Machtsmisbruik in recente EU-rechtspraak: waar ligt de lat?

Een groep juridische professionals bespreekt documenten in een moderne ruimte met een Europese vlag op de achtergrond.

Gepubliceerd op 13 oktober 2025 · Laatst bijgewerkt op 28 september 2026

Een onderneming misbruikt haar machtspositie als zij haar dominante positie op een markt gebruikt om concurrenten uit te sluiten of klanten uit te buiten. Het bezit van een machtspositie is dus niet verboden; artikel 102 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) verbiedt alleen het misbruik ervan.

Waar precies de grens ligt, verschuift door nieuwe rechtspraak en door veranderende handhavingsprioriteiten van de Europese Commissie. Sinds 2024 heeft het Hof van Justitie een reeks belangrijke arresten gewezen, onder meer over Google Shopping, Intel en Google Android.

Op 3 september 2026 heeft de Commissie bovendien voor het eerst richtsnoeren vastgesteld over uitsluitingsmisbruik. Die vervangen de oude handhavingsrichtsnoeren uit 2009 en geven aan hoe de Commissie gedrag van dominante ondernemingen voortaan beoordeelt.

Voor ondernemingen die actief zijn op de Europese markt heeft dat directe gevolgen. De juridische kaders rond digitale platforms, exclusieve afspraken en kortingen zijn de afgelopen jaren duidelijk aangescherpt. In dit artikel zetten wij de hoofdregel, de recente rechtspraak en de praktische gevolgen voor u op een rij.

Wat verbiedt artikel 102 VWEU precies?

Een groep juridische professionals bespreekt serieus documenten in een moderne kantoorruimte met EU-vlaggen en juridische symbolen op de achtergrond.

Artikel 102 VWEU verbiedt een onderneming met een machtspositie om die positie te misbruiken, voor zover dat de handel tussen lidstaten kan beïnvloeden. Het EU-recht kijkt daarbij naar economisch gedrag, niet naar de omvang van een onderneming als zodanig.

Het verbod geldt rechtstreeks. Een onderneming kan zich er dus zelf op beroepen bij de Nederlandse rechter, en de Nederlandse rechter moet het ook zelf toepassen. Het doel is de mededinging op de interne markt te beschermen.

Wanneer is gedrag misbruik?

Misbruik is gedrag van een dominante onderneming dat de concurrentie op de markt verstoort op een manier die niet past bij normale concurrentie op prijs, kwaliteit of innovatie. Het gaat om economisch gedrag, niet om intimidatie of agressie in de gewone betekenis van het woord.

Een onderneming misbruikt haar machtspositie bijvoorbeeld als zij die gebruikt om:

  • onbillijke prijzen of voorwaarden op te leggen;
  • concurrenten uit de markt te drukken met middelen die niets met betere prestaties te maken hebben;
  • vergelijkbare klanten of leveranciers ongelijk te behandelen.

Het hebben van een machtspositie is toegestaan. Een onderneming die groot is geworden door betere producten of lagere kosten, doet niets verkeerd. Pas wanneer zij die positie misbruikt, is artikel 102 VWEU geschonden.

Een dominante onderneming heeft volgens vaste rechtspraak wel een bijzondere verantwoordelijkheid. Gedrag dat voor een kleine speler normaal is, kan voor een dominante onderneming verboden zijn.

Aan welke voorwaarden moet zijn voldaan?

Voor een schending van artikel 102 VWEU moeten vier elementen aanwezig zijn. Ontbreekt er één, dan is het verbod niet van toepassing.

  1. Onderneming: iedere eenheid die een economische activiteit uitoefent, ongeacht haar rechtsvorm of financiering.
  2. Machtspositie: een economische machtspositie op een afgebakende relevante markt.
  3. Misbruik: gedrag dat de mededinging beperkt of dreigt te beperken.
  4. Invloed op de handel: het gedrag kan de handel tussen lidstaten ongunstig beïnvloeden.

Is er geen invloed op de handel tussen lidstaten, dan kan het Nederlandse verbod gelden. Artikel 24 van de Mededingingswet bevat een vergelijkbaar verbod op misbruik van een economische machtspositie, dat de Autoriteit Consument & Markt (ACM) handhaaft.

