koopcontracten, arbeidscontracten en ontslagovereenkomsten. De reden voor het niet snappen van contracten kan vaak gezocht worden in het taalgebruik; contracten bevatten vaak veel juridische termen en ambtelijk taalgebruik. Daarnaast blijkt dat veel mensen een contract ook niet goed lezen voordat zij dit ondertekenen.

Hierbij worden vooral vaak de ‘kleine lettertjes’ vergeten. Mensen zijn hierdoor niet op de hoogte van eventuele addertjes onder het gras en kunnen juridische problemen krijgen. Deze juridische problemen hadden veelal voorkomen kunnen worden als mensen het contract goed zouden begrijpen. Omdat het vaak gaat om contracten die grote gevolgen met zich mee kunnen brengen, is het erg belangrijk dat u de gehele inhoud van het contract begrijpt voordat u uw handtekening zet. Hiervoor kunt u juridisch advies inwinnen. Law & More helpt u graag met het doornemen van uw contracten.

Ziektewet en Psychische Klachten Na Zwangerschap
Arbeidsrecht, Nieuws

Ziektewet na arbeidsongeschiktheid als gevolg van psychische klachten na zwangerschap?

Ziektewet en Psychische Klachten Na Zwangerschap

Ziektewet na arbeidsongeschiktheid als gevolg van psychische klachten na zwangerschap? Op grond van artikel 29a ZW heeft de vrouwelijke verzekerde die ongeschikt is voor het verrichten van haar arbeid recht op een uitkering op grond van de Ziektewet, als de oorzaak van haar arbeidsongeschiktheid is gelegen in zwangerschap of bevalling. Als die arbeidsongeschiktheid zich openbaart in de vorm van psychische klachten werd in het verleden slechts zelden een verband met de zwangerschap of bevalling aangenomen. Recente jurisprudentie wijst op een kentering op dit punt.

https://www.recht.nl/nieuws/arbeidsrecht/168727/ziektewet-na-arbeidsongeschiktheid-als-gevolg-van-psychische-klachten-na-zwangerschap/

Eerste Geslachtsaanduiding ‘X’ in Paspoort in Nederland
Nieuws, Personen- en Familierecht

Voor het eerst in Nederland heeft iemand een paspoort zonder geslachtsaanduiding

Eerste Geslachtsaanduiding ‘X’ in Paspoort in Nederland

Voor het eerst in Nederland heeft iemand een paspoort zonder geslachtsaanduiding. Mevrouw Zeegers voelt zich noch man noch vrouw en wil dat dit ook zo in het paspoort komt te staan. De rechtbank in Limburg besloot eerder dit jaar dat geslacht geen kwestie van geslachtskenmerken maar van genderidentiteit is. Mevrouw Zeegers mag daarom als eerste Nederlander een neutrale ‘X’ in haar paspoort. Deze ‘X’ komt in plaats van de ‘V’ die voorheen haar geslacht aanduidde.

Mevrouw Zeegers begon tien jaar geleden met de strijd voor een genderneutraal paspoort:

‘De vermelding ‘vrouw’ voelde niet goed. Het is juridisch verwrongen werkelijkheid die niet kloppend is aan de natuurlijke werkelijkheid. De natuur heeft mij neutraal op de wereld gezet’.

Dat Zeegers een X in het paspoort krijgt, betekent niet dat iedereen dat zonder meer kan krijgen. Iedereen die geen M of V meer wil in het paspoort moet dit individueel via de rechtbank af te dwingen.

https://nos.nl/artikel/2255409-geen-m-of-v-maar-x-eerste-genderneutrale-paspoort-uitgereikt.html

Echtscheiding en pensioenverdeling
Echtscheiding, Nieuws

Kabinet wil pensioen automatisch verdelen bij echtscheiding

Echtscheiding en pensioenverdeling eenvoudig geregeld

Het kabinet wil dat partners bij een echtscheiding automatisch recht krijgen op de helft van elkaars pensioen. Minister Wouter Koolmees van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wil medio 2019 een voorstel in de Tweede Kamer hierover bespreken. De komende tijd werkt hij het voorstel verder uit met marktpartijen zoals de pensioensector, schrijft hij in een brief aan de Tweede Kamer.

