Gepubliceerd op 12 november 2025 · Laatst bijgewerkt op 29 oktober 2026
Een faillissementsaanvraag slaagt alleen als summierlijk blijkt dat de schuldenaar is opgehouden te betalen en dat de aanvrager een vordering heeft (art. 1 en art. 6 lid 3 Faillissementswet). Daarnaast moet er ten minste één andere onbetaalde schuldeiser zijn, de steunvordering; zonder die tweede schuldeiser wijst de rechtbank het verzoek af, hoe hoog de vordering van de aanvrager ook is.
Inhoudsopgave
Wanneer verklaart de rechtbank iemand failliet?
De maatstaf staat in artikel 1 van de Faillissementswet: de schuldenaar die heeft opgehouden te betalen, wordt op eigen aangifte of op verzoek van een of meer schuldeisers failliet verklaard. Het gaat niet om de vraag of iemand rijk of arm is. De vraag is of hij feitelijk gestopt is met betalen.
Artikel 6 lid 3 Fw bepaalt hoe de rechtbank dat toetst. De faillietverklaring volgt als summierlijk blijkt van feiten die aantonen dat de schuldenaar heeft opgehouden te betalen. Doet een schuldeiser het verzoek, dan moet ook zijn eigen vorderingsrecht summierlijk blijken. De rechtbank doet dus geen volledig bewijsonderzoek.
Die summiere toets maakt de procedure snel. Het betekent ook dat een serieus betwiste vordering zich er slecht voor leent. Wij gaan daar dieper op in bij de faillissementsaanvraag bij een betwiste vordering.

Waarom één onbetaalde factuur niet genoeg is: het pluraliteitsvereiste
De wet spreekt over schuldeisers in het meervoud. De Hoge Raad leidt daaruit al lang af dat de schuldenaar meer dan één schuldeiser moet hebben. Naast de vordering van de aanvrager is dus ten minste één andere onbetaalde vordering nodig. Die steunvordering hoeft niet opeisbaar te zijn.
In een beschikking van 24 maart 2017 weigerde de Hoge Raad van deze vaste lijn af te stappen (ECLI:NL:HR:2017:488). De reden: een faillissement is bedoeld om het vermogen van de schuldenaar te verdelen onder zijn gezamenlijke schuldeisers. Met dat doel strookt volgens de Hoge Raad niet de faillietverklaring van iemand die maar één schuldeiser heeft. Een faillissement is daarmee een collectieve procedure en geen incassomiddel voor één crediteur.
De steunvordering moet ook in hoger beroep nog bestaan. Op 17 januari 2014 oordeelde de Hoge Raad dat het hof de situatie op het moment van zijn eigen uitspraak moet beoordelen (ECLI:NL:HR:2014:98). Het hof moet dus nagaan of de steunvorderingen dan nog openstaan. Volgens dezelfde uitspraak mogen derden een steunvordering in beginsel betalen terwijl de procedure loopt. Dat doorbreekt de gelijkheid van schuldeisers niet, ook niet als de vordering van de aanvrager onbetaald blijft.
Wie kan een faillissement aanvragen?
Drie partijen kunnen een faillissement aanvragen: de schuldenaar zelf, een of meer schuldeisers en het Openbaar Ministerie. Een schuldeiser dient een verzoekschrift in en laat dat doen door een advocaat; artikel 5 lid 1 Fw schrijft dat voor.
Bij eigen aangifte door een rechtspersoon moet het bestuur een rechtsgeldig bestuursbesluit kunnen overleggen. Vaak is ook een besluit of machtiging van de algemene vergadering nodig, afhankelijk van de statuten. Ontbreekt dat besluit, dan strandt de aangifte op de formaliteiten. Doet een natuurlijk persoon eigen aangifte, dan wijst de griffier hem op grond van artikel 4 Fw op de mogelijkheid van de schuldsaneringsregeling.
Het Openbaar Ministerie kan om redenen van openbaar belang een faillissement vorderen. Dat gebeurt zelden, meestal bij vennootschappen die voor fraude worden gebruikt. Verder kan de rechtbank een faillissement uitspreken als een surseance van betaling wordt ingetrokken. Wie het faillissement vooral als drukmiddel wil inzetten, leest eerst wanneer dat is toegestaan in ons artikel over de faillissementsaanvraag als incassomiddel.