De Commissie legt in richtsnoeren uit hoe zij het verbod toepast. De nieuwe richtsnoeren van 3 september 2026 binden de rechter niet, maar geven ondernemingen en rechters wel houvast bij lastige gevallen.

Welke vormen van misbruik zijn er?

Het EU-recht onderscheidt grofweg drie categorieën van misbruik. In de praktijk overlappen ze soms.

Uitbuitingsmisbruik raakt vooral afnemers en consumenten:

  • buitensporig hoge prijzen vragen;
  • onbillijke contractvoorwaarden opleggen;
  • de productie of levering zonder goede reden beperken.

Uitsluitingsmisbruik raakt vooral concurrenten:

  • roofprijzen: prijzen onder de kostprijs om een concurrent weg te drukken;
  • exclusieve afnameverplichtingen of getrouwheidskortingen;
  • koppelverkoop van producten;
  • weigeren te leveren of toegang te geven;
  • zelfbevoordeling, bijvoorbeeld door eigen diensten beter te tonen in zoekresultaten.

Discriminatie betekent dat een dominante onderneming gelijkwaardige handelspartners verschillend behandelt, waardoor zij in de concurrentie worden benadeeld:

  • verschillende prijzen voor vergelijkbare prestaties;
  • selectief weigeren zaken te doen;
  • ongelijke toegang tot essentiële voorzieningen.

Een collectieve machtspositie ontstaat als meerdere ondernemingen samen als één eenheid op de markt optreden. Dat moet worden aangetoond met economische banden of een marktstructuur waarin zij hun gedrag zonder afspraken op elkaar afstemmen.

Wie toetst machtsmisbruik: EU-instellingen of de nationale rechter?

Een groep professionals bespreekt juridische zaken in een moderne vergaderruimte met de Europese vlag en een weegschaal van justitie op tafel.

Beide. De Europese Commissie en de nationale mededingingsautoriteiten handhaven het verbod, en nationale rechters passen het toe in civiele zaken. Het Hof van Justitie zorgt ervoor dat artikel 102 VWEU overal in de EU op dezelfde manier wordt uitgelegd.

Die rolverdeling bepaalt hoe u in de praktijk wordt beschermd, en bij wie u terechtkunt als u last heeft van een dominante concurrent of leverancier.

Wat is de rol van het Hof van Justitie en het Gerecht?

Het Gerecht toetst in eerste aanleg besluiten van de Commissie, zoals boetebesluiten wegens machtsmisbruik. Het Hof van Justitie beslist in hoger beroep en staat bovenaan de EU-rechterlijke hiërarchie.

Sinds 1 oktober 2024 behandelt het Gerecht ook prejudiciële vragen op zes specifieke gebieden, zoals btw, accijnzen, douane en passagiersrechten. Mededingingsrecht hoort daar niet bij: prejudiciële vragen over artikel 102 VWEU gaan nog steeds naar het Hof van Justitie.

Belangrijkste taken van de Unierechters:

  • uitleg geven aan de EU-verdragen en verordeningen;
  • toetsen of besluiten van EU-instellingen rechtmatig zijn;
  • bindende uitleg geven die voor alle lidstaten geldt;
  • zorgen voor een gelijke toepassing van het recht in de hele EU.

De rechtspraak van beide instanties bepaalt de normen voor machtsmisbruik. Nationale rechters en autoriteiten volgen die uitleg in hun eigen procedures.

Wanneer moet een nationale rechter vragen stellen aan het Hof?

Volgens artikel 267 VWEU kan iedere nationale rechter vragen over de uitleg van EU-recht aan het Hof van Justitie voorleggen. Een rechter tegen wiens uitspraak geen hoger beroep mogelijk is, zoals de Hoge Raad, is daartoe in beginsel verplicht.

Die verwijzingsplicht vervalt in een beperkt aantal gevallen. Volgens het Cilfit-arrest van het Hof (zaak 283/81, 1982), later verduidelijkt in het arrest Consorzio Italian Management (C-561/19, 2021), gaat het om de volgende situaties:

  • de vraag is niet relevant voor de beslissing in de zaak;
  • acte éclairé: het Hof heeft dezelfde vraag al eerder beantwoord;
  • acte clair: de juiste uitleg is zo duidelijk dat redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is.