In de huidige opzet hebben de partners twee jaar om aanspraak te maken op hun deel van het pensioen. Doen ze dit niet binnen deze tijd, dan moeten ze dit zien te regelen met hun ex-partner.

“Echtscheiding is een moeilijke situatie waarbij je veel aan je hoofd hebt en pensioen is een ingewikkeld onderwerp. De verdeling kan en moet eenvoudiger. Het doel is dat kwetsbare partners beter beschermd worden”, aldus de minister.

https://www.nrc.nl/nieuws/2018/03/09/kabinet-wil-pensioenen-automatisch-verdelen-bij-scheiding-a1595036

Faillissement van reisaanbieder: uw rechten uitgelegd
Civiel Recht, Nieuws

Reiziger beter beschermd tegen faillissement van reisaanbieder

Bescherming bij faillissement van reisaanbieder door nieuwe wetgeving

Voor veel mensen zal het een nachtmerrie zijn: de vakantie waar u het hele jaar zo hard voor heeft gewerkt, gaat niet door omdat de reisaanbieder failliet gaat. Door nieuwe wetgeving is de kans dat dit u overkomt gelukkig kleiner geworden. Op 1 juli 2018 zijn namelijk nieuwe regels in werking getreden waardoor reizigers in meer gevallen beschermd zijn tegen het faillissement van de reisaanbieder. Tot aan de inwerkingtreding van de nieuwe wetgeving waren alleen consumenten die een pakketreis geboekt hadden beschermd tegen faillissement van de reisaanbieder.

In de huidige samenleving stellen reizigers hun reis echter steeds vaker zelf samen, waarbij zij elementen van verschillende reisaanbieders samenvoegen tot één reis. De nieuwe regels spelen in op deze ontwikkeling door ook reizigers die zelf hun reis samenstellen te beschermen bij faillissement van de reisaanbieder(s). In sommige gevallen vallen bovendien ook zakelijke reizigers onder de reikwijdte van deze bescherming. De nieuwe regels gelden voor alle reizen die op of na 1 juli 2018 zijn geboekt. Let op: deze bescherming is alleen van toepassing bij het faillissement van de reisaanbieder en is niet van toepassing bij vertraging of stakingen.

Lees meer: https://www.acm.nl/nl/publicaties/reiziger-beter-beschermd-tegen-faillissement-reisaanbieder

Verwerkingsverantwoordelijke Vs. Verwerker | AVG Uitleg
Actualiteiten, Nieuws

Het verschil tussen verwerkingsverantwoordelijke en verwerker

Verwerkingsverantwoordelijke onder de AVG

De Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) is alweer een aantal maanden van kracht. Toch is er nog onduidelijkheid met betrekking tot de betekenis van bepaalde begrippen in de AVG. Het is bijvoorbeeld niet voor iedereen duidelijk wat het verschil is tussen een verwerkingsverantwoordelijke en een verwerker, terwijl dit toch kernbegrippen van de AVG zijn.

Volgens de AVG is de verwerkingsverantwoordelijke de (rechts)persoon of organisatie die het doel en de middelen van de gegevensverwerking bepaalt. De verwerkingsverantwoordelijke bepaalt dus waarom persoonsgegevens verwerkt worden. Daarnaast bepaalt de verwerkingsverantwoordelijke in principe ook met welke middelen de gegevensverwerking plaatsvindt.

In de praktijk is de partij die zeggenschap heeft over de gegevensverwerking dus al snel de verwerkingsverantwoordelijke. Een verwerker is volgens de AVG een afzonderlijke (rechts)persoon of organisatie die ten behoeve van de verwerkingsverantwoordelijke, en onder diens verantwoordelijkheid, persoonsgegevens verwerkt.

