Economische delicten: wanneer kan een bedrijf strafbaar zijn?

Bankafschriften met een markeerstift op tafel, van bovenaf

Gepubliceerd op 27 oktober 2025 · Laatst bijgewerkt op 15 september 2026

Economische delicten zijn overtredingen van voorschriften die de Wet op de economische delicten (WED) uitdrukkelijk als zodanig aanwijst, zoals regels over arbeidsomstandigheden, milieu, douane, voedselveiligheid en financieel toezicht. Een bedrijf is strafbaar wanneer de gedraging op grond van artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht redelijkerwijs aan de rechtspersoon kan worden toegerekend. Daarnaast kan de leidinggevende persoonlijk worden vervolgd.

Wat is een economisch delict?

Een economisch delict is geen zelfstandig omschreven misdrijf zoals diefstal of mishandeling. Het is een verzamelbegrip: artikel 1 en artikel 1a van de Wet op de economische delicten bevatten een zeer lange opsomming van bepalingen uit tientallen andere wetten. Overtreedt u een van die bepalingen, dan is dat langs die weg een strafbaar feit met de strafmaxima en de bijzondere bevoegdheden van de WED.

De WED is daarmee een kapstokwet. Zij zegt niet wat u moet doen; dat staat in de bijzondere wet. Zij zegt wat er gebeurt als u het niet doet. Dat verklaart waarom ondernemers zelden aan strafrecht denken bij een controle op de bewaartemperatuur van een koeling, een ontbrekende risico-inventarisatie of een onjuiste douaneaangifte: de norm staat in een technische wet, de sanctie in een strafwet.

Het bereik is breed. Onder de WED vallen onder meer voorschriften uit de Arbeidsomstandighedenwet, de Omgevingswet en de milieuregelgeving, de Warenwet, de Wet dieren, de Meststoffenwet, de Algemene douanewet, de Wet op het financieel toezicht, de Telecommunicatiewet en de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme. Ook nieuwere Europese kaders werken zo door, zoals de verordening over cryptoactivamarkten, waarvan de handhaving via het financieel toezicht in dit stelsel is ingebed.

Wat valt er juist niet onder de WED?

Hier gaan artikelen over dit onderwerp vaak de mist in. Niet elk delict dat een onderneming raakt, is een economisch delict. Witwassen is strafbaar op grond van de artikelen 420bis tot en met 420quater Sr en dus een commuun delict; wat wél een economisch delict is, is het schenden van de verplichtingen uit de Wwft, zoals het nalaten van cliëntenonderzoek of het niet melden van een ongebruikelijke transactie.

Valsheid in geschrifte is artikel 225 Sr, omkoping staat onder meer in de artikelen 177 en 328ter Sr, en faillissementsfraude in de artikelen 341 tot en met 348 Sr. Fiscale delicten staan niet in de WED maar in de Algemene wet inzake rijksbelastingen. En kartelvorming is in Nederland geen strafbaar feit: de Autoriteit Consument en Markt handhaaft het kartelverbod bestuursrechtelijk, met boetes die de onderneming en soms de feitelijk leidinggevende treffen.

Dat onderscheid is niet academisch. Het bepaalt welke instantie onderzoek doet, welke bevoegdheden zij heeft, welke verjaringstermijn geldt en of u met een boetebesluit of met een dagvaarding te maken krijgt.

Wanneer is een economisch delict een misdrijf en wanneer een overtreding?

Artikel 2 WED maakt dat onderscheid afhankelijk van twee factoren: in welke categorie van artikel 1 WED het voorschrift is opgenomen, en of het feit opzettelijk is begaan. Opzettelijk begane feiten uit de zwaarste categorieën zijn misdrijven; de overige zijn overtredingen. Dat verschil werkt door in de strafmaat, in de verjaringstermijn en in de vraag of het feit op uw justitiële documentatie belandt.

Opzet in het strafrecht is ruimer dan “expres”. Ook voorwaardelijk opzet telt: wie zich bewust is van de aanmerkelijke kans dat een voorschrift wordt overtreden en die kans aanvaardt, handelt opzettelijk. Een leidinggevende die signalen over een lekkende opslagtank naast zich neerlegt, kan zich er dus niet op beroepen dat hij het niet zo bedoelde.