De lat voor acte clair ligt hoog. De rechter moet ervan overtuigd zijn dat ook rechters in andere lidstaten en het Hof zelf geen twijfel zouden hebben. Hij moet daarbij letten op de verschillende taalversies, de eigen begrippen van het EU-recht en de context van de regel.

Een prejudiciële uitspraak bindt de rechter die de vraag stelde. In de praktijk volgen alle rechters in de EU de uitleg van het Hof. Die uitleg geldt in beginsel ook voor de periode vóór de uitspraak.

Hoe verhoudt het EU-recht zich tot Nederlandse regels?

EU-recht met rechtstreekse werking gaat voor strijdige nationale regels. Dat voorrangsbeginsel geldt ook als de ACM of de Nederlandse rechter een zaak over machtsmisbruik behandelt.

Nationale rechters passen daarbij drie basisregels toe: voorrang van EU-recht, rechtstreekse werking en uitleg van nationaal recht in overeenstemming met het EU-recht. Daarnaast bepaalt artikel 3 van Verordening 1/2003 dat een nationale autoriteit of rechter die het nationale verbod toepast, ook artikel 102 VWEU moet toepassen als de handel tussen lidstaten kan worden beïnvloed.

Praktische gevolgen:

  • nationale regels moeten wijken voor strijdig EU-recht;
  • ondernemingen en burgers kunnen zich rechtstreeks op artikel 102 VWEU beroepen;
  • de rechter legt artikel 24 Mededingingswet uit in lijn met de Europese rechtspraak.

Het beginsel van loyale samenwerking verplicht lidstaten om het EU-recht volledig toe te passen. Een bestuursorgaan moet onder strikte voorwaarden zelfs een definitief besluit heroverwegen als latere rechtspraak van het Hof laat zien dat het besluit op een onjuiste uitleg berustte (Kühne & Heitz, C-453/00, 2004).

Wat zegt de recente EU-rechtspraak over machtsmisbruik?

De recente rechtspraak laat zien dat de Unierechters strenger zijn geworden voor grote digitale platforms, maar tegelijk van de Commissie een zorgvuldige analyse van de effecten verlangen. Die combinatie van strengere handhaving en hogere eisen aan het bewijs bepaalt waar de lat nu ligt.

Welke uitspraken zijn het belangrijkst?

Het Hof van Justitie bevestigde op 10 september 2024 de boete van € 2,42 miljard die de Commissie in 2017 aan Google had opgelegd (zaak C-48/22 P, Google Shopping). Google had zijn eigen prijsvergelijkingsdienst in de zoekresultaten gunstiger getoond dan die van concurrenten.

Het Hof maakte duidelijk dat zelfbevoordeling door een dominant platform misbruik kan zijn, ook als het niet om een klassieke leveringsweigering gaat. Na zeven jaar procederen staat die boete nu vast.

Een maand later, op 24 oktober 2024, gaf het Hof juist Intel gelijk (zaak C-240/22 P). De boete van € 1,06 miljard voor getrouwheidskortingen bleef vernietigd, omdat de Commissie de mogelijke uitsluitende effecten van die kortingen niet goed genoeg had onderbouwd.

Op 2 juli 2026 bevestigde het Hof de boete van € 4,125 miljard voor Google Android (zaak C-738/22 P). Het Hof oordeelde dat misbruik niet in alle gevallen hoeft te worden aangetoond met de toets of een even efficiënte concurrent zou worden uitgesloten.

Hoe zijn de beoordelingscriteria veranderd?

De Commissie heeft haar aanpak afgestemd op deze rechtspraak. De richtsnoeren van 3 september 2026 leggen vast hoe zij uitsluitingsmisbruik beoordeelt.

Belangrijke veranderingen zijn onder meer:

  • voor bepaalde gedragingen, zoals exclusieve afnameverplichtingen, gaat de Commissie uit van een vermoeden van schadelijkheid;
  • de toets van de even efficiënte concurrent geldt vooral voor prijsgedrag, zoals kortingen en roofprijzen;
  • op digitale markten weegt de Commissie mee dat even efficiënte concurrenten daar vaak niet tot stand komen.