Bij een verwerker moet altijd de vraag gesteld worden of deze de verwerking van persoonsgegevens uitvoert voor zichzelf of ten behoeve van een verwerkingsverantwoordelijke. De vraag wie verwerkingsverantwoordelijke en wie verwerker is, kan soms een puzzel zijn. Uiteindelijk kan het beste de volgende toets aangehouden worden: wie heeft de uiteindelijke zeggenschap over het doel en de middelen van de gegevensverwerking?

Bescherm Uzelf Tegen Oneerlijke Handelspraktijken | L & M
Actualiteiten, Nieuws

Toename oneerlijke handelspraktijken via telefoon

Oneerlijke handelspraktijken herkennen en vermijden

Er wordt steeds vaker melding gedaan van oneerlijke handelspraktijken door middel van telefonische verkoop. Dit constateert de Autoriteit Consument & Markt, de onafhankelijke toezichthouder die zich sterk maakt voor consumenten en bedrijven. Mensen worden steeds vaker telefonisch benaderd met zogenaamde aanbiedingen voor kortingsacties, vakanties en prijsvragen.

Deze aanbiedingen zijn vaak onduidelijk geformuleerd, waardoor consumenten uiteindelijk meer moeten betalen dan zij verwachten. Dit telefonische contact wordt bovendien gevolgd door agressieve incassopraktijken. Daarnaast worden ook mensen die alleen hebben ingestemd met het ontvangen van informatie sterk onder druk gezet om te betalen. De Autoriteit Consument en Markt adviseert personen die telefonisch benaderd worden met dergelijke aanbiedingen om het gesprek te beëindigen, nee te zeggen en in geen geval rekeningen te betalen.

Lees meer: https://rechtennieuws.nl/56668/acm-toename-oneerlijke-handelspraktijken-via-telefonische-verkoop/

Auteursrecht: Uw Rechten In De Digitale Wereld | Law & More
Actualiteiten, Nieuws

Auteursrecht : wanneer is content openbaar?

Auteursrecht: Belangrijk voor uw creaties

Het intellectuele eigendomsrecht is volop in ontwikkeling en heeft de afgelopen tijd een enorme groei meegemaakt. Dit is onder andere terug te zien in het auteursrecht. Bijna iedereen zit tegenwoordig op Facebook, Twitter of Instagram of heeft een eigen website. Mensen maken dus veel meer eigen content, die vaak openbaar geplaatst wordt. Bovendien wordt er ook veel vaker dan vroeger inbreuk gemaakt op het auteursrecht, bijvoorbeeld doordat foto’s gepubliceerd worden zonder toestemming van de eigenaar en doordat men via internet gemakkelijker toegang heeft tot illegale content.

Het openbaar maken van content heeft in relatie tot het auteursrecht een belangrijke rol gespeeld in drie recente arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Het ging in deze zaken om de invulling van het begrip ‘openbaar maken aan het publiek’. Expliciet werd de vraag gesteld of de volgende handelingen vallen onder het begrip ‘openbaar maken’:

  • Het plaatsen van een hyperlink naar illegaal geplaatste, uitgelekte foto’s
  • Het verkopen van mediaspelers die toegang bieden tot digitale content zonder toestemming van rechthebbenden
  • Het faciliteren van een systeem aan de hand waarvan gebruikers beschermde werken kunnen traceren en downloaden (The Pirate Bay)

‘Openbaar maken’ moet volgens het hof niet technisch, maar functioneel benaderd worden. Verwijzingen naar auteursrechtelijk beschermde werken die ergens anders staan opgeslagen, worden door de Europese rechter gelijkgesteld aan bijvoorbeeld het ter beschikking stellen van een illegaal gekopieerde dvd.[1] In dergelijke gevallen kan er sprake zijn van een inbreuk op het auteursrecht. We zien binnen het auteursrecht dus een ontwikkeling waarbij meer praktisch gekeken wordt naar de manier waarop consumenten content tot zich nemen.

Lees meer: https://assets.budh.nl/advocatenblad/pdf/ab_10_2017.pdf

[1]  Sanoma/GeenStijl: ECLI:EU:C:2016:644; BREIN/Filmspeler: ECLI:EU:C:2017:300; BREIN/Ziggo & XS4ALL: ECLI:EU:C:2017:456.

