Gepubliceerd op 15 oktober 2025 · Laatst bijgewerkt op 30 oktober 2026
Een pandrecht blijft bij een doorstart of herstructurering bestaan. Het rust op de verpande zaken en vorderingen, ook als die aan een doorstarter worden overgedragen, en de pandhouder kan het in een faillissement uitoefenen alsof er geen faillissement is (artikel 57 Faillissementswet). Een doorstarter krijgt de activa daarom alleen vrij van pandrecht als de pandhouder meewerkt, meestal tegen een deel van de koopprijs; via een WHOA-akkoord kan een pandhouder onder voorwaarden ook tegen zijn zin worden gebonden.
Hieronder leest u hoe het pandrecht werkt bij een doorstart na faillissement, bij een pre-pack en bij een herstructurering buiten faillissement. Meer achtergrond vindt u in ons artikel over herstructurering en faillissement.
Inhoudsopgave
Vuistpand, stil pand en pand op debiteuren
Een pandrecht geeft de schuldeiser het recht de verpande goederen te laten verkopen en zich met voorrang uit de opbrengst te voldoen (artikel 3:227 en 3:248 BW). Het kan rusten op roerende zaken en vermogensrechten, zoals voorraad, inventaris, machines en vorderingen op debiteuren.
| Vorm | Hoe gevestigd | Betekenis bij een doorstart |
|---|---|---|
| Vuistpand (artikel 3:236 BW) | De zaak komt in de macht van de pandhouder of een derde | De doorstarter kan de zaak niet gebruiken zonder afspraak met de pandhouder |
| Stil pand op roerende zaken (artikel 3:237 BW) | Notariële of geregistreerde onderhandse akte; de onderneming houdt de zaken | Bij wanbetaling kan de pandhouder afgifte vorderen; bij bodemzaken speelt het bodemvoorrecht van de Belastingdienst |
| Pand op vorderingen (artikel 3:239 en 3:246 BW) | Stil of openbaar | Na mededeling aan de debiteuren kan de pandhouder zelf innen; alleen vorderingen van vóór het faillissement vallen eronder |
Zie ook ons artikel over verpanding van vorderingen. Vorderingen die pas na de faillietverklaring of bij de doorstarter ontstaan, vallen niet onder het pandrecht van de bank van de failliete onderneming.
De pandhouder wordt bij wanbetaling niet automatisch eigenaar. Een beding dat hem de bevoegdheid geeft zich het pand toe te eigenen, is nietig (artikel 3:235 BW). Hij moet het pand verkopen: in het openbaar (artikel 3:250 BW), of onderhands als de voorzieningenrechter dat toestaat of als partijen dat na het ontstaan van de bevoegdheid tot verkoop afspreken (artikel 3:251 BW).
Doorstart na faillissement: één transactie met drie partijen
Het pandrecht blijft bestaan en de pandhouder is separatist. Omdat een doorstarter verpande activa niet onbezwaard kan overnemen zonder medewerking van de pandhouder, sluiten curator, pandhouder en doorstarter in de regel één transactie. De curator verkoopt de activa met toestemming van de rechter-commissaris, en de pandhouder geeft zijn pandrecht vrij tegen betaling uit de koopprijs.
De Hoge Raad oordeelde op 15 december 2017 (Roeffen q.q./Ontvanger) dat ook een onderhandse verkoop op grond van artikel 3:251 BW, en een afspraak met de curator over zo’n verkoop, geldt als parate executie door de pandhouder. De pandhouder verhaalt zich dan als separatist op de opbrengst. De omzetbelasting over die verkoop is volgens de Hoge Raad geen boedelschuld, ook niet als de curator aan de verkoop meewerkt.
De curator bedingt vaak een boedelbijdrage voor zijn medewerking. De hoogte is onderwerp van onderhandeling; de wet schrijft geen vast percentage voor. Een goede toerekening van de koopprijs aan verpande en onverpande activa is belangrijk, omdat daarvan afhangt hoeveel naar de pandhouder gaat en hoeveel naar de boedel.
Afkoelingsperiode en redelijke termijn: de drukmiddelen van de curator
De curator kan de pandhouder niet passeren, maar wel onder druk zetten. Twee instrumenten uit de Faillissementswet zijn van belang:
- Afkoelingsperiode (artikel 63a Faillissementswet): de rechter-commissaris kan een periode van ten hoogste twee maanden afkondigen, eenmaal te verlengen met ten hoogste twee maanden, waarin de pandhouder zijn recht niet zonder machtiging kan uitoefenen.
- Redelijke termijn (artikel 58 Faillissementswet): de curator kan de pandhouder een termijn stellen om zijn recht uit te oefenen. Doet hij dat niet, dan mag de curator de zaken zelf verkopen. De pandhouder behoudt zijn voorrang op de opbrengst, maar draagt bij in de algemene faillissementskosten.
Een pandhouder kan een doorstart dus wel ophouden, door te weigeren zijn pandrecht vrij te geven en zelf uit te winnen, maar die instrumenten beperken zijn positie in de tijd. Let daarnaast op het bodemvoorrecht: bij een stil pandrecht op bodemzaken, zoals inventaris op de bodem van de onderneming, gaat de Belastingdienst voor (artikel 21 lid 2 Invorderingswet 1990). Meer over het verloop leest u in ons artikel over faillissement en doorstart.
Personeel en contracten bij een doorstart
Bij een doorstart na faillissement gaan werknemers niet automatisch over. De regels over overgang van onderneming gelden niet als de werkgever failliet is verklaard en de onderneming tot de boedel behoort (artikel 7:666 BW). De doorstarter kiest dus zelf wie hij in dienst neemt.