Het uitgangspunt blijft dat de gevolgen voor de concurrentie en voor afnemers centraal staan. De Commissie probeert haar aanpak daarbij aan te passen aan de manier waarop digitale markten werken.

Welke ontwikkelingen spelen sinds 2024?

Sinds 2024 staat vooral de macht van grote technologieplatforms in de belangstelling. De Commissie heeft verschillende grote boetes opgelegd en de Unierechters hebben een aantal langlopende zaken afgerond.

Opvallende ontwikkelingen:

  • meer aandacht voor platforms die tegelijk markt en concurrent zijn;
  • de afronding van langlopende zaken zoals Google Shopping, Intel en Google Android;
  • de toepassing van de Digital Markets Act (Verordening (EU) 2022/1925) naast artikel 102 VWEU.

De Digital Markets Act legt poortwachters vooraf vaste verplichtingen op. Anders dan bij artikel 102 VWEU hoeft de Commissie daar geen marktafbakening of machtspositie aan te tonen.

De twee regimes vullen elkaar aan. Gedrag dat onder de Digital Markets Act valt, kan daarnaast nog steeds misbruik van een machtspositie zijn.

Welke prejudiciële uitspraken zijn van belang?

Nationale rechters en autoriteiten leggen het Hof steeds vaker vragen voor over machtsmisbruik. Zo ontstaat een uniforme uitleg van het EU-mededingingsrecht, die ook Nederlandse rechters volgen.

Een goed voorbeeld is het arrest Android Auto van 25 februari 2025 (zaak C-233/23), op vragen van de Italiaanse Raad van State. Google had geweigerd een app van een derde geschikt te maken voor Android Auto.

Het Hof oordeelde dat een dominante onderneming die een platform heeft ontwikkeld om ook door derden te laten gebruiken, de toegang niet zomaar mag weigeren. De strenge eis dat toegang onmisbaar moet zijn, geldt dan niet. De onderneming mag wel de tijd nemen die redelijkerwijs nodig is om de technische koppeling te ontwikkelen.

Belangrijke prejudiciële thema’s:

  • Hoe bakent u de relevante markt af in de digitale economie?
  • Welk bewijs is nodig voor schadelijke effecten op de concurrentie?
  • Welke rechtvaardigingen mag een dominante onderneming aanvoeren?

Deze uitspraken vormen de basis voor toekomstige zaken. De ACM en de Nederlandse rechter kunnen daardoor consistenter beslissen, met steun in de Europese rechtspraak.

Waar ligt de lat: wanneer is een machtspositie aanwezig en misbruik bewezen?

De Europese rechtspraak kijkt naar drie vragen: is er een machtspositie op een goed afgebakende markt, heeft het gedrag (mogelijk) uitsluitende of uitbuitende effecten, en is er een objectieve rechtvaardiging? Samen bepalen die vragen wanneer harde concurrentie overgaat in verboden misbruik.

Wanneer heeft een onderneming een machtspositie?

Volgens het Hof van Justitie heeft een onderneming een machtspositie als zij zich in belangrijke mate onafhankelijk kan gedragen van haar concurrenten, afnemers en consumenten. Die positie ontstaat niet door succes alleen, maar vooral door de manier waarop de markt is opgebouwd.

Marktaandeel is het belangrijkste aanknopingspunt. Volgens de richtsnoeren van de Commissie is een machtspositie onder 40% marktaandeel in het algemeen onwaarschijnlijk. Bij een zeer groot marktaandeel, boven 50%, gaat het Hof in beginsel uit van een machtspositie (AKZO, zaak C-62/86, 1991).

Daarnaast letten de rechters onder meer op:

  • hoe moeilijk het voor nieuwe spelers is om de markt te betreden;
  • verticale integratie, bijvoorbeeld een platform dat ook zelf producten verkoopt;
  • een technologische voorsprong;
  • de beschikking over essentiële voorzieningen of netwerken.

Een tijdelijke voorsprong is meestal niet genoeg. De positie moet een zekere duurzaamheid hebben en de onderneming echte marktmacht geven.