Polen Geschorst Als Lid Europees | Law & More B.V.
Actualiteiten, Nieuws

Polen geschorst als lid Europees netwerk voor rechtspraak

Waarom is Polen geschorst door de ENCJ?

Het Europese Netwerk voor Raden van de Rechtspraak (ENCJ) heeft Polen geschorst als lid. De ENCJ zegt dat door recente hervormingen vraagtekens kunnen worden gezet bij de onafhankelijkheid van de Poolse rechterlijke macht. De Poolse regeringspartij Recht en Rechtvaardigheid (PiS) heeft de afgelopen jaren een serie omstreden hervormingen doorgevoerd. Die geven de regering meer invloed over de rechterlijke macht. De ENCJ zegt dat “extreme omstandigheden” de schorsing van Polen noodzakelijk maken.

Lees meer: https://nos.nl/artikel/2250880-polen-geschorst-als-lid-van-europees-netwerk-voor-rechtspraak.html

Bestuurders Kan Geen Persoonlijk Ernstig Verwijt | L & M
Blog, Ondernemingsrecht

Bestuurders kan geen persoonlijk ernstig verwijt worden gemaakt; geen bestuurdersaansprakelijkheid

Bestuurdersaansprakelijkheid: Wanneer is er persoonlijk verwijt?

Dit is een samenvatting van de uitspraak van 31 januari 2018 van de Rechtbank Noord-Holland.

Eiser heeft uit hoofde van een vonnis een vordering op PNO Global Coins B.V. (PNO). PNO heeft echter geen baten om deze vordering te betalen. Eiser stelt vervolgens de bestuurders van PNO aansprakelijk uit hoofde van hun functie en vordert de hoofdelijke veroordeling van gedaagden tot betaling van de vordering. Eiser beroept zich hierbij op externe aansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW en artikel 2:11 BW.

Samenvatting van de feiten

Eiser is een projectgewijze samenwerking aangegaan met PNO Global Coins B.V. (PNO), waarbij eiser als opdrachtnemer diensten zou verrichten voor PNO als opdrachtgever. Tijdens het uitvoeren van twee projecten zijn echter problemen ontstaan. Als gevolg hiervan, heeft de rechtbank Noord-Nederland PNO op 23 november 2016 veroordeeld tot betaling aan eiser van een bedrag van 88.405,85.

Na incassering van een deel van het bedrag, resteert er nog een door PNO aan eiser te betalen bedrag van €45.914,75. Eiser heeft vervolgens de bestuurders van PNO (gedaagden) aansprakelijk gesteld voor de schade die zij lijdt doordat PNO aan het vonnis geen volledige uitvoering geeft.

In deze zaak vordert eiser de hoofdelijke veroordeling van gedaagden tot betaling van €47.299,85. Eiser stelt gedaagden aansprakelijk uit hoofde van hun functie als bestuurder van PNO. Eiser beroept zich op externe aansprakelijkheid en baseert haar vordering op artikel 6:162 BW en 2:11 BW.

Samenvatting van de rechtsoverwegingen

Volgens eiser treft gedaagden ieder persoonlijk een ernstig verwijt. Gedaagden hebben willens en wetens bewerkstelligd dat PNO niet (meer) kon voldoen aan haar betalingsverplichting jegens eiser, door al het geld van PNO uit te geven en geen nieuwe opdrachten binnen te halen.

Eiser voert hiertoe aan dat de projecten een winst gegenereerd hebben die in lijn was met de prognose en derhalve niet onverwacht was. PNO wist ook dat zij 70% van de ontvangen gelden af moest staan aan eiser. De boekhouding van PNO was overzichtelijk, dus gedaagden hadden kunnen zien aankomend dat PNO niet aan een eventueel veroordelend vonnis zou kunnen voldoen. Eiser heeft hen hiervoor zelfs gewaarschuwd.