Het verzoek in vier stappen: van verzoekschrift tot vonnis
1. Verzoekschrift bij de juiste rechtbank
Het verzoekschrift gaat naar de rechtbank van de woonplaats of de statutaire vestigingsplaats van de schuldenaar (art. 2 Fw). Daarin onderbouwt u uw eigen vordering met facturen, de overeenkomst en de aanmaningen. U noemt de steunvordering met naam en bedrag.
2. Bewijsstukken bijvoegen
Een schriftelijke verklaring van de andere schuldeiser dat zijn vordering onbetaald is gebleven, is in de praktijk het sterkste stuk. Voeg ook een recent uittreksel uit het Handelsregister van de KVK toe. Daaruit blijkt wie de schuldenaar is en wie hem mag vertegenwoordigen. Bij eigen aangifte verwacht de rechtbank een overzicht van baten en schulden en gegevens over het personeel.
3. Behandeling in raadkamer
Artikel 4 Fw schrijft voor dat het verzoek met spoed in raadkamer wordt behandeld. De schuldenaar wordt opgeroepen en kan verweer voeren of om aanhouding vragen. Betaalt hij ter zitting de vordering van de aanvrager, dan vervalt de grondslag van het verzoek. Dan ontbreekt in beginsel het vorderingsrecht van de aanvrager dat artikel 6 lid 3 Fw vereist.
4. Vonnis en publicatie
Het vonnis wordt in het openbaar uitgesproken en is direct uitvoerbaar (art. 4 Fw). De curator plaatst een uittreksel in de Staatscourant (art. 14 lid 3 Fw). Iedereen kan het faillissement daarna opzoeken in het Centraal Insolventieregister.
Wat verandert er zodra het faillissement is uitgesproken?
De gefailleerde verliest van rechtswege het beheer en de beschikking over zijn vermogen (art. 23 Fw). De rechtbank benoemt in hetzelfde vonnis een curator en een rechter-commissaris. Vanaf dat moment handelt alleen de curator. Hij inventariseert de boedel, beslist over lopende contracten, verkoopt bezittingen en verdeelt de opbrengst. De rechter-commissaris houdt toezicht en geeft toestemming voor ingrijpende handelingen.
De rechter-commissaris kan een afkoelingsperiode afkondigen. Op grond van artikel 63a Fw kunnen derden hun rechten op boedelgoederen dan ten hoogste twee maanden alleen met zijn machtiging uitoefenen. Die periode kan eenmaal met ten hoogste twee maanden worden verlengd. Zo kan de curator bijvoorbeeld een doorstart onderzoeken zonder dat leveranciers hun zaken direct weghalen. Wat de curator verder mag, leest u in ons artikel over de rol van de curator bij faillissement.

In welke volgorde worden de schuldeisers betaald?
Niet iedereen krijgt evenveel. De volgorde ligt vast en wijkt vaak af van wat schuldeisers verwachten:
- separatisten: pand- en hypotheekhouders oefenen hun recht uit alsof er geen faillissement was (art. 57 Fw), behalve tijdens een afkoelingsperiode;
- boedelschulden: kosten die na de uitspraak ontstaan, waaronder het salaris van de curator, worden vooraf uit de boedel voldaan;
- preferente vorderingen: onder meer bepaalde belastingschulden en vorderingen van werknemers en het UWV gaan voor op de gewone schuldeisers;
- concurrente vorderingen: alle overige schuldeisers delen naar verhouding in wat overblijft, en dat is vaak niets.
De curator stelt een uitdelingslijst op zodra duidelijk is wat er te verdelen valt. Die lijst wordt ter inzage gelegd, zodat schuldeisers er binnen de wettelijke termijn verzet tegen kunnen doen bij de rechtbank. Is er niets te verdelen, dan wordt het faillissement opgeheven wegens gebrek aan baten (art. 16 Fw).
Voor werknemers geldt een aparte route. De curator kan de arbeidsovereenkomsten opzeggen met machtiging van de rechter-commissaris, met een opzegtermijn van ten hoogste zes weken (art. 40 Fw). Het UWV neemt via de loongarantieregeling achterstallig loon, vakantiegeld en loon over de opzegtermijn binnen wettelijke grenzen over. Een transitievergoeding is in faillissement niet verschuldigd (art. 7:673c BW). Wat een overname betekent, leest u in ons artikel over faillissement en doorstart.