Hoe wordt de relevante markt afgebakend?

De relevante markt bepaalt binnen welk kader de machtspositie wordt beoordeeld. De Commissie en de rechters bakenen die af naar product en naar gebied.

De productmarkt omvat de producten die afnemers als uitwisselbaar zien. Stappen afnemers bij een kleine prijsverhoging gemakkelijk over naar een ander product, dan hoort dat product meestal bij dezelfde markt.

De geografische markt is het gebied waarin de concurrentievoorwaarden voldoende gelijk zijn. Dat kan een regio, Nederland, de EU of de wereld zijn, afhankelijk van de sector.

Bij de beoordeling van het gedrag kijkt de rechter naar de gevolgen voor:

  • de structuur van de concurrentie op de markt;
  • de belangen van afnemers en consumenten;
  • innovatie, keuze en kwaliteit.

Volgens vaste rechtspraak is het niet nodig dat daadwerkelijke schade al is ingetreden. Het is voldoende dat het gedrag concurrentie kan uitsluiten, mits dat op concrete gegevens is gebaseerd en niet slechts hypothetisch is.

Kan een dominante onderneming haar gedrag rechtvaardigen?

Ja, maar de lat ligt hoog. Een dominante onderneming kan aanvoeren dat haar gedrag objectief noodzakelijk is of efficiëntievoordelen oplevert die opwegen tegen de nadelen voor de concurrentie.

Volgens het Hof in Post Danmark (zaak C-209/10, 2012) moeten efficiëntievoordelen dan echt bestaan, door het gedrag worden veroorzaakt, uiteindelijk ook afnemers ten goede komen en mag de daadwerkelijke concurrentie niet worden uitgeschakeld. Alleen een kostenbesparing voor de onderneming zelf is niet genoeg om concurrentiebeperkend gedrag te rechtvaardigen.

Voorbeelden van mogelijke rechtvaardigingen zijn:

  • technische noodzaak om de kwaliteit van een product te waarborgen;
  • veiligheid of volksgezondheid;
  • objectieve kwaliteitseisen die voor alle afnemers gelijk zijn.

Evenredigheid blijft doorslaggevend. Het gedrag mag niet verder gaan dan nodig is, en er mag geen minder beperkend alternatief bestaan.

De dominante onderneming moet de rechtvaardiging zelf aanvoeren en onderbouwen. Vage verwijzingen naar efficiëntie zonder cijfers of interne stukken maken weinig kans. Volgens de nieuwe richtsnoeren geldt bovendien: hoe schadelijker het gedrag, hoe kleiner de kans dat een rechtvaardiging slaagt.

Wat betekent dit voor ondernemingen en toezichthouders?

De recente ontwikkelingen raken dominante ondernemingen direct. Zij moeten hun marktgedrag toetsen aan de nieuwe richtsnoeren, terwijl de Commissie en de ACM met meer duidelijkheid kunnen optreden.

Hoe houden de Commissie en de ACM toezicht?

De Commissie stelde in maart 2023 haar handhavingsprioriteiten voor artikel 102 VWEU bij en heeft die op 3 september 2026 vervangen door de nieuwe richtsnoeren. Zij kijkt daarbij meer naar de structuur van de markt en minder uitsluitend naar losse klachten.

De ACM kan zelfstandig onderzoek doen naar machtsmisbruik op de Nederlandse markt, op grond van artikel 24 Mededingingswet en artikel 102 VWEU. Zij kan een onderzoek starten na een klacht of op eigen initiatief.

Waar toezichthouders nu op letten:

  • markten waar één speler de toegang voor anderen bepaalt;
  • gedrag waarvoor volgens de richtsnoeren een vermoeden van schadelijkheid geldt;
  • platformmarkten en digitale diensten;
  • zaken waarin snel optreden nodig is, zoals via voorlopige maatregelen (artikel 8 Verordening 1/2003).

Een dominante onderneming doet er daarom goed aan haar gedrag regelmatig te toetsen, en niet pas als er een klacht of onderzoek komt.

De Commissie kan boetes opleggen tot 10% van de totale jaaromzet van de onderneming (artikel 23 Verordening 1/2003). Bij herhaling of ernstige verstoring van de markt valt de boete hoger uit.