Toch hebben gedaagden zichzelf regelmatig een management fee laten uitkeren en hebben zij nagelaten een BTW-claim te verzilveren die haar in staat had gesteld een groot bedrag aan eiser te voldoen. Als bestuurders van PNO zijn zij dan ook aansprakelijk voor alle schade die eiser heeft geleden. Gedaagden voeren aan dat PNO wel degelijk gepoogd heeft andere opdrachten binnen te halen en acquisitie-activiteiten heeft verricht.

Hiervoor heeft PNO noodzakelijke kosten moeten maken. De te verwachten winstmarge voor 2015 en 2016 was bovendien positief. Anders dan eiser stelt, hebben gedaagden geen management fee, arbeidsbeloning of vergoeding van PNO ontvangen. Daarnaast hadden gedaagden ook geen negatieve uitkomst van het vonnis verwacht. Gedaagden stellen dat PNO reeds in september 2015 geen middelen meer had om verdere betalingen aan eiser te doen.

Eiser heeft verschillende omstandigheden aangevoerd om aan te geven dat gedaagden persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Gedaagden hebben echter aannemelijk gemaakt dat PNO na 30 september 2015 over nagenoeg geen baten meer beschikte en daardoor niet in staat is geweest om de vordering van eiser te betalen. Eiser heeft bovendien niet aangetoond dat PNO na deze datum nog baten heeft ontvangen waarmee haar vordering had kunnen worden voldaan.

Volgens de rechtbank moet aangenomen worden dat gedaagden in ieder geval na 30 september 2015 geen management fees of andere vergoedingen van PNO hebben ontvangen en dat zij hun acquisitie-werkzaamheden na die datum voornamelijk uit eigen vermogen hebben betaald.

Uit overlegde stukken van de rechtbank kan bovendien afgeleid worden dat de bodemprocedure voor PNO op voorhand niet geheel kansloos was. De rechtbank is derhalve van mening dat niet is gebleken van een deugdelijke grond om gedaagden wegens een hen te maken ernstig verwijt aansprakelijk te houden voor het niet volledig kunnen innen van de bedragen die eiser bij vonnis zijn toegekend.

Deze samenvatting is gemaakt in het kader van auteurswerk voor Kluwer Smartnewz.

Contact

Heeft u vragen of opmerkingen naar aanleiding van deze samenvatting, voelt u zich dan vrij om contact op te nemen met mr. Ruby van Kersbergen, advocaat bij Law & More via [email protected] of mr. Tom Meevis, advocaat bij Law & More via [email protected], of bel ons op +31 (0)40-3690680.

 

 

samen met uw partner 840px
Blog, Immigratierecht

Samen met uw partner in Nederland wonen

Samen met uw partner wonen? Ontdek de verblijfsprocedure

‘’Law & More helpt en begeleidt u en uw partner bij alle stappen van de aanvraagprocedure voor een verblijfsvergunning.’’

Wilt u graag samen met uw partner in Nederland wonen? Dan heeft u een verblijfsvergunning nodig. Om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning zullen u en uw partner aan meerdere voorwaarden moeten voldoen. Er gelden een aantal algemene en een aantal specifieke voorwaarden.

Enkele algemene voorwaarden

De eerste algemene voorwaarde is dat u beiden over een geldig paspoort beschikt. Ook zal u een antecedentenverklaring in moeten vullen. In deze verklaring geeft u onder meer aan dat u geen misdrijven heeft begaan in het verleden. In sommige gevallen zal u na aankomst in Nederland deel moeten nemen aan een medisch onderzoek voor tuberculose. Dit is afhankelijk van uw situatie. Daarnaast dient u beiden 21 jaar of ouder te zijn.

Enkele specifieke voorwaarden

Een van de specifiekere voorwaarden is dat uw partner voldoende inkomen dient te hebben dat zelfstandig en duurzaam is. Meestal moet het inkomen minimaal gelijk zijn aan het wettelijke minimumloon. Soms geldt een andere inkomenseis, dit is afhankelijk van uw situatie. Deze voorwaarde geldt niet als uw partner de AOW-leeftijd heeft bereikt, blijvend en volledig arbeidsongeschikt is of niet in staat is aan de plicht tot arbeidsinschakeling te voldoen.