Het opzet bij een economisch delict is bovendien kleurloos. Het hoeft alleen gericht te zijn op de gedraging zelf, niet op de wetenschap dat die gedraging verboden is. Wie bewust afval stort of goederen zonder vergunning uitvoert, handelt opzettelijk, ook als hij het voorschrift niet kende. Onbekendheid met de regels is dus geen verweer tegen opzet. Omdat opzet zich zelden rechtstreeks laat bewijzen, leidt de rechter het af uit de omstandigheden: eerdere waarschuwingen of controles, de deskundigheid die van de onderneming mocht worden verwacht, en het stelselmatige karakter van de overtreding. Kan opzet niet worden bewezen, dan blijft een overtreding over.

Voor die overtreding hoeft het Openbaar Ministerie geen opzet of schuld te bewijzen. De verdachte kan zich wel beroepen op afwezigheid van alle schuld, bijvoorbeeld door aan te tonen dat de onderneming alles heeft gedaan wat redelijkerwijs kon worden verwacht om de overtreding te voorkomen. Wanneer dat verweer slaagt, leest u in ons artikel over strafuitsluitingsgronden.

Wanneer is het bedrijf zelf strafbaar?

Artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht maakt strafbare feiten mogelijk door rechtspersonen. De maatstaf is geformuleerd in het Drijfmestarrest van de Hoge Raad van 21 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7938: een rechtspersoon kan als dader worden aangemerkt indien de gedraging hem redelijkerwijs kan worden toegerekend.

De Hoge Raad geeft daarvoor oriëntatiepunten. Van toerekening kan sprake zijn wanneer het gaat om handelen of nalaten van iemand die werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon, wanneer de gedraging past in de normale bedrijfsvoering, wanneer zij de rechtspersoon dienstig is geweest en wanneer de rechtspersoon erover vermocht te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden. Die laatste factor is in de praktijk beslissend: kon de onderneming ingrijpen en heeft zij dat nagelaten?

Daaruit volgt meteen het belangrijkste verweer. Wie kan aantonen dat er duidelijke instructies waren, dat op naleving werd toegezien en dat bij signalen daadwerkelijk is ingegrepen, ondergraaft de toerekening. Een compliancehandboek dat niemand kent, doet dat niet. Hoe u voorkomt dat een fout van één werknemer de vennootschap strafbaar maakt, staat in onze uitleg over strafrecht en ondernemingen.

Wanneer bent u als bestuurder feitelijk leidinggever?

Artikel 51 Sr maakt het mogelijk om naast de rechtspersoon ook te vervolgen wie tot het feit opdracht heeft gegeven of daaraan feitelijk leiding heeft gegeven. Het beoordelingskader staat in het arrest van de Hoge Raad van 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:733. Feitelijk leidinggeven bestaat vaak uit actief en effectief gedrag, maar het kan ook liggen in beleid waarvan de verboden gedraging het onvermijdelijke gevolg is.

Ook een passieve rol volstaat. Wie bevoegd en redelijkerwijs gehouden is maatregelen te treffen en dat nalaat, kan daarmee de verboden gedraging zodanig bevorderen dat van feitelijk leidinggeven sprake is. Daarbij geldt een zelfstandig opzetvereiste: de leidinggevende moet ten minste bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat de verboden gedraging zich zou voordoen.

Formele positie is niet doorslaggevend. Ook een manager zonder statutaire titel of een aandeelhouder die zich met de operatie bemoeit, kan feitelijk leidinggever zijn; waar die grens ligt, beschrijven wij in het artikel over de feitelijk bestuurder. Omgekeerd is een bestuurder die aantoonbaar heeft ingegrepen, geen leidinggever aan het feit.

Wie houdt toezicht en wie spoort op?

Het toezicht ligt bij de sectorale toezichthouders: de Nederlandse Arbeidsinspectie voor arbeidsomstandigheden en arbeidsmarktfraude, de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit voor voedsel, dieren en consumentenproducten, de Inspectie Leefomgeving en Transport en de omgevingsdiensten voor milieu, de Autoriteit Financiële Markten en De Nederlandsche Bank voor de financiële sector, de Kansspelautoriteit voor kansspelen en de Douane voor grensoverschrijdend goederenverkeer.