Hoe weert u een faillissementsaanvraag af?
Het verweer richt zich op de bouwstenen van artikel 6 lid 3 Fw. Bestrijd de vordering van de aanvrager als die inhoudelijk wordt betwist; een vordering die een serieus verweer oproept, blijkt niet summierlijk. Bestrijd de opeisbaarheid als er nog een betalingstermijn loopt of een opschortingsrecht bestaat. En bestrijd de steunvordering, want zonder tweede schuldeiser ontbreekt de pluraliteit.
Daarnaast kan de schuldenaar aannemelijk maken dat hij niet is opgehouden te betalen. Bijvoorbeeld omdat hij structureel betaalt, financiering is toegezegd of er een concrete regeling ligt. De rechtbank houdt de zaak dan soms enkele weken aan om de schuldenaar de kans te geven de vorderingen te voldoen. Op aanhouding bestaat geen recht.
Tussen indiening en zitting zitten vaak maar enkele weken. Wie een oproep ontvangt, verzamelt daarom direct de stukken waarmee de vordering of de steunvordering kan worden bestreden: betalingsbewijzen, correspondentie over gebreken en eventuele betalingsregelingen.

Welke termijnen gelden voor verzet en hoger beroep?
De termijnen staan in de artikelen 8 en 9 Fw en zijn kort. Het overzicht hieronder geeft de stand van de wet op 29 oktober 2026.
| Situatie | Rechtsmiddel | Termijn | Wetsartikel |
|---|---|---|---|
| Schuldenaar is gehoord en failliet verklaard | Hoger beroep bij het gerechtshof | 8 dagen na de dag van de uitspraak | art. 8 lid 1 Fw |
| Schuldenaar is niet gehoord | Verzet bij de rechtbank | 14 dagen na de dag van de uitspraak | art. 8 lid 2 Fw |
| Schuldenaar niet gehoord en tijdens de uitspraak buiten Europees Nederland | Verzet bij de rechtbank | 1 maand | art. 8 lid 2 Fw |
| Verzoek of aangifte is afgewezen | Hoger beroep bij het gerechtshof | 8 dagen na de dag van de afwijzing | art. 9 lid 1 Fw |
Verzet en hoger beroep worden ingesteld door een advocaat (art. 5 lid 1 Fw). De termijnen zijn fataal: te laat is te laat, ook als het faillissement onterecht was. Reken vanaf de dag van de uitspraak, niet vanaf de dag waarop u het vonnis ontving.
Een rechtsmiddel schorst de werking van het faillissement niet. De curator gaat door met beheer en verkoop. Vernietigt het hof het vonnis, dan blijven de handelingen die de curator tot dan verrichtte geldig (art. 13 Fw). Daarom is verweer vóór de uitspraak meestal effectiever dan herstel achteraf.
Wanneer is de aanvrager aansprakelijk als het faillissement wordt vernietigd?
Een schuldeiser die een faillissement aanvraagt dat later in hoger beroep sneuvelt, is niet zonder meer aansprakelijk voor de schade. De Hoge Raad oordeelde op 11 december 2020 dat het uitspreken van een faillissement een beslissing van de rechter is en geen rechtsuitoefening door de aanvrager (ECLI:NL:HR:2020:2004). Het verschil met een onterecht beslag is daarmee wezenlijk.
De aanvrager is volgens dat arrest alleen aansprakelijk als hij wist of behoorde te weten dat er geen grond was voor het faillissement, of als hij op een andere manier misbruik maakte van zijn bevoegdheid. Wie een faillissement aanvraagt voor een vordering waarvan hij weet dat die serieus wordt betwist, loopt dus wel risico.
Welke alternatieven bestaan er voor faillissement?
Voor ondernemingen zijn er twee wettelijke routes. De surseance van betaling geeft uitstel van betaling aan concurrente schuldeisers onder toezicht van een bewindvoerder. Separatisten en preferente schuldeisers worden er niet door geraakt, waardoor de bescherming beperkter is dan zij lijkt. Meer leest u in ons artikel over surseance van betaling.