Een andere belangrijke voorwaarde die de Nederlandse Immigratie & Naturalisatie Dienst stelt, is het behalen van het basisexamen inburgering buitenland. Alleen als u hiervoor wordt vrijgesteld, hoeft u het examen niet te doen. Wilt u weten of u vrijgesteld kunt worden voor het basisexamen inburgering, wat de kosten zijn van het examen en hoe u zich hiervoor kunt aanmelden? Neem dan contact met ons op.

Hoe ziet de aanvraagprocedure eruit?

Allereerst zullen alle benodigde documenten en gegevens verzameld, gelegaliseerd en eventueel vertaald moeten worden. Als alle benodigde documenten zijn verzameld, kan de aanvraag voor een verblijfsvergunning worden ingediend.

In veel gevallen is er een speciaal visum nodig om Nederland in te kunnen reizen voor een verblijf langer dan 90 dagen. Dit speciale visum heet een machtiging tot voorlopig verblijf (een mvv). Dit is een sticker die de Nederlandse vertegenwoordiging in het paspoort plakt. Het al dan niet nodig hebben van een mvv is afhankelijk van uw nationaliteit.

Indien u een mvv nodig heeft, zal er een aanvraag ingediend moeten worden voor een mvv en verblijfsvergunning ineen. Indien u geen mvv nodig heeft, kan er een aanvraag ingediend worden voor enkel een verblijfsvergunning.

Na het indienen van de aanvraag controleert de Immigratie- en Naturalisatiedienst of u en uw partner aan alle voorwaarden voldoen. Binnen een termijn van 90 dagen wordt er een beslissing genomen.

Contact

Heeft u vragen of opmerkingen naar aanleiding van dit artikel, voelt u zich dan vrij om contact op te nemen met mr. Ruby van Kersbergen, advocaat bij Law & More via [email protected] of mr. Tom Meevis, advocaat bij Law & More via [email protected], of bel ons op +31 (0)40-3690680.

Aanbiedingsplicht Van Aandelen: Continuïteit Van De | L&M
Blog, Ondernemingsrecht

Aanbiedingsplicht van aandelen : continuïteit van de onderneming is niet in gevaar, dus geen spoedeisend belang

Dit is een samenvatting van de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 7 juni 2018. 

(A)B.V., (B)B.V. en (X)B.V. zijn aandeelhouders van (C)B.V. Zij hebben een aandeelhoudersovereenkomst gesloten, waaruit een aanbiedingsplicht voortvloeit. Nadat (X)B.V. is ontslagen als statutair bestuurder, is (X)B.V. een procedure gestart waarin gevorderd werd dat (A)B.V. en (B)B.V. de aandelen in (C)B.V. moesten kopen. Uit onderzoek is echter gebleken dat de aandelen van (X)B.V. een negatieve waarde hebben. (A)B.V. en (B).B.V. vorderen vervolgens in kort geding dat (X)B.V. de aandelen aan hen aanbiedt voor de prijs van €1,-.

Samenvatting van de feiten

(C)B.V. is enig aandeelhouder van een aantal werkmaatschappijen, aangeduid als het A-concern. Nadat er met het oog op opvolging verschillende malen aandelen zijn overgedragen, houden (A)B.V., (B).B.V. en (X)B.V. op het moment ieder ongeveer 33% van de aandelen in (C)B.V. Tussen hen is een aandeelhoudersovereenkomst gesloten, waaruit onder meer een aanbiedingsplicht van de aandelen van (C)B.V. aan de overige aandeelhouders voortvloeit.

Het bestuur van (C)B.V. bestaat op dit moment uit A, (B)B.V. en (X)B.V. Uiteindelijk is (X)B.V. ontslagen als statutair bestuurder van (C)B.V. (X)B.V. is vervolgens een procedure bij de rechtbank gestart waarin onder andere gevorderd is dat (A)B.V. en (B)B.V. de aandelen in (C)B.V. over moeten nemen tegen een nader te bepalen prijs. Deze vordering is echter afgewezen. Bovendien heeft de accountant van (C)B.V. bepaald dat de waarde van de door (X)B.V. gehouden aandelen negatief is, terwijl (X)B.V. deze aandelen verkregen heeft tegen een bedrag van €1.585.000,-. (X)B.V. heeft vervolgens hoger beroep tegen deze uitspraak ingesteld.