Hoe richt u de naleving in?

Ondernemingen met een sterke marktpositie doen er goed aan hun interne processen hierop in te richten. Compliance-programma’s helpen om risico’s vroeg te herkennen.

Een werkbare indeling van een compliance-programma:

OnderdeelActieSuggestie voor frequentie
MarktanalyseBepaal marktaandeel en marktpositiePer kwartaal
Prijsstelling en kortingenControleer op ongelijke behandeling en getrouwheidskortingenMaandelijks
ContractenBeoordeel exclusiviteitsclausulesJaarlijks en bij nieuwe contracten
TrainingInstructie van management en verkoopHalfjaarlijks

Laat uw juridische afdeling of adviseur regelmatig een interne toets uitvoeren. Daarbij wordt gekeken of het gedrag van de onderneming nog binnen de grenzen van artikel 102 VWEU blijft.

Goede documentatie is daarbij belangrijk. Interne e-mails en presentaties over prijzen, exclusieve deals of marktstrategie kunnen later als bewijs dienen. Volgens de nieuwe richtsnoeren weegt de Commissie juist zulke interne stukken zwaar mee.

Zorg ook dat medewerkers weten hoe zij over concurrenten en marktposities schrijven. Laat daarnaast nieuwe producten, prijswijzigingen en samenwerkingen vooraf juridisch toetsen.

Welke voorbeelden uit de praktijk zijn leerzaam?

Google Shopping (besluit 2017, arrest Hof 2024) laat zien dat de rangschikking in zoekresultaten onder het mededingingsrecht valt. Google moest zijn eigen prijsvergelijkingsdienst op dezelfde manier behandelen als die van concurrenten.

Ondernemingen leerden hieruit dat technische implementaties, zoals een algoritme, juridische gevolgen kunnen hebben. Algoritmes die eigen diensten voortrekken, zijn een duidelijk risico.

Qualcomm laat zien dat ook de onderbouwing door de Commissie telt. Het Gerecht vernietigde in juni 2022 de boete van € 997 miljoen voor exclusiviteitsbetalingen aan Apple (zaak T-235/18), onder meer omdat de Commissie de uitsluitende effecten onvoldoende had aangetoond.

In een tweede Qualcomm-zaak over roofprijzen bevestigde het Gerecht op 18 september 2024 wel grotendeels het besluit van de Commissie (zaak T-671/19). De boete werd licht verlaagd van € 242 miljoen naar € 238,7 miljoen.

Apple App Store laat zien dat platformregels onder een vergrootglas liggen. De Commissie legde Apple in maart 2024 een boete op van ruim € 1,8 miljard, omdat Apple muziekstreamingdiensten verbood gebruikers te wijzen op goedkopere abonnementen buiten de app.

Ondernemingen die een digitale marktplaats of app store beheren, moeten hun voorwaarden daarom zorgvuldig afwegen. Toezichthouders letten vooral op verticale integratie: ondernemingen die tegelijk platform én concurrent zijn.

Welke ontwikkelingen kunt u de komende jaren verwachten?

De komende jaren staan in het teken van de toepassing van de nieuwe richtsnoeren en de Digital Markets Act. Daarnaast zal de rechtspraak verder uitwerken hoe streng de effectentoets bij digitale platforms moet zijn.

Welke regels veranderen?

De richtsnoeren van 3 september 2026 zijn de eerste richtsnoeren van de Commissie over uitsluitingsmisbruik. Zij moeten de rechtszekerheid vergroten en de toepassing door nationale autoriteiten en rechters meer op één lijn brengen.

De Digital Markets Act geldt naast artikel 102 VWEU. De Commissie kan een poortwachter die de verplichtingen niet nakomt financiële sancties opleggen tot 10% van de wereldwijde jaaromzet, en tot 20% bij herhaling (artikel 30 Verordening (EU) 2022/1925).

Belangrijke ontwikkelingen om te volgen:

  • hoe de Commissie de vermoedens van schadelijkheid uit de richtsnoeren in concrete zaken toepast;
  • hoe de ACM en de Nederlandse rechter de richtsnoeren gebruiken;
  • de verhouding tussen handhaving via de Digital Markets Act en via artikel 102 VWEU.