De tweede route is de Wet homologatie onderhands akkoord (WHOA), sinds 1 januari 2021 onderdeel van de Faillissementswet (art. 369 e.v. Fw). Een onderneming kan daarmee een akkoord aan schuldeisers en aandeelhouders voorleggen. Homologeert de rechtbank het akkoord, dan zijn ook tegenstemmers gebonden. Wij lichten de stappen toe in ons overzicht van de WHOA-regeling.
Voor natuurlijke personen bestaat de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp). Die duurt sinds 1 juli 2023 in beginsel achttien maanden en eindigt bij een goed verloop met een schone lei. Toelating vereist onder meer dat een minnelijke regeling is geprobeerd en dat de schulden te goeder trouw zijn ontstaan. Wat dat voor schuldeisers betekent, leest u in ons artikel over schuldsanering vanuit het perspectief van schuldeisers.
Wanneer is een bestuurder persoonlijk aansprakelijk voor het tekort?
Bij een bv zijn de aandeelhouders niet aansprakelijk voor de schulden, maar de bestuurders lopen wel risico. Artikel 2:248 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek maakt iedere bestuurder hoofdelijk aansprakelijk voor het tekort als het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en dit een belangrijke oorzaak van het faillissement is.
Twee administratieve plichten zijn daarbij bepalend. Voert het bestuur geen deugdelijke administratie of publiceert het de jaarrekening te laat, dan staat kennelijk onbehoorlijk bestuur vast (art. 2:248 lid 2 BW). Dan wordt ook vermoed dat dit een belangrijke oorzaak van het faillissement is. De bestuurder kan dat vermoeden alleen weerleggen door een andere belangrijke oorzaak aannemelijk te maken.
Bij andere rechtsvormen loopt het anders. De eigenaar van een eenmanszaak is met zijn hele vermogen aansprakelijk. Vennoten van een vof zijn hoofdelijk verbonden voor de schulden van de vennootschap (art. 18 WvK). Wanneer een bv-bestuurder ook buiten artikel 2:248 BW aansprakelijk is, leest u in ons artikel over bestuurdersaansprakelijkheid bij een bv.
Wat controleert u als schuldeiser voordat u het verzoek indient?
- Is uw vordering onderbouwd met stukken, en wordt zij niet serieus betwist (art. 6 lid 3 Fw)?
- Is er een steunvordering, bij voorkeur met een schriftelijke verklaring van die andere schuldeiser?
- Weet u zeker dat er een grond voor faillissement is? Anders loopt u het aansprakelijkheidsrisico uit het arrest van 11 december 2020.
- Hebt u een recent KVK-uittreksel van de schuldenaar?
Wat doet u als schuldenaar na een oproep voor de faillissementszitting?
- Verschijn op de zitting; anders kan de rechtbank u failliet verklaren zonder u te horen.
- Verzamel stukken waaruit blijkt dat de vordering wordt betwist of nog niet opeisbaar is.
- Ga na of de genoemde steunvordering echt bestaat en nog openstaat.
- Noteer de termijnen: hoger beroep binnen acht dagen, verzet binnen veertien dagen na de uitspraak (art. 8 Fw).
Wat wij doen bij een faillissementsaanvraag
Wij staan zowel schuldeisers als schuldenaren bij. Meer over ons werk leest u op de pagina’s advocaat faillissement en ondernemingsrecht advocaat.
- Wij toetsen of uw vordering en de steunvordering de summiere toets van art. 6 lid 3 Fw doorstaan.
- Wij stellen het verzoekschrift op en dienen het in bij de bevoegde rechtbank.
- Wij voeren verweer tegen een faillissementsaanvraag en vragen zo nodig aanhouding.
- Wij stellen binnen de termijn van art. 8 Fw verzet of hoger beroep in.
- Wij onderzoeken met u alternatieven zoals surseance of een akkoord via de WHOA.
Faillissementsaanvraag in vijf punten
- De rechtbank toetst summier; een serieus betwiste vordering is geen basis voor faillissement.
- De Hoge Raad houdt vast aan het pluraliteitsvereiste (HR 24 maart 2017).
- In hoger beroep moet de steunvordering op het moment van de uitspraak van het hof nog bestaan (HR 17 januari 2014).
- Een rechtsmiddel schorst het faillissement niet; handelingen van de curator blijven geldig.
- De aanvrager van een later vernietigd faillissement is alleen aansprakelijk bij wetenschap of misbruik (HR 11 december 2020).