Samenvatting van de rechtsoverwegingen

(A)B.V. en (B)B.V. stellen zich als eiser in dit kort geding op het standpunt dat (X)B.V. als gedaagde verplicht is de door haar gehouden aandelen in (C)B.V. aan hen aan te bieden op grond van de aandeelhoudersovereenkomst, dan wel naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid. Gedaagde moet hiertoe in kort geding worden gedwongen, aangezien de huidige situatie de bedrijfsvoering van (C)B.V. belemmert.

Toewijzing van deze vorderingen betekent dat gedaagde haar aandelen kwijtraakt tegen een prijs van €1,- dan wel een door een accountant vast te stellen prijs. Gezien het ingrijpende karakter van deze vorderingen, dient bij de beoordeling daarvan grote terughoudendheid betracht te worden en komen deze enkel voor toewijzing in aanmerking indien de omstandigheden van het geval een direct ingrijpen vereisen teneinde het voortbestaan van de vennootschap te waarborgen.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter doet een dergelijke uitzonderlijke situatie zich hier niet voor. Dat de continuïteit van (C)B.V. dan wel haar bedrijfsvoering is lamgelegd, is niet aannemelijk geworden. Voor zover gedaagde als aandeelhouder afwijkend stemgedrag zou vertonen, heeft eiser een meerderheidsbelang, zodat besluitvorming binnen de AvA plaats kan vinden. Dat het aanblijven van gedaagde als ongewenst en lastig wordt ervaren doet hier niet aan af. Aangezien er geen sprake is van een spoedeisend belang, moet de bodemrechter zich over de vorderingen van eiser uitspreken.

Gedaagde vordert in reconventie afschriften van (financiële) stukken van (C)B.V. Zij heeft deze stukken nodig om in de thans aanhangige appelzaak een deugdelijke waardering van haar aandelen in (C)B.V. te laten uitvoeren. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is echter niet aannemelijk geworden dat gedaagde hierbij een spoedeisend belang heeft. Gedaagde heeft reeds om bijeenroeping van een AvA gevraagd, waarin zij in feite om dezelfde stukken vraagt.

Hierbij heeft zij een bepaalde termijn gesteld. De termijn was tijdens de mondelinge behandeling echter nog niet verstreken. Bovendien ligt de vordering tot waardering van de aandelen door de rechter thans ter beoordeling voor in hoger beroep. Daarmee is het dus niet aan gedaagde om al in haar memorie van grieven de waarde van de aandelen aan te tonen. Bij die stand van zaken valt niet in te zien waarom gedaagde thans met spoed in het bezit zou moeten worden gesteld van de verlangde stukken. Ook de eis in reconventie van gedaagde strandt hiermee.

Deze samenvatting is gemaakt in het kader van auteurswerk voor Kluwer Smartnewz.

Contact

Heeft u vragen of opmerkingen naar aanleiding van deze samenvatting, voelt u zich dan vrij om contact op te nemen met mr. Ruby van Kersbergen, advocaat bij Law & More via [email protected] of mr. Tom Meevis, advocaat bij Law & More via [email protected], of bel ons op +31 40-3690680.

1 2 54 55 56 57 58 59
Privacy Settings
We use cookies to enhance your experience while using our website. If you are using our Services via a browser you can restrict, block or remove cookies through your web browser settings. We also use content and scripts from third parties that may use tracking technologies. You can selectively provide your consent below to allow such third party embeds. For complete information about the cookies we use, data we collect and how we process them, please check our Privacy Policy
Youtube
Consent to display content from - Youtube
Vimeo
Consent to display content from - Vimeo
Google Maps
Consent to display content from - Google
Spotify
Consent to display content from - Spotify
Sound Cloud
Consent to display content from - Sound

facebook lawandmore.nl   instagram lawandmore.nl   linkedin lawandmore.nl   twitter lawandmore.nl