Voor ondernemingen betekent dit dat bestaande contracten en kortingsregelingen opnieuw getoetst moeten worden. Wat onder de oude richtsnoeren nog verdedigbaar leek, kan nu onder een vermoeden van schadelijkheid vallen.

Wat betekent de nieuwe rechtspraak voor u?

De arresten Google Android en Android Auto laten zien dat het Hof de Commissie op digitale markten ruimte geeft. Tegelijk laat het Intel-arrest zien dat de Commissie haar effectenanalyse zorgvuldig moet onderbouwen.

Voor ondernemingen die last hebben van een dominante partij, biedt deze rechtspraak aanknopingspunten. U kunt een klacht indienen bij de Commissie of de ACM, of bij de civiele rechter schadevergoeding vorderen op basis van een onherroepelijk boetebesluit.

Kernpunten uit de recente rechtspraak:

  • zelfbevoordeling door een dominant platform kan misbruik zijn;
  • de toets van de even efficiënte concurrent is niet in alle gevallen verplicht;
  • een platform dat voor derden is opengesteld, mag de toegang niet zonder goede reden weigeren.

Dominante ondernemingen moeten hun bedrijfsvoering hierop afstemmen. Ondernemingen die met een dominante partij te maken hebben, kunnen hun positie juist versterken.

Samengevat

  • Artikel 102 VWEU verbiedt niet de machtspositie zelf, maar het misbruik ervan; artikel 24 Mededingingswet bevat het Nederlandse equivalent.
  • Een machtspositie is volgens de Commissie onder 40% marktaandeel in het algemeen onwaarschijnlijk; boven 50% gaat het Hof in beginsel uit van een machtspositie.
  • Het Hof bevestigde de boetes voor Google Shopping (2024) en Google Android (2026), maar gaf Intel gelijk (2024).
  • Sinds 3 september 2026 gelden nieuwe richtsnoeren van de Commissie, met vermoedens van schadelijkheid voor onder meer exclusieve afnameverplichtingen.
  • Een dominante onderneming kan haar gedrag alleen met goed onderbouwde en evenredige argumenten rechtvaardigen.

Veelgestelde vragen

Het EU-recht stelt machtsmisbruik vast aan de hand van artikel 102 VWEU. De Commissie, de nationale autoriteiten en de rechters toetsen daarbij vier elementen en letten scherp op het bewijs.

Wanneer is er sprake van machtsmisbruik?

Voor machtsmisbruik onder artikel 102 VWEU zijn vier elementen nodig: een onderneming, een machtspositie, misbruik en invloed op de handel tussen lidstaten.

Een onderneming is iedere eenheid die een economische activiteit uitoefent. Typische overheidstaken, zoals het uitoefenen van publiek gezag, vallen daarbuiten.

Voor de machtspositie wordt eerst de relevante markt afgebakend, naar product en naar gebied. Daarna kijkt men naar het marktaandeel, maar ook naar financiële kracht, toetredingsdrempels en technologische voorsprong.

Misbruik kan veel vormen aannemen. Denk aan buitensporige prijzen, onbillijke voorwaarden, exclusiviteitsafspraken of het weigeren te leveren.

Welke klassieke arresten zijn nog steeds leidend?

Het Hof legt het begrip onderneming ruim uit. In Höfner en Elser (C-41/90, 1991) oordeelde het Hof dat de rechtsvorm en de financiering niet bepalend zijn.

De rechtspraak maakt wel onderscheid tussen economische en niet-economische activiteiten. In AOK Bundesverband (C-264/01, 2004) oordeelde het Hof dat Duitse ziekenfondsen bij het vaststellen van vaste vergoedingen niet als onderneming optraden.

Het criterium van invloed op de handel tussen lidstaten wordt ruim uitgelegd. Een mogelijke invloed is al voldoende.

Welke voorbeelden kent het Hof van Justitie?

Continental Can (zaak 6/72, 1973) benadrukte het belang van een juiste marktafbakening. De zaak liet zien dat eerst de relevante productmarkt moet worden vastgesteld.