De opsporing ligt bij de bijzondere opsporingsdiensten, waaronder de FIOD en de opsporingsdiensten van de NVWA en de ILT, onder gezag van het functioneel parket van het Openbaar Ministerie. Dat parket is gespecialiseerd in fraude en milieu en brengt zaken voor de economische kamer van de rechtbank. Wat er gebeurt wanneer een reguliere controle in een strafzaak overgaat, beschrijven wij bij de strafrechtelijke kant van de NVWA, en uw positie in een fraudeonderzoek bij een FIOD-onderzoek.

Wat zijn uw rechten bij een controle of een inval?

Zolang het om toezicht gaat, gelden de bevoegdheden van hoofdstuk 5 van de Algemene wet bestuursrecht. Een toezichthouder mag plaatsen betreden, inzage vorderen in de administratie en monsters nemen, en op grond van artikel 5:20 Awb bent u verplicht daaraan mee te werken. Weigeren is zelf strafbaar.

Zodra u als verdachte wordt aangemerkt, kantelt het beeld. Dan geldt het zwijgrecht van artikel 29 Sv en moet u voorafgaand aan een verhoor de cautie krijgen; bij een voorgenomen bestuurlijke boete geeft artikel 5:10a Awb dezelfde bescherming. De medewerkingsplicht blijft bestaan voor materiaal dat onafhankelijk van uw wil bestaat, zoals administratie, maar niet voor verklaringen. Dat onderscheid is het lastigste moment van elke controle.

Praktisch: leg vast wie er komt, met welke bevoegdheid en op welke grondslag, vraag om een schriftelijke vordering, geef geen inhoudelijke toelichting zonder overleg en zorg dat medewerkers weten dat zij niet verplicht zijn te verklaren zodra zij verdachte zijn. Correspondentie met uw advocaat valt onder het verschoningsrecht en hoort niet in beslag te worden genomen; wijs daar bij een doorzoeking uitdrukkelijk op.

Bestuurlijke boete of strafvervolging?

Voor dezelfde gedraging kunt u niet zowel een bestuurlijke boete krijgen als worden vervolgd. Artikel 5:44 Awb en artikel 243 Sv leggen dat una-via-beginsel vast: kiest het bestuursorgaan voor een boete, dan is de strafrechtelijke weg afgesloten, en omgekeerd. De veelgehoorde stelling dat een bedrijf gewoon dubbel wordt gepakt, klopt dus niet voor hetzelfde feit.

Wat wél voorkomt, is samenloop van verschillende sporen naast elkaar: een last onder dwangsom om de overtreding te beëindigen, intrekking of schorsing van een vergunning, en daarnaast een strafrechtelijke afdoening voor het feit zelf. Herstelsancties zijn immers geen straf. Hoe die sporen zich tot elkaar verhouden en waar uw rechtsbescherming zit, leest u in ons artikel over samenloop van bestuurlijke en strafrechtelijke sancties.

De keuze tussen beide sporen wordt in de praktijk gemaakt in overleg tussen de toezichthouder en het Openbaar Ministerie, aan de hand van de ernst van het feit, de mate van opzet, recidive en het behaalde voordeel. Dat betekent dat het loont om in een vroeg stadium met een onderbouwd verhaal te komen: het is aanzienlijk eenvoudiger om een zaak in het bestuursrechtelijke spoor te houden dan om haar er later uit te krijgen.

Kiest de toezichthouder voor een bestuurlijke boete, dan ontvangt u eerst een voornemen, waarop u een zienswijze kunt geven. Tegen het boetebesluit staat bezwaar open en daarna beroep bij de bestuursrechter, die de hoogte en evenredigheid van de boete volledig toetst. Een bestuurlijke boete wordt niet in de justitiële documentatie opgenomen, maar de financiële en reputatiegevolgen kunnen aanzienlijk zijn. Ook in het bestuursrechtelijke spoor heeft u het recht om te zwijgen zodra er een boete dreigt, terwijl u wel moet meewerken aan het verstrekken van bestaande administratie.

Welke straffen en maatregelen kent de WED?

Artikel 6 WED bevat de strafmaxima. Voor de zwaarste opzettelijk begane economische misdrijven loopt de gevangenisstraf op tot zes jaren, met daarnaast een geldboete. Voor rechtspersonen is vrijheidsstraf uiteraard niet mogelijk; daar draait het om de geldboete, waarbij artikel 23 Sr de rechter toestaat een hogere boetecategorie op te leggen dan tegen een natuurlijke persoon.