Bij een pre-pack ligt dat anders. Het Hof van Justitie oordeelde in Smallsteps (HvJ EU 22 juni 2017, C-126/16) dat de uitzondering daar niet zonder meer geldt. In de zaak Heiploeg stelde de Hoge Raad op 17 april 2020 prejudiciële vragen over de voorwaarden van liquidatie en overheidstoezicht. Het Hof van Justitie gaf daarop in Heiploeg (HvJ EU 28 april 2022, C-237/20) aan onder welke voorwaarden een pre-pack wel buiten de overgangsregels kan vallen. Er is een wetsvoorstel in voorbereiding om de positie van werknemers bij een doorstart na faillissement te versterken (Wet overgang van onderneming in faillissement); dat geldt nog niet. Over meegenomen dienstjaren leest u meer in ons artikel over dienstjaren bij overname van personeel.
Contracten met leveranciers, klanten en verhuurders gaan bij een activatransactie niet vanzelf over. Voor contractsoverneming is medewerking van de wederpartij nodig (artikel 6:159 BW). Intellectuele eigendomsrechten, zoals merken en octrooien, worden apart overgedragen en ingeschreven; zie ook intellectueel eigendom bij een bedrijfsovername.
De pre-pack: het pandrecht blijft onverkort
Bij een pre-pack wijst de rechtbank op verzoek van de onderneming een beoogd curator aan, die vóór het faillissement meekijkt naar een doorstart. De doorstart wordt direct na de faillietverklaring uitgevoerd.
Een wettelijke regeling van de pre-pack, de Wet continuïteit ondernemingen I (wetsvoorstel 34218), is niet in werking getreden; de aanwijzing van een beoogd curator steunt op de praktijk van de rechtbanken. Het pandrecht blijft bij een pre-pack onverkort bestaan. De pandhouder is daarom een vaste gesprekspartner: zonder zijn vrijgave kan de doorstarter de verpande activa niet onbezwaard overnemen.
Herstructurering buiten faillissement: de WHOA
Buiten faillissement is een akkoord in beginsel vrijwillig: zonder instemming van de pandhouder verandert zijn positie niet. Dat is anders bij een onderhands akkoord volgens de Wet homologatie onderhands akkoord (WHOA), sinds 1 januari 2021 opgenomen in artikel 369 en verder van de Faillissementswet.
| Situatie | Positie van de pandhouder | Grondslag |
|---|---|---|
| Faillissement | Separatist; afkoelingsperiode tot 2 + 2 maanden; termijn om uit te winnen | artikel 57, 58 en 63a Fw |
| Pre-pack | Pandrecht onverkort; vrijgave nodig voor onbezwaarde overname | praktijk van de rechtbanken |
| Buitengerechtelijk akkoord | Alleen gebonden als hij instemt | contractsvrijheid |
| WHOA-akkoord | Kan in een eigen klasse worden gebonden, ook bij tegenstem; afkoelingsperiode tot 4 + 4 maanden | artikel 376 en 384 Fw |
Na homologatie door de rechtbank is een WHOA-akkoord ook bindend voor pandhouders die tegenstemden. Een tegenstemmende schuldeiser kan homologatie laten weigeren als hij onder het akkoord minder krijgt dan bij een faillissement (artikel 384 lid 3 Faillissementswet). De rechtbank kan een afkoelingsperiode van ten hoogste vier maanden afkondigen, te verlengen tot in totaal ten hoogste acht maanden (artikel 376 Faillissementswet).
Bij nieuwe financiering vraagt een financier meestal nieuwe zekerheden; zie ook ons artikel over zekerheden bij leningen.
Pandhouder of doorstarter: wat ieder controleert
| Als pandhouder | Als doorstarter |
|---|---|
| Is de pandakte geldig gevestigd en, bij een onderhandse akte, tijdig geregistreerd? | Welke activa zijn verpand en aan wie? Breng dat vóór uw bod in kaart. |
| Hoe groot zijn de verpande voorraad, inventaris en debiteuren bij dreigend faillissement? | Regelt de koopovereenkomst met de curator de vrijgave door de pandhouder uitdrukkelijk? |
| Is bij een stil pand op vorderingen tijdig mededeling gedaan aan de debiteuren? | Hebben leveranciers onder eigendomsvoorbehoud geleverd? |
| Hoe wordt de koopprijs toegerekend en welke boedelbijdrage wordt gevraagd? | Zijn er afspraken met verhuurders, leveranciers en klanten over overname van contracten? |
| Geeft een WHOA-akkoord minstens wat u bij faillissement zou ontvangen? | Kunnen bij een pre-pack de regels over overgang van onderneming op het personeel van toepassing zijn? |
Hoe wij helpen bij pandrecht en een doorstart
Vanuit onze praktijken ondernemingsrecht en insolventierecht kunnen wij:
- de geldigheid en reikwijdte van pandrechten beoordelen;
- een activatransactie met curator, pandhouder en doorstarter opstellen, inclusief vrijgave en toerekening van de koopprijs;
- een WHOA-akkoord beoordelen of daartegen opkomen;
- procederen over uitwinning, voorrang en de verdeling van de opbrengst.
In het kort
- Een onderhandse verkoop met medewerking van de curator blijft parate executie door de pandhouder (HR 15 december 2017).
- De toerekening van de koopprijs bepaalt wat naar de pandhouder en wat naar de boedel gaat.
- Na faillissement gaan werknemers niet automatisch mee; bij een pre-pack kan dat anders zijn.
- Alleen de WHOA kan een pandhouder tegen zijn zin binden, en dan niet onder zijn faillissementsuitkomst.