United Brands (zaak 27/76, 1978) gaf de definitie van een machtspositie die nog steeds wordt gebruikt. Het Hof oordeelde ook dat het stopzetten van leveringen aan een vaste afnemer misbruik kan zijn.

Hoffmann-La Roche (zaak 85/76, 1979) keek naar verschillende factoren voor een machtspositie. Niet alleen het marktaandeel telde mee, maar ook de voorsprong op concurrenten. Het Hof oordeelde bovendien dat getrouwheidskortingen misbruik kunnen zijn.

In Alsatel (zaak 247/86, 1988) ging het om onbillijke contractvoorwaarden, zoals een automatische verlenging van een huurcontract. Het Hof liet de beoordeling van de machtspositie daar aan de nationale rechter.

Hoe beïnvloedt nieuwe EU-regelgeving de toetsing van machtsmisbruik?

Verordening 1/2003 geldt sinds 1 mei 2004. Sindsdien passen ook de nationale autoriteiten en rechters artikel 102 VWEU volledig toe.

De EU-concentratieverordening (Verordening 139/2004) regelt het preventieve toezicht op fusies. Ondernemingen moeten een concentratie melden als zij bepaalde omzetdrempels halen.

De Commissie stelde in maart 2023 haar handhavingsprioriteiten bij. Op 3 september 2026 volgden de nieuwe richtsnoeren over uitsluitingsmisbruik, die de oude richtsnoeren uit 2009 vervangen.

Daarnaast geldt de Digital Markets Act voor de grootste digitale platforms. Die verordening werkt naast artikel 102 VWEU.

Wie draagt de bewijslast?

De partij of autoriteit die zich op een inbreuk beroept, moet die bewijzen (artikel 2 Verordening 1/2003). In een boetezaak moet de Commissie dus alle vier elementen van artikel 102 VWEU aantonen.

Voor de marktafbakening is economisch bewijs nodig, bijvoorbeeld over de uitwisselbaarheid van producten en de geografische grenzen van de markt. Voor de machtspositie gaat het om het marktaandeel en andere kenmerken van de marktstructuur.

Het misbruik moet concreet worden aangetoond; algemene vermoedens zijn niet genoeg. Wel geldt volgens de nieuwe richtsnoeren voor bepaalde gedragingen een vermoeden van schadelijkheid, dat de dominante onderneming met concreet bewijs moet weerleggen.

Een objectieve rechtvaardiging moet de dominante onderneming zelf aanvoeren en onderbouwen. Daarna is het aan de Commissie om te laten zien dat die rechtvaardiging niet opgaat.

Hoe treedt de Europese Commissie op?

De Commissie start een onderzoek na een klacht of op eigen initiatief. Zij kan inlichtingen vorderen, bedrijfsbezoeken afleggen en in spoedeisende gevallen voorlopige maatregelen opleggen.

Stelt de Commissie een inbreuk vast, dan kan zij de onderneming verplichten het gedrag te beëindigen en een boete opleggen. Een onderneming kan ook toezeggingen doen, die de Commissie bindend kan verklaren (artikel 9 Verordening 1/2003).

Het preventieve concentratietoezicht moet voorkomen dat door een fusie een machtspositie ontstaat die de concurrentie ernstig belemmert. De Commissie kan zo’n concentratie verbieden of alleen onder voorwaarden goedkeuren.

Tegen een besluit van de Commissie kan de onderneming beroep instellen bij het Gerecht, en daarna hoger beroep bij het Hof van Justitie.

Twijfelt u over uw positie? Leg uw situatie aan ons voor. Wij laten u binnen één werkdag weten wat uw opties zijn.

Juridische hulp nodig?

Heeft u een brief, dagvaarding of vonnis ontvangen? Stuur de stukken aan ons toe. Wij controleren welke termijnen lopen en wat uw mogelijkheden zijn.

Dit artikel geeft algemene informatie en vervangt geen advies over uw specifieke situatie.

Juridische hulp nodig?

Heeft u een brief, dagvaarding of vonnis ontvangen? Stuur de stukken aan ons toe. Wij controleren welke termijnen lopen en wat uw mogelijkheden zijn.

Dit artikel geeft algemene informatie en vervangt geen advies over uw specifieke situatie.