Artikel 7 WED voegt bijkomende straffen toe die in de praktijk vaak zwaarder wegen dan de boete zelf:

  • gehele of gedeeltelijke stillegging van de onderneming;
  • verbeurdverklaring van goederen en van het met het delict behaalde voordeel;
  • ontzetting van bepaalde rechten en het ontnemen van voordelen die uit de bedrijfsvoering voortvloeien;
  • openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.

Daarnaast kent artikel 8 WED maatregelen, waaronder onderbewindstelling van de onderneming. Los van de WED kan het Openbaar Ministerie op grond van artikel 36e Sr het wederrechtelijk verkregen voordeel ontnemen; die vordering wordt afzonderlijk ingesteld en overtreft de boete regelmatig in omvang. Een zaak kan ook buiten de rechter om worden afgedaan met een transactie of een strafbeschikking, maar dat betekent niet dat de zaak geruisloos verdwijnt: bij grotere zaken publiceert het Openbaar Ministerie een feitenrelaas.

Hoe voorkomt u een economisch delict in uw onderneming?

Begin bij de vraag welke bijzondere wetten uw bedrijfsvoering raken. Een transportbedrijf heeft met andere voorschriften te maken dan een levensmiddelenproducent of een financieel dienstverlener. Breng die normen terug tot concrete handelingen op de werkvloer en leg vast wie waarvoor verantwoordelijk is; een verantwoordelijkheid die nergens is belegd, is precies het gat waar de toerekening aan de rechtspersoon doorheen loopt.

Zorg vervolgens dat naleving aantoonbaar is. Registreer keuringen, trainingen, interne meldingen en de opvolging daarvan. Richt een meldkanaal in waarlangs medewerkers misstanden kunnen aankaarten, en handel meldingen ook af: het niet opvolgen van een interne waarschuwing is in een strafzaak het meest schadelijke document dat er is. Milieuvoorschriften verdienen daarbij bijzondere aandacht, omdat handhaving daar snel strafrechtelijk wordt; zie onze uitleg over milieudelicten en strafrechtelijke handhaving.

Ontdekt u zelf een overtreding, laat dan eerst juridisch beoordelen wat u meldt en aan wie. Zelfmelden kan strafvermindering opleveren en kan een zaak in het bestuursrechtelijke spoor houden, maar een ondoordachte melding levert het onderzoek ook meteen het bewijs. Beëindig de overtreding, leg de feiten intern vast en bepaal daarna pas de route naar buiten.

Vergeet daarbij de keten niet. Een onderneming kan ook worden aangesproken op gedragingen van ingeschakelde derden, zoals een onderaannemer, een uitzendbureau, een afvalverwerker of een logistiek dienstverlener. De toerekening loopt dan via de vraag of u over de gedraging vermocht te beschikken en of u de naleving hebt gecontroleerd. Neem verplichtingen tot naleving daarom uitdrukkelijk op in uw inkoopvoorwaarden, bedingt u een auditrecht en registreert u de uitgevoerde controles, zodat u later kunt laten zien dat het toezicht niet alleen op papier bestond.

Hoe verloopt een strafzaak over een economisch delict?

De zaak begint met een controle, een melding of een signaal uit een andere procedure. Constateert de toezichthouder een overtreding, dan volgt een rapport dat via het functioneel parket bij een officier van justitie belandt. In deze fase wordt vaak al bewijsmateriaal veiliggesteld: administratie, e-mail, logbestanden en verklaringen van medewerkers. Wie op dat moment nog denkt dat het om een routinecontrole gaat, geeft ongewild de bouwstenen van het dossier weg.

Daarna beslist het Openbaar Ministerie over de afdoening. Sepot, een transactie, een strafbeschikking of een dagvaarding zijn de mogelijkheden. Een strafbeschikking is een straf zonder rechter; accepteren betekent dat de zaak is afgedaan, maar ook dat de vaststelling van schuld vaststaat. Verzet daartegen moet binnen veertien dagen na bekendmaking worden gedaan, waarna de zaak alsnog aan de rechter wordt voorgelegd.

Komt het tot een zitting, dan behandelt de economische kamer de zaak. De rechter beoordeelt eerst of het voorschrift is overtreden, vervolgens of het feit aan de rechtspersoon kan worden toegerekend en ten slotte of er een rechtvaardigings- of schulduitsluitingsgrond is. Tegen het vonnis staat hoger beroep open bij het gerechtshof, en daarna cassatie bij de Hoge Raad. Houd ook de verjaring in het oog: de termijnen van artikel 70 Sr zijn gekoppeld aan het strafmaximum, zodat overtredingen aanzienlijk sneller verjaren dan misdrijven.

Wat betekent een economisch delict voor vergunningen en opdrachten?

De sanctie is zelden het einde van het verhaal. Een onherroepelijke veroordeling kan doorwerken in uw vergunningen, want bestuursorganen mogen op grond van de Wet Bibob een vergunning weigeren of intrekken wanneer er ernstig gevaar bestaat dat die mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen of om voordelen te benutten. Bij die beoordeling telt ook het verleden van bestuurders en van gelieerde vennootschappen mee.

Ook in het aanbestedingsrecht heeft een veroordeling gevolgen. De Aanbestedingswet 2012 kent verplichte uitsluitingsgronden voor bepaalde onherroepelijke veroordelingen en facultatieve gronden voor onder meer een ernstige beroepsfout. U kunt uitsluiting afwenden door aan te tonen dat u de schade hebt vergoed, hebt meegewerkt aan het onderzoek en concrete maatregelen hebt genomen om herhaling te voorkomen. Juist daarom loont het om verbetermaatregelen schriftelijk vast te leggen op het moment dat u ze neemt.

Daarnaast kan een onderneming een verklaring omtrent het gedrag voor rechtspersonen nodig hebben, beoordeelt Justis daarbij de antecedenten van de rechtspersoon en van de betrokken bestuurders, en kunnen verzekeraars en financiers hun voorwaarden aanpassen. Reken die gevolgen mee bij de vraag of u een transactie of strafbeschikking accepteert; een snelle afdoening kan later duurder uitvallen dan een procedure.

Veelgestelde vragen

Kan een bv worden vervolgd terwijl niemand persoonlijk wordt vervolgd?

Ja. De vervolging van de rechtspersoon staat los van die van natuurlijke personen. Het Openbaar Ministerie kan alleen de vennootschap dagvaarden, alleen de leidinggevende, of beiden.

Krijgt een bestuurder een strafblad van een economisch delict?

Als de bestuurder zelf wordt veroordeeld of een strafbeschikking accepteert, wordt dat in de justitiële documentatie opgenomen. Een veroordeling van uitsluitend de rechtspersoon staat niet op het strafblad van de bestuurder.

Moet ik meewerken aan een controle van een toezichthouder?

Aan toezicht wel, op grond van artikel 5:20 Awb. Zodra u verdachte bent, hebt u zwijgrecht op grond van artikel 29 Sv en hoeft u geen verklaring af te leggen; de plicht om bestaande administratie te verstrekken blijft wel gelden.

Kan de onderneming worden stilgelegd?

Ja. Artikel 7 WED kent gehele of gedeeltelijke stillegging van de onderneming als bijkomende straf. Daarnaast kan een toezichthouder langs bestuursrechtelijke weg activiteiten laten staken.

Is een kartelafspraak een economisch delict?

Nee. Het kartelverbod wordt in Nederland bestuursrechtelijk gehandhaafd door de Autoriteit Consument en Markt. Wel kan de ACM naast de onderneming ook de feitelijk leidinggevende beboeten.

Wat is de rol van de economische kamer?

Economische delicten worden behandeld door de economische kamer van de rechtbank, met rechters die gespecialiseerd zijn in deze regelgeving. Bij eenvoudige zaken doet de economische politierechter uitspraak.

Advies bij een verdenking van een economisch delict

Economische delicten beginnen zelden met een dagvaarding en bijna altijd met een controle, een informatievordering of een gesprek dat achteraf een verhoor blijkt te zijn geweest. Juist in die eerste fase wordt bepaald of een zaak bestuursrechtelijk wordt afgedaan of strafrechtelijk, en welk materiaal in het dossier belandt. Krijgt uw onderneming te maken met een onderzoek, een boetevoornemen of een uitnodiging voor een verhoor, dan beoordelen de advocaten van Law & More de grondslag van het optreden, uw verplichtingen op dat moment en de termijnen die lopen.

Juridische hulp nodig?

Neem contact op met Law & More voor deskundig advies over uw juridische zaken. Ons meertalige team staat klaar om u te